Kees Bakker, Tussen twee nederlagen. Hongarije van 1918 tot 1945 (2002). Bron: www.keesbakker.com

Tussen twee nederlagen.
Hongarije van 1918 tot 1945

Door Kees Bakker

Een vlootvoogd in het zadel

Terwijl de Hongaarse Radenrepubliek een poging deed om van het oude Hongarije nog te redden wat er te redden was, werd het door Franse troepen bezette Szeged een ontmoetingspunt voor samenzweerders die klaarstonden om in het door de Westerse mogendheden gekortwiekte Hongarije de macht over te nemen.
Hoewel deze contrarevolutionairen al in de winter van 1918 op 1919 begonnen waren de koppen bijelkaar te steken en ze zich in die tijd blijkbaar vooral stoorden aan de Volksrepubliek van Mihály Károlyi (1875-1955), werden ze in de loop van het jaar vooral antibolsjewisten. Het Hongaarse bolsjewisme moest en zou, vonden ze, in de kiem gesmoord worden, ook al zou dit het eind worden van datgene wat hun het dierbaarste op aarde was: de Hongaarse suprematie in het Karpatenbekken. En zo hadden ze er geen moeite mee om onder de paraplu van Frankrijk, de ergste vijand van Hongarije, de bui af te wachten en lieten ze zonder een vin te verroeren toe, hoe het Hongaarse Rode Leger nederlaag op nederlaag leed, Hongarije kleiner en kleiner werd en Roemeense soldaten tenslotte in Boedapest de overwinnaar uithingen.
Mensen van naam of met een verleden in het Hongaarse openbare leven waren er in Szeged amper. Wie links was of over een minimaal Hongaars fatsoen beschikte, steunde in de zomer van 1919 de Radenrepubliek. En op het voorbeeld van keizer-koning Karel, die Frans Jozef in 1916 was opgevolgd en die erop uit was de schade voor zijn Habsburgse imperium zoveel mogelijk te beperken, voelde ook de aristocratie er even niet voor het Rode Leger voor de voeten te lopen. Zo had graaf Mihály Károlyi, die in het najaar van 1918 in overleg met koning Karel (1887-1922) van Hongarije een volksrepubliek had gemaakt, zich direct na de uitroeping van de radenrepubliek bij Béla Kun vervoegd met de vraag of hij soms kon helpen. Hetzelfde deed graaf Móric Esterházy, de man die op aanwijzing van Karel op het laatst van de oorlog nog even minister-president was geweest en die later tot de intimi van Horthy zou behoren. Aurél Stromfeld, een generaal uit het leger van de Monarchie, was nog een stap verder gegaan: hij had de leiding van het Hongaarse Rode leger op zich genomen.
De te Szeged vergaderde gemeente bestond voor een deel uit figuren uit de lagere regionen van de aristocratie en uit figuren die zich tot dan toe in de Hongaarse politiek met een bijrol tevreden hadden moeten stellen en die nu hun kans schoon zagen. Voor een ander deel waren het vertegenwoordigers van een nieuw nationalisme dat op het eind van de oorlog was ontstaan. Anders dan István Tisza (1861-1918), die in de elite van aristocraten, bankiers en topindustriëlen de dragers had gezien van het Hongaarse nationalisme, was de basis van het nationalisme in de optiek van deze mensen het ‘volk’, voorzover dat althans etnisch Hongaars was. De ideologen van dit etnische nationalisme waren mensen als Ferenc Ulain (geb 1881), István Milotay (geb 1883), Miklós Kozma (geb 1884), Endre Bajcsy-Zsilinszky (1886-1944), Gyula Gömbös (1886-1936) en Tibor Eckhardt (1888-1972). Ze hadden zich in eerste instantie verzameld rond het blad Új Nemzedék van István Milotay en waren in de oorlogsjaren aan het politieke leven gaan deelnemen.
Dat Szeged in de zomer van 1919 tot zo’n verzamelpunt uitgroeide was te danken aan de inspanningen van István Bethlen (1874-1946). Graaf Bethlen, een uit Zevenburgen afkomstige grootgrondbezitter, was sinds jaar en dag actief als beroepspoliticus, vooral in Zevenburgen. Als lid van het lagerhuis was hij in de oorlogsjaren een invloedrijk politicus geworden. Hij werd in Boedapest gezien als een van de mensen die na István Tisza het roer zouden kunnen overnemen.
Bethlen had zich aanvankelijk neergelegd bij het feit dat Hongarije een volksrepubliek was geworden, maar begin 1919 al, maanden dus voor de uitroeping van de radenrepubliek, was hij gaan werken aan een bundeling van de krachten die in Mihály Károlyi’s republiek op een zijspoor waren geraakt. Bethlen, die zich in de eerste maanden van 1919 in Boedapest bevond, legde daar contact met Miklós Horthy (1868-1957) en Gyula Gömbös.
Afkomstig uit een adellijke familie met een gering landgoed in het oosten van het land had Horthy het tijdens de oorlogsjaren tot bevelhebber gebracht van de keizerlijke en koninklijke vloot. Op 31 oktober 1918 had hij op bevel van de nieuwbakken keizer gecapituleerd en de vloot overgedragen aan het Servische leger. Daarop was hij via Wenen en Boedapest naar zijn landgoed gereisd. Hoewel Horthy sinds het eind van de oorlog geen openbare activiteiten had ontplooid, genoot hij nog altijd een zekere populariteit. Hij gold als de ‘held van Otranto’, de man die de barricade van de vloot van de Entente ter hoogte van die plaats doorbroken zou hebben. Het ging om een vrij onbelangrijk incident, dat in de pers enorm was opgeblazen en van Horthy zo de man had gemaakt die Hongarije’s militaire eer had gered. In kringen van de aristocratie had men het niet erg met Horthy op. Men vond hem een parvenu. Maar onder de volkse nationalisten bestond er een buitensporige en kritiekloze bewondering van deze ‘grote soldaat en held’, zoals Endre Bajcsy-Zsilinszky hem wel heeft genoemd.
Op korte termijn waren de ontmoetingen die István Bethlen in dezelfde periode met Gyula Gömbös had, belangrijker. Gömbös, een officier uit de oude legerstaf, liep al sinds het eind van de oorlog rond met plannen voor een militaire staatsgreep en hij had sindsdien met dat doel ook een organisatie opgebouwd.
Gyula Gömbös was in 1916 gewond van het front in Galicië teruggekeerd naar Wenen. Onmiddellijk na de uitroeping van de Volksrepubliek had hij samen met nog enkele officieren generaal Samu Hazai het voorstel gedaan tot een militaire coup die Gyula Andrássy, toen ook in Wenen, aan de macht had moeten brengen. Hazai, die overigens voorjaar 1919 ook in Szeged verzeild zou raken, had echter niet van het idee willen horen. Gömbös was daarop naar Boedapest vertrokken, waar hij aan de slag was gegaan bij het ministerie van oorlog. Vanuit die positie was hij begonnen met het opzetten van een organisatie van contrarevolutionaire legerofficieren. In januari 1919 was hij officiëel voorzitter geworden van deze Magyar Országos Véderő Egyesület (MOVE). Het werd echter al snel duidelijk dat Boedapest voor dit soort activiteiten geen geschikte basis was. Eind februari werd de MOVE door minister van oorlog Vilmos Böhm officiëel ontbonden. Maar Gömbös was toen al weg.
Op verzoek van Bethlen was Gömbös in februari namelijk naar Wenen gereisd. In de keizerstad, waar de keizer intussen vertrokken was, hielden zich, in afwachting van de gebeurtenissen in Hongarije, allerlei aristocraten op. Gömbös had van Bethlen de opdracht meegekregen om deze heren bij de organisatie van een machtswisseling te betrekken. Met dat doel nam hij er contact op met persoonlijke vrienden van Bethlen als graaf Károly Schönborn, een grootgrondbezitter uit Zevenburgen, de eveneens uit Zevenburgen afkomstige graaf Pál Teleki (1879-1941) en graaf Gedeon Ráday. Direct na de uitroeping van de radenrepubliek vertrok ook István Bethlen naar Wenen om daar de leiding op zich te nemen van wat nu de naam kreeg van Antibolsjewistisch Comité. Lid van het comité werden ook graaf Albert Apponyi, een oppositionele aristocraat uit de Tisza-tijd en de leider van de inderhaast opgerichte Legitimistische Partij, graaf Antal Sigray.
Geruggesteund door deze heren onderzocht Bethlen vervolgens de mogelijkheden voor de organisatie van een Nationaal Leger, waarvan Gömbös een goede organisator en Horthy een geschikte opperbevelhebber zou zijn. Als Frankrijk, als bezettende macht binnen de landsgrenzen aanwezig, politieke en misschien ook wat militaire steun zou verlenen, zou dit leger, zo veronderstelde hij, de radenrepubliek ten val moeten kunnen brengen. De Engelse missie in Wenen betoonde zich een voorstander van deze opzet, maar al op 14 april liet de Franse regeringsleider Georges Clemenceau weten dat er wat hem betreft geen sprake kon zijn van de oprichting van zo’n leger. Clemenceau, die erop uit was de Centralen hun nederlaag zo scherp mogelijk in te peperen, had nu eenmaal liever dat Roemeense soldaten een eind aan de radenrepubliek zouden maken.
Gömbös, die samen met György Pallavicini, een telg uit een van de rijkste families van het land, naar Belgrado was gereisd om de details met de Franse generaal Paul de Lobit te bespreken, kreeg daar danook nul op het rekest. Maar helemaal zonder resultaat was zijn missie toch niet. Hij wist namelijk wel te bereiken dat het Antibolsjewistische Comité of vertegenwoordigers daarvan naar Szeged konden komen om daar de machtsovername voor te bereiden. Gömbös kreeg van de Franse generaal ook toestemming om in Szeged een ‘beperkte’ Hongaarse militaire eenheid (1300 man) op te zetten. Blijkbaar was dat voor hem voldoende om, terwijl Pallavicini terugkeerde naar Wenen om daar verslag uit te brengen, door te reizen naar Szeged.
In deze Zuidhongaarse stad was op dat moment nog geen sprake van contrarevolutionaire activiteiten. Gömbös en de ongetwijfeld op zijn instigatie naar Szeged gekomen contrarevolutionairen slaagden erin om op 7 mei met hulp van de Fransen een eind te maken aan het bewind van de radenrepubliek in Szeged. Eind van die maand werd het intussen in Wenen aan interne tegenstellingen tegronde gegane Antibolsjewistische Comité in Szeged heropgericht. Graaf Pál Teleki werd er de president van. Intussen was ook graaf Gyula Károlyi gearriveerd. Hij had begin mei in Arad een contrarevolutionaire regering op touw gezet, maar was onverwacht door de Roemenen over de demarcatielijn gezet. Op het allerlaatst van mei verschenen ook Tibor Eckhardt en Miklós Horthy in de stad. De laatste was op aandringen van Bethlen van zijn landgoed Kenderes naar Szeged gereisd.
Op 6 juni werden de vergaderde contrarevolutionairen het eens over een ‘regering’, waarin Pál Teleki minister van buitenlandse zaken en Horthy minister van oorlog werd met naast zich Gömbös als staatssecretaris. De Fransen lieten de samenzweerders begaan, maar ze hielden wel nauwlettend in de gaten wat voor activiteiten Gömbös ontplooide. Eind juli stuurden ze hem uit Szeged weg. Gömbös vertrok naar Wenen, waar hij het eind van de radenrepubliek afwachtte.
In de Hongaarse hoofdstad werd, toen de radenrepubliek eenmaal ineen was gestort en de leiders ervan naar Wenen waren gevlucht, in overleg met de Britse generaal Cunningham een voorlopige regering gevormd onder leiding van de sociaaldemocraat Gyula Peidl. Peidl en zijn ministers gingen daarbij uit van de door de Entente in juli te Wenen geformuleerde acht punten, waarvan de kern was dat de Entente zich bereid verklaarde om na de beëindiging van de radenrepubliek een door sociaal-democraten geleide democratische regering te steunen. Maar de regering-Peidl was amper benoemd of het bleek al, dat de Entente zich niet meer aan deze belofte gebonden achtte. Toen de Roemeense troepen ook nogeens de Tisza overstaken en op 4 augustus Boedapest binnentrokken, was het lot van de regering-Peidl bezegeld. Toch pakten de zaken anders uit dan de regeringen van de Entente wilden of hadden voorzien. Op 6 augustus werd de regering-Peidl namelijk het slachtoffer van een coup van voorstanders van een terugkeer van het huis van Habsburg. Aartshertog Jozef August van Habsburg, die in zijn paleis in het burchtkwartier van Boedapest zetelde en zichzelf nog altijd als regent zag, benoemde István Friedrich tot nieuwe minister-president en Friedrich stelde op zijn beurt uit het groepje putschisten een regering samen.
Met betrekking tot de toekomst van Hongarije waren er binnen de Entente belangrijke verschillen van mening tussen Engeland en Frankrijk. Engeland achtte een regering van sociaal-democraten en liberalen gewenst. Frankrijk daarentegen eiste dat de in Szeged gevormde regering op zijn minst betrokken zou worden in de macht. Ook met betrekking tot de aanwezigheid van de Roemeense troepen waren de meningen verdeeld. Clemenceau was erop uit de macht van Duitsland definitief te breken en dacht van de aanwezigheid van de Roemenen gebruik te kunnen maken om de positie van zijn land in Centraal-Europa te versterken. De Engelsen op hun beurt wilden juist voorkomen dat Hongarije binnen de Franse invloedssfeer terecht zou komen en waren daarom voor een spoedig vertrek van de Roemeense soldaten.
De met de vorming van de regering-Friedrich optredende wending was voor geen van de twee richtingen binnen de Entente aanvaardbaar.
Een paar dagen na de putsch, op 9 augustus, vertrok Horthy met de militairen die zich rond zijn persoon hadden verzameld naar het niet door de Roemenen bezette westen van Hongarije en richtte in Siófok een hoofdkwartier in. Op 15 augustus verscheen Horthy in Boedapest, waar aartshertog Jozef van Habsburg hem in aanwezigheid van Friedrich tot ‘opperste leider’ van het ‘Nationale Leger’ benoemde. Mogelijk veronderstelde Jozef, dat Horthy die als officier immers een eed van trouw aan de keizer-koning had gezworen, vanzelf bij het pro-Habsburgkamp behoorde. Al snel echter bleek dat Horthy niet bereid was de regering-Friedrich te erkennen. Horthy speelde niet alleen met de gedachte om het land een onder zijn leiding staand militair regime op te leggen, maar stelde pogingen in het werk om een eigen bestuursapparaat op te zetten.
Gevolg van een en ander was, dat op 23 augustus Jozef van Habsburg zijn positie als regent moest opgeven en Friedrich voor de derde keer een regering vormde, in de naar weldra zou blijken ijdele hoop dat die dan wel genade zou vinden in de ogen van de mogendheden van de Entente.
Op 23 oktober kreeg Horthy in Siófok bezoek van George Russell Clerk, een Britse generaal, die tot taak had een aan de Entente welgevallige Hongaarse regering te vormen. Clerk deed hem het verzoek zich naar Boedapest te begeven om er de macht over te nemen.
Begin november dwong Clerk de vorming af van een nieuwe regering, waarin ook een liberaal en een sociaal-democraat een ministerspost kregen. Tegelijkertijd liet hij Horthy beloven af te zien van de vorming van een militair regiem. In de optiek van de Engelsen kon onder deze voorwaarden het ‘Nationale Leger’ van Horthy de plaats innemen van de Roemeense troepen, die begin november wel de hoofdstad en het gebied tussen de Donau en de Tisza ontruimden, maar Pécs en de z.g. driehoek van Baranya nog bezet hielden.
Op 16 november 1919 hield Horthy, gezeten op een wit paard en aan het hoofd van zijn Nationale Leger, plechtig intocht in de hoofdstad, waar voor alle zekerheid standrecht en een uitgaansverbod golden. Militair machtsvertoon bleef de sfeer in Boedapest die winter bepalen, tot aan de verkiezing van Horthy tot regent op 1 maart 1920. En om helemaal niets aan het toeval over te laten was één van de privé-legertjes die officieren uit het oude Oostenrijks-Hongaarse leger hadden opgezet, het Ostenburg-commando, op de dag van de verkiezing zelf gewapend en wel aanwezig in het parlementsgebouw.
Tot de eerste beleidsdaden van het nieuwe regiem hoorde het betuigen van instemming met de door de Entente gedicteerde vredesvoorwaarden. Omdat Horthy bang was dat het zijn prestige als ‘groot soldaat en held’ zou schaden en omdat verder ook niemand wilde, trokken de ministers uiteindelijk lootjes. En zo reisde minister van arbeid Agost Benárd af om op 4 juni 1920 in het paleis Grand Trianon te Versailles de Hongaarse handtekening te gaan zetten onder een verdrag, dat van Hongarije voor het eerst in eeuwen een zelfstandig land maakte, maar op dictaat waarvan (ongerekend Kroatië) tweederde van het grondgebied van het koninkrijk van weleer van de buurlanden deel ging uitmaken en tien van de achttien miljoen inwoners van dat oude koninkrijk buiten de nieuwe landsgrenzen raakten.
Onderdeel van het vredesverdrag was de bepaling, dat inwoners van Hongarije ongeacht hun nationale, etnische of religieuze achtergrond recht hebben op gelijke behandeling en verder dat de Hongaarse overheid garanties diende te scheppen voor de ongestoorde ontwikkeling van het culturele of religieuze leven van de minderheden.

Dag Hoogheid!

Dat Miklós Horthy ooit als officier de eed van trouw had afgelegd aan de keizer-koning, was niets bijzonders. Maar in zijn nieuwe positie was het opeens vervelend, vooral toen bleek dat Karel, de man dus die de in 1916 eindelijk overleden keizer Frans Jozef was opgevolgd, niet van zins was de Hongaarse troon de Hongaarse troon te laten. Op 26 maart 1921 was de Habsburger opeens in het bisschoppelijk paleis van de Westhongaarse stad Szombathely. De onttroonde vorst ging er in zijn onschuld vanuit dat zijn terugkeer op de Hongaarse troon min of meer een beklonken zaak was. Het Vaticaan had hem duidelijk aangemoedigd zijn rechten daadwerkelijk op te eisen; de hoge geestelijkheid in Hongarije stond onmiskenbaar aan zijn kant en hetzelfde gold voor een belangrijk deel van de aristocratie. Bovendien waren Horthy en een aantal leden van de regering waren van te voren van zijn komst op de hoogte gesteld en, wat ook een belangrijk signaal was, de Britse diplomatie had geen maatregelen genomen om hem de terugkeer te beletten.
Voorafgegaan door niemand minder dan de minister-president, graaf Pál Teleki, en de minister van godsdienst, dominee József Vass reisde Karel in het automobiel van een joodse landheer, graaf Tamás Erdődy, naar Boedapest. Graaf Teleki en minister Vass hadden ‘hun’ koning geen nee willen verkopen. Maar eenmaal onderweg verging hun het plezier in het avontuur totaal. Zich beroepend op een lekke band gooiden ze nog voor het burchtpaleis in zicht kwam, het stuur om. Gereden door de joodse graaf bereikte Karel zelf de hoofdstad wel. Horthy zat net te eten, toen de onttroonde vorst het paleis binnenstapte. Natuurlijk beriep Karel zich op de eed van trouw. Horthy informeerde, zijn mond afvegend, wat Karel dan voor hem, Horthy, als baan en vooral als rang en titels in petto had, als hij koning zou worden, maar kon uiteindelijk niet anders dan verklaren dat een Habsburger van de Entente nu eenmaal geen koning mocht worden. Dag Hoogheid!
Karel stond paf. Was dit dezelfde Horthy, die hem in november 1918 met tranen op zijn wangen in het paleis Schönbrunn had opgezocht, die daar met waterlanders en al in de houding gesprongen was en gezworen had hem, Karel, op de Hongaarse troon terug te brengen? Was dit dezelfde Horthy van wie hij, even later, een onderdanige brief had gehad met de vraag of het misschien goed was als hij, Horthy, een zijvleugeltje in het burchtpaleis betrok? Was het trouwens niet min of meer afgesproken, dat hij, Karel, kon komen zodra het vredesverdrag met de Entente getekend was?
Hoofdschuddend vertrok de ex-koning weer naar Szombathely, waar hij een tijdje hof hield in het bisschoppelijk paleis. In de buurlanden leidde het verschijnen van de Habsburger onmiddellijk tot scherpe protesten en zelfs tot gedeeltelijke mobilisatie. De houding van die landen droeg er ongetwijfeld belangrijk toe bij dat de mogendheden van de Entente tenslotte op 3 april eensgezind verklaarden dat er geen sprake kon zijn van een restauratie van het huis van Habsburg. En zo werd Karel uiteindelijk door soldaten van de Entente over de grens gebonjourd. Politieke gevolgen bleven natuurlijk niet uit. Pál Teleki moest, ook al had hij honderd keer al dan niet een lekke band gehad, aftreden en het minister-presidentschap overdragen aan zijn vriend en compagnon uit het Antibolsjewistisch Comité, István Bethlen, die de steun ondervond van generaal Clerk.
Karel liet het echter niet bij zijn eerste poging tot troonsbestijging. Op 20 oktober 1921 was hij opnieuw in het land. De tweede actie was beter voorbereid. Er was sprake van een heuse samenzwering, waarbij enkele honderden personen betrokken waren. In een door Hongaarse officieren gestolen vliegmachien arriveerde de vorst-in-spe in het gezelschap van zijn gemalin, de net hoogzwangere Zita, opnieuw in West-Hongarije, ditmaal op het landgoed van graaf Antal Cziráky in Dénesfa. Vandaar ging het in het gezelschap van tal van hooggeplaatste personen en van koningsgezinde militaire eenheden per trein richting Boedapest. Op het station van Győr viel de koning een officiële ontvangst ten deel. Horthy, op de hoogte gesteld van de nadering van Karel, liet ijlings spoorrails weghalen, maar enthoesiaste medereizigers zorgden ervoor dat het ongemak even snel weer verholpen werd. In Tata stapten nogeens twee graven Esterházy op het boemeltje. Op 23 oktober bereikte de trein het vlakbij Boedapest gelegen Biatorbágy. Terwijl tussen de rails de mis werd opgedragen, arriveerden nieuwe graven en andere deftigheden. Maar de wierook hing nog in de lucht, toen er opeens vertegenwoordigers van het ministerie van buitenlandse zaken en militairen verschenen. De koning en de koningin namen plaats in de locomotief. Ten strijde! Maar toen de eerste gewonden en doden gevallen waren, kreeg Karel spijt en maakte hij met trein en al rechtsomkeert. In het paleis van de Esterházy’s bekomend van de schrik werd de koning gearresteerd. Het koninklijk paar werd opgesloten in het fraaie klooster van Tihany om daarna naar Baja, in het oosten van Hongarije, te worden overgebracht. Een Engelse oorlogsbodem zorgde voor verder transport naar het ballingschapsoord Madeira, waar de verstoten vorst tenslotte in 1922 zou overlijden.
Beslissend voor het falen van de tweede putsch was het feit dat de mogendheden van de Entente al op 22 oktober protest aantekenden. De buurlanden verklaarden dat ze tot de bezetting van Hongarije zouden overgaan als de Hongaarse regering niet in staat zou zijn Karel eigenhandig buiten de deur te zetten. Van belang was verder dat er ditmaal ook bij Horthy en bij minister-president Bethlen geen spoor van twijfel was.
Door het falen van de tweede poging tot troonsbestijging kwam er een eind aan de even lange als ongelukkige politieke carričre van Gyula Andrássy (1860-1929). Verder verdwenen er een paar samenzweerders in de gevangenis, maar nog altijd was de pro-Habsburgpartij niet geneigd zich bij de nieuwe feiten neer te leggen. Op 28 augustus trokken militairen van de Ostenburg-, Héjjas- en Prónay commando’s, die het aan de republiek Oostenrijk toegewezen Burgenland bezet hielden, ten strijde tegen het Oostenrijkse leger en even later riepen Hongaarse generaals er de onafhankelijke Lajta-bánság uit. In ruil voor de ontwapening van deze eenheden wist Bethlen bij de Entente voor Sopron het recht te bedingen om per volksstemming te beslissen over de vraag of het bij Hongarije of bij Oostenrijk zou gaan horen. Na de volksstemming in december 1921 maakte Bethlen inderdaad een einde aan het optreden van deze eenheden.
In de zomer van 1922 rommelde het voor het laatst in het Westen van Hongarije, maar dit keer doofden gendarmes het vuur snel.

Klassen aan het begin van de 20ste eeuw

De aanwezigheid van een aristocratie die het heersen in het bloed zat, maar wier positie met het verdwijnen van het hof flink was verzwakt, was een bron van instabiliteit en van zorg voor Miklós Horthy. Hoewel Horthy er alles aan deed om als een vorst voor de dag te komen, was hij voldoende gepokt en gemazeld van de Dubbelmonarchie om zichzelf vergeleken bij de echte vorsten en graven een kleine jongen te voelen. Dat gevoel bekroop hem ongetwijfeld geregeld, omdat het in de Hongaarse hoofdstad nu eenmaal wemelde van de aristocraten. Woonde trouwens aartshertog Jozef August, de Habsburger die na de eerste wereldoorlog nog een blauwe maandag regent van Hongarije was geweest, niet om de hoek, in een paleis op een paar honderd schreden van het burchtpaleis? In deze kringen, die geweldig op Horthy neerkeken, bleef de opvatting leven dat er vroeg of laat weer een Habsburger op de Hongaarse troon moest.
Een prettige bijkomstigheid was wel, dat het hogerhuis in 1918, nog onder het presidentschap van Mihály Károlyi, was afgeschaft. Horthy maakte geen haast met het herstel van dit instituut. De desbetreffende wet kwam pas in 1926 tot stand. Tegen die tijd zat het duo Horthy-Bethlen vast in het zadel en durfden zij het aan om de aristocratie in het politieke leven weer een officiële positie te geven. In het nieuwe hogerhuis kregen de in Hongarije woonachtige leden van het huis Habsburg hun zetel terug. De Hongaarse aristocratie moest het doen met in totaal 40 van de 242 zetels. De andere zetels werden ingenomen door hoge functionarissen uit het staats- en het justitiële apparaat, door vertegenwoordigers van de kerken en mensen uit de wereld van de wetenschap en het economisch leven. Regent Horthy kreeg het recht om zelf 40 leden aan te wijzen. Bovendien mocht hij het lidmaatschap van hogerhuisleden, dat in principe gold voor één regeringscyclus, verlengen tot 10 jaar of zelfs tot levenslang.

Kwa rol in het stelsel van maatschappelijke arbeidsverdeling, als klasse dus, was er rond het einde van de eerste wereldoorlog van de aristocratie niet zo veel meer over. In wezen was maar liefst al in de 18de eeuw het grootgrondbezit opgehouden een zinvolle produktievorm te zijn. Het inkomen van de grootgrondbezitters bestond sedertdien in toenemende mate uit revenuen die te danken waren aan de economische activiteiten van anderen, mensen die optraden als pachters van rechten en ondernemers die of in opdracht van de landheer, formeel dus als managers, of geheel voor eigen rekening en risico landbouwactiviteiten ontplooiden. Ook de graanteelt, waaruit de grootgrondbezitters aan het begin van de 19de eeuw dankzij de hoge prijzen in die tijd belangrijke inkomsten hadden verkregen, was in toenemende mate in handen geraakt van ondernemers die vaak in de handel in landbouwprodukten fortuin hadden gemaakt.
Zo was er in de tweede helft van de 19de eeuw op een deel van de landerijen van de grootgrondbezitters een moderne, op de Oostenrijkse markt gerichte landbouw ontstaan. Dankzij de min of meer gegarandeerde afzet in Oostenrijk had de internationale landbouwcrisis van de jaren ’80 in Hongarije geen catastrofale gevolgen, al was ze wel merkbaar geweest. In de politiek had dat geleid tot het ontstaan van een stroming die protectionistische maatregelen voor de landbouw eiste, maar daarmee niet veel resultaat boekte.
Als politieke klasse was de aristocratie wel belangrijk gebleven. Dat kwam omdat ze in overgrote meerderheid Habsburg-gezind was en sinds 1867 ook al in overgrote meerderheid de constructie van de Dubbelmonarchie steunde. Die steun was erg belangrijk omdat de meerderheid van de bevolking en met name ook de lagere adel die op provincie-niveau de dienst uitmaakte, niets van het Weense hof moest hebben.
Door de afloop van de oorlog en door de weigering van de Entente om een Habsburger toe te laten op de Hongaarse koningstroon, was het opeens met de politieke rol van de aristocratie gedaan.

Terwijl de Hongaarse aristocratie al dan niet met haar rol in de 20ste-eeuwse Hongaarse samenleving worstelde en ondertussen in ieder geval luidruchtig van haar aanwezigheid blijkgaf, kwamen er in Hongarije op allerlei gebieden nieuwe mensen naar voren. Dit deed zich niet alleen in de politiek voor, maar bijvoorbeeld ook in het leger. Militairen die tot de legerleiding behoorden, kwamen in het algemeen uit de middle of lower middleclass. Hetzelfde gold voor het officierscorps. Ook in de leiding van de rooms-katholieke kerk speelden telgen uit aristocratische families amper meer een rol. De kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders kwamen in deze periode uit de middle class of uit de kleine bourgeoisie. Van groot belang was wat dat betreft het optreden geweest van Ottokar Prohászka (1858-1927).
Op de achtergrond hiervan stond dat de 20ste-eeuwse Hongaarse samenleving in de periode dat die zich stabiliseerde, in de jaren na de Russische revolutie van 1905 en na het grote politieke conflict dat zich in die tijd in Hongarije voordeed, een grote behoefte had aan kader, aan mensen dus die zich zouden gaan bezighouden met de organisatie van de nieuwe samenleving en met het geven van leiding. Tegelijkertijd werden nieuwe lagen van de bevolking door de modernisering aangeraakt. Kwa opleiding, maar ook kwa levensomstandigheden (gezondheid, mate van verstedelijktheid, woonomstandigheden) kwamen ze aan het vervullen van dergelijke taken ook toe. In de periode tussen de wereldoorlogen is dit verschijnsel ook statistisch te onderbouwen. Cijfermateriaal laat zien dat in die tijd naast de verstedelijkte joodse bevolking, die al eerder dat peil had bereikt, er een nieuw bevolkingssegment is, dat op dit niveau aan de slag gaat. Het gaat daarbij om mensen met een sociaal zeer verschillende achtergrond. Zo waren er mensen bij uit de laag van grootgrondbezitters, maar dan dat deel dat niet tot de traditionele aristocratie behoorde. Frappante voorbeelden zijn enkele politieke hoofdrolspelers, zoals graaf Pál Teleki, een man die een academische (hij was professor aardrijkskunde) en een politieke carričre combineerde en graaf István Bethlen, die in feite een beroepspoliticus was. Beiden verloren overigens door de verkleining van het land hun grondbezit.
Tot deze nieuwe ‘middenklasse’ behoorden ook mensen die hun roots hadden in de provinciale elites, bestaande uit lokale grondbezitters, overheidsfunctionarissen, onderwijzers enz. Tenslotte waren er ook heel wat mensen bij van nog eenvoudiger komaf. Het lijkt erop dat het proces van de vorming van zo’n nieuwe middenklasse in de tweede helft van de jaren ’30 een nieuwe impuls kreeg.
Dit proces verliep echter niet probleemloos. De moderne samenleving die in de vooroorlogse jaren was ontstaan en die zijn basis had in Boedapest, was voorlopig niet in staat de miljoenen bewoners van het platteland te integreren. De ontwikkeling van een moderne sektor had op de toestand op het platteland tot op zekere hoogte een averechts effect. De moderne sektor zoog kapitaal weg, waardoor de modernisering van de plattelandseconomie werd vertraagd en het leven op het platteland steeds moeilijker en uitzichtslozer werd, maar was niet in staat de plattelandsbevolking een alternatief te bieden. Dit was een van de fundamentele problemen van de Hongaarse samenleving in het interbellum. Na een ook in Hongarije spectaculaire Gründerzeit was de nieuwe samenleving zich na 1907 gaan consolideren. De nieuwe sociale klassen kregen betrekkelijk vaste grenzen. De mogelijkheden voor sociale mobiliteit raakten beperkt en de bomen groeiden niet langer in de hemel.
In de socialistische tijd ontwikkelden Hongaarse historici de these dat er in de eerste helft van de 20ste eeuw een ‘laag’ was gevormd uit nazaten van de lokale adel, die in het overheidsapparaat en in het leger een bestaan hadden gevonden. Deze groep had in wezen nog geen economische macht, maar probeerde die te krijgen. Vergroting van de rol van de overheid in het economisch leven zagen deze kringen daarbij als het belangrijkste instrument. Deze groep was, aldus nog altijd deze auteurs, de machtsbasis voor het volkse nationalisme en het Hongaarse fascisme (Zie bijvoorbeeld Hajdu Tibor, Tilkovszky Loránt (red), Magyarország története 1918-1919, 1919-1945. Dl 1. Budapest 1988, 556).
Mijns inziens is het niet goed mogelijk de nieuwe middenklasse aan slechts één oude klasse te koppelen. Het is ook te beperkt om deze mensen alleen maar terug te willen vinden in de sfeer van de overheid. Cijfermateriaal met betrekking tot het aandeel van de joodse bevolking in de totale beroepsbevolking in een aantal beroepen, waarin naar verhouding veel joden actief waren, laat juist zien dat het aandeel van de joden over de hele linie terugliep en dat er zich dus ook nieuwe mensen manifesteerden in de sfeer van het bedrijfsleven, van de vrije beroepen en van de ambachten. Het is verder problematisch om een rechtstreekse relatie te leggen tussen de nieuwe middenklasse en de opkomst van het volkse nationalisme.

Drie miljoen bedelaars

Hongarije was in 1919 en 1920 een door de oorlog uitgeput land. Op economisch gebied was er sprake van een catastrofale en chaotische situatie. Er waren tekorten aan levensmiddelen en brandstof, er heerste een verwoestende inflatie en dan waren er ook nogeens de vluchtelingen, een goede vierhonderdduizend in getal, hoofdzakelijk gewezen Hongaarse ambtenaren en hun gezinnen, die vreesden in wat opeens Roemenië en Tsjechoslowakije was niet alleen brodeloos te raken, maar ook de ‘Hongaarse suprematie’ ingepeperd te krijgen en daarom naar Klein-Hongarije waren gevlucht. Zij leefden jarenlang onder de meest primitieve omstandigheden, in goederenwagons op de spoorwegemplacementen rond de hoofdstad of elders en kregen de Hongaarse suprematie zo toch nog ingepeperd.
Na de economische crisis van 1921 deed zich vanaf 1922 in West-Europa weer economische groei voor. In de Verenigde Staten was de hoogconjunctuur nog wat eerder, in 1921, begonnen. Maar net als de andere Centraaleuropese landen haakte Hongarije pas in de tweede helft van de jaren ’20 bij de internationale conjunctuur aan.
De vertraging hing vooral samen met het feit dat het land, dat in de tijd van de Dubbelmonarchie meer dan driekwart van zijn buitenlandse handel tolvrij en zonder valuta-risico’s met Oostenrijk en Tsjechië afgewikkeld had, zijn handel drastisch moest reorganiseren en ook nogeens op zoek moest naar nieuwe leveranciers van grondstoffen, omdat een deel van de vroegere grondstoffenvoorraad buiten de landsgrenzen was geraakt. Een traditioneel sterke industrie als de meelindustrie werd geconfronteerd met belangrijk geringere graanoogsten en met het feit dat de afzetmarkten van weleer nu door tollen werden beschermd. En om nog een ander voorbeeld te noemen: de bedrijven die materiëel produceerden voor de spoorwegen moesten, nu 60 procent van het spoorwegnet opeens aan de andere kant van de landsgrens lag, op zoek naar nieuwe markten. Overcapaciteit werd zodoende kenmerkend voor de situatie in grote delen van de industrie in het begin van de jaren ’20. De produktie van de industrie lang in 1920 op 40 en in 1921 op 50 procent van het vooroorlogse niveau. De minister-presidenten Teleki en Bethlen probeerden de handelsrelaties met de buurlanden wel te verbeteren, maar de herhaalde pogingen van Karel om koning van Hongarije te worden, nog wel met de hulp van invloedrijke kringen in het land zelf, leidde ertoe dat de buurlanden uiteindelijk op die avances niet ingingen. In 1924 begon Bethlen ook onderhandelingen met Moskou over een normalisering van de onderlinge betrekkingen. Protesten uit de ultra-rechtse hoek en van Horthy persoonlijk leidden ertoe dat ook dat initiatief op niets uitliep.
Ook op het gebied van handelsfinanciering en kapitaalverschaffing was er opeens sprake van een totaal nieuwe situatie. De Weense banken, die daarbij traditioneel een belangrijke rol hadden gespeeld, vielen praktisch uit en hetzelfde gold voor Duitsland, dat als kapitaalverschaffer in de jaren voor de eerste wereldoorlog steeds belangrijker was geworden. Het belang van buitenlands kapitaal in de Hongaarse industrie was in de jaren ’20 opvallend minder dan in de jaren voor de eerste wereldoorlog. En de belangrijkste banken, waarvan de aandelen rond de eeuwwisseling voor meer dan de helft in handen van buitenlanders waren, waren nu vrijwel geheel in Hongaars bezit.
In de landbouw was de toestand chaotisch. De produktieomvang van de belangrijkste produkten lag in 1919 en 1920 op een derde tot de helft van het vooroorlogse niveau.
De oplossing van al deze problemen moest min of meer op de rails staan, voor en aleer het land in de internationale conjunctuur kon gaan participeren.
Protectionistische maatregelen compliceerden de situatie nog verder. Zo werd al in 1921 de import van industrieprodukten aan banden gelegd. Ook de landbouw werd door tollen beschermd. Voor een deel hadden die wel een stimulerend effect, maar tegelijkertijd nam daardoor de handel tussen de landen van de gewezen Dubbelmonarchie sterk af, wat voor alle betrokken landen schadelijke effecten had.

De heroriëntatie van de Hongaarse economie kwam wel snel op gang. Van groot belang was in dat verband de inflatie in de jaren na 1921, al had die ook uitgesproken schadelijke effecten. De inflatie was een gevolg van het feit dat de staat bankbiljetten drukte en daarmee de banken omvangrijke kredieten verstrekte. De banken gaven de kredieten door aan de grote industrie en aan grootgrondbezitters. Deze kregen daardoor de beschikking over financieringsmiddelen, die juist door de inflatie die ze veroorzaakten erg voordelig waren. Bovendien verdwenen oude schulden door de inflatie als sneeuw voor de zon. Voor ondernemers werd het zo gemakkelijker om de reorganisatie van hun bedrijven op touw te zetten. De inflatie leidde verder tot een scherpe daling van de reële lonen. De loonkosten van bedrijven daalden daardoor in reële termen, maar daar stond tegenover dat de vraag naar consumptiegoederen smolt.
Verliezers waren de schuldeisers, vooral diegenen die als financiers van aristocraten en andere grootgrondbezitters waren opgetreden en de kleinere spaarders, die hun kapitaaltje op Hongaarse rekeningen hadden staan. Zij waren in een paar jaar tijd alles kwijt.
Maar alles bijelkaar droeg de herverdeling, die het gevolg was van de inflatie, er toch toe bij dat Hongarije in de tweede helft van de jaren ’20 ingesteld raakte op de nieuwe situatie en er ruimte kwam voor vernieuwingen in allerlei sektoren. Het snelst kwam het herstel op gang in de landbouw en de steenkolenmijnbouw. De produktie van de mijnen lag al in 1923 weer op het vooroorlogse niveau.

Buitengewoon belangrijk in verband met de heroriëntatie van de landseconomie was de uitbreiding van de toepassing van electrische energie. In 1929 had Hongarije 9 electriciteitscentrales en een kabelnet van 3.500 kilometer. De toepassing van electriciteit breidde zich ook in de jaren ’30 nog sterk uit. Het ter beschikking komen van electriciteit maakte het onder meer mogelijk om naar verhouding goedkope electro-motoren te installeren, waardoor in de industrie produktieprocessen gemoderniseerd konden worden. Ook kleine bedrijven en ambachtslieden kregen opeens de beschikking over een nieuwe krachtbron.
Internationaal was de periode tussen de twee wereldoorlogen het tijdvak waarin naast de traditionele industrie nieuwe bedrijfstakken naar voren kwamen, zoals de electrotechnische, de chemische en de autoindustrie. Ook in Hongarije deden zich in de industriële sector op bescheiden schaal nieuwe initiatieven voor. Zo startte in 1923 op Csepel de produktie van motorfietsen. De motorenfabriek Ganz kwam in 1925 met een dieselmotor op de markt. Ook de electrotechnische industrie slaagde erin met nieuwe produkten (lampen, radiolampen) te komen. Kenmerkend voor de dynamiek van de electrotechnische en voor de zwakte van de overige industrie is, dat de electrotechnische industrie in 1938 maar liefst 30 procent van de industriële produktie voor haar rekening nam. Een andere dynamische nieuwe bedrijfstak was de chemische industrie. Tot die bedrijfstak behoorden onder meer de Péti Nitrogénművek, die in 1928 in bedrijf kwamen. Deze onderneming was wel in de eerste plaats om militaire redenen opgezet, maar produceerde ook kunstmest.
Een merkwaardig gevolg van het nieuwe isolement en de daarbij behorende tolgrenzen was dat de industrie van consumptiemiddelen snel groeide. Zij kwam ook de crisisjaren goed door. Pas toen de oorlogsconjunctuur op gang kwam, begon deze sector tekenen van stagnatie te vertonen. In deze jaren ging in Hongarije de textielindustrie voor het eerst een rol van betekenis spelen. Alleen al in het drietal jaren van 1920 tot 1922 werden er 22 nieuwe fabrieken gesticht en werden 14 bedrijven flink uitgebreid. Vaak ging het om ondernemingen uit Tsjechoslowakije, die om hun marktaandeel veilig te stellen in Hongarije een dochteronderneming begonnen. De groei van deze sector zette zich ook in de tweede helft van de jaren ’20 en in de jaren ’30 door. Het aantal arbeiders in de textiel steeg van 13.000 vlak na de oorlog tot 64.000 in 1938.
Ook de papierindustrie vertoonde een paddestoelachtige groei. In het begin van de jaren ’20 lag de produktie van deze sector nog bij de 2.000 ton. Aan het eind van dat decennium was dat 34.000 ton en in 1938 was de capaciteit in deze sektor opgelopen tot 90.000 ton.
Het wegvallen van exportmarkten leidde tot grote moeilijkheden in de levensmiddelenindustrie, die met haar hoofdprodukten meel, suiker, alcohol en bier sterk van de uitvoer afhankelijk was. Ondanks heel wat bedrijfssluitingen bleef er in de meelsector een grote overcapaciteit. Daar stond tegenover dat de produktie van conserven, een nieuwe tak van bedrijf, wel sterk groeide.
De bouwsector viel na de eerste wereldoorlog sterk terug. In Boedapest kwamen in de jaren ’20 half zoveel woonvertrekken gereed als in de vooroorlogse jaren. Pas na de crisis, vanaf 1933 ging deze sector weer groei vertonen.
In 1925 begon ook de exploitatie van de bauxietmijnen. Aan de ontwikkeling van de Hongaarse economie droeg dit echter weinig bij. Pas in 1934 kreeg het land een eigen aluminium-fabriek. Deze fabriek verwerkte echter niet meer dan 10 procent van de bauxiet-produktie. In 1937 kwam verder de winnning van aardolie van de grond.
Een enorm probleem voor de Hongaarse economie was uiteraard dat na de oorlog traditionele afzetmarkten wegvielen. Voor de eerste wereldoorlog wikkelde het land 70 procent van zijn buitenlandse handel af met Oostenrijk en Tsjechië. In 1929 was het aandeel van de landen die deel hadden uitgemaakt van de monarchie tot zo’n 50 procent teruggelopen. Onder invloed van de toeneming van de handel met Duitsland viel dit percentage verder terug naar 25 in 1938.
De industriële produktie als geheel bereikte het vooroorlogse peil in 1927.
Hoewel zich dus in de Hongaarse industrie veranderingen voltrokken die vergelijkbaar waren met vernieuwingen elders in Europa presteerde de Hongaarse industrie als geheel toch naar verhouding zwak. In de jaren van 1913 tot 1938 groeide de industriële produktie in Hongarije met 28 procent. In oude industrielanden als Engeland en Duitsland lag dit percentage op resp. 44 en 49. In landen als Zweden, Nederland en Denemarken, waar de industrialisatie juist in deze periode snel voortschreed, lag het percentage boven de 100. In Europa presteerden alleen Oostenrijk, Spanje en Polen nog slechter. De werkloosheid in de steden bleef in de jaren ’20 danook hoog. Opmerkelijk is verder dat het aandeel van de landbouw in het nationaal inkomen met maar liefst 58 procent op hetzelfde peil lag als in de jaren voor de eerste wereldoorlog. Een andere aanwijzing voor het trage tempo van de heroriëntatie is het grote aantal eenmansbedrijven: geschoolde arbeiders, die zonder werk waren geraakt, zagen zich gedwongen als zelfstandige aan de slag te gaan.

De landbouw profiteerde van de gunstige prijzen op de wereldmarkt in de eerste helft van de jaren ’20. In de landbouw was er in die jaren ook sprake van een zekere modernisering. Zo steeg het aantal traktoren van 1183 in 1925 tot 6000 in 1928. Ook het gebruik van kunstmest nam snel toe. Bij belangrijke produkten als tarwe, gerst, suikerbieten en aardappels waren de oogsten in de tweede helft van de jaren ’20 ook belangrijk beter dan in de eerste helft van dat decennium. Omdat de uitvoer van vee en vlees door tollen werd beperkt, was er in de veehouderij wel sprake van stagnatie en zelfs achteruitgang. De grootgrondbezittersbedrijven concentreerden zich om die reden liever op de traditionele landbouwprodukten. De landbouwsektor slaagde er niet in om nieuwe afzetmarkten te vinden. De export bleef hoofdzakelijk op Oostenrijk en Tsjechoslowakije gericht.
De graanconjunctuur die op de oorlogsjaren volgde, duurde tot 1925. Daarna begonnen de graanprijzen te dalen. In de jaren ’30 vielen de graanprijzen verder terug. Juist omdat de landbouwsector er niet in geslaagd was het aandeel van de granen in het produktiepakket terug te dringen en omdat de produktiviteit in de tarweteelt sinds het eind van de 19de eeuw nauwelijks was gestegen (vergeleken met de jaren 1909-1913 lag de tarweproduktie in Hongarije in 1929-1933 6,5 procent hoger. Voor Italië lag dat percentage op 37. Maar ook vergeleken met landen als Polen en Roemenië was de Hongaarse graansector zwak), kwam de crisis naar verhouding hard aan. Een belangrijke oorzaak van de slechte performance van de Hongaarse landbouw was het feit, dat de veeteelt een veel minder belangrijke rol speelde dan elders (het aantal runderen per 100 km2 lag in 1935 in Duitsland 170 procent, in Oostenrijk 113 procent, in Tsjechoslowakije 103 procent en in Polen 57 procent hoger dan in Hongarije. Mede onder invloed van de graancrisis raakte de Hongaarse landbouw op dood spoor: in het begin van de jaren ’30 lag de winst van middelgrote en grote boerenbedrijven onder het niveau van de bankrente (4 á 5 procent).
De levensomstandigheden van veel plattelandsbewoners waren slecht. Het moeilijkst was de positie van de mensen die als knechts op bedrijven van grondbezitters werkten. Ze hadden dan wel een vaste betrekking, maar daar stond tegenover dat ze vaak met hun gezin van de vroege ochtend tot de late avond in touw waren. Deze groep bestond in 1930 uit 220.000 gezinnen. Weinig beter stonden de mensen ervoor die op dagloonbasis op de landbouwbedrijven werkten. Zij hadden in het algemeen slechts gedurende de helft van het jaar werk. Deze groep bestond uit maar liefst 560.000 gezinnen. In de tweede helft van de 19de eeuw was er voor vele tienduizenden mensen min of meer geregeld werk geweest bij de regularisatie van de Tisza. Op het eind van de 19de eeuw was dit werk echter in grote lijnen afgerond. Een ander belangrijk feit was, dat de migratie naar Amerika, die aan het begin van de eeuw een massaal karakter had gehad, door beperkende maatregelen van dat land vrijwel tot stilstand was gekomen.
Wat gunstiger was het beeld alleen in de z.g. boerensteden (o.a. Kecskemét, Szeged, Debrecen). Daar speelde het grootgrondbezit geen grote rol. Er leefden vooral privé-boeren die zich in intensieve vormen van landbouw zoals de wijnbouw, de fruitteelt en de groenteteelt, hadden gespecialiseerd.
Het nieuwe Hongarije was een land van negen miljoen inwoners, waarvan er, zoals in die tijd werd gezegd, drie miljoen bedelaars waren. De migratie van het platteland naar de stad en in het bijzonder naar Boedapest bleef danook aanhouden. Alleen al in de jaren ’20 vertrokken maar liefst 260 000 dorpsbewoners naar de stad. Verreweg de meesten van hen kwamen in de buitenwijken van de hoofdstad terecht. Rond 1940 woonde maar liefst 18 procent van de landsbevolking in de agglomeratie Boedapest. Ambachtslui die op het platteland bleven, kochten een stukje grond of pachtten een wijngaard om zo een aanvullend inkomen te verwerven en boeren legden zich ’s winters toe op het vervaardigen van ambachtelijke produkten. Vaak gingen ze zelf ook met hun waren op pad. Tekenend voor de armoe op het platteland in deze periode is het grote aantal mensen dat als reizende handelaar of marskramer aan de kost probeerde te komen. Kleine boeren (minder dan 5 hold) hadden in deze periode de grootste moeite om de belasting te voldoen. Velen waren gedwongen om hypotheken af te sluiten en in de jaren ’30 raakten duizenden boeren hun stukje land kwijt.
Een gevolg van de geringe opnamecapaciteit van de industrie was dat het aandeel van de landbouw in de beroepsbevolking ondanks de ellende op het platteland in de periode tussen de twee wereldoorlogen boven de 50 procent bleef en amper daalde. Als we naar de gehele bevolking kijken, is het beeld hetzelfde. Tussen 1910 en 1941 nam het aandeel van de dorpsbevolking in de totale bevolking maar met een paar procent af, van 65,8 naar 61,7 procent namelijk. Het aandeel van de bevolking van Boedapest steeg van 14,6 naar 18,4 procent en het aandeel van de overige steden in de totale bevolking kroop van 19,6 naar 19,9 procent.

Hongaarse historici zijn veelal van mening dat al deze gegevens een beeld opleveren dat specifiek is voor Hongarije. In dit land zou, zo betogen zij, de industrialisatie in de decennia voor het uitbreken van de eerste wereldoorlog laat op gang zijn gekomen en niet geleid hebben tot een verburgerlijking van de Hongaarse samenleving. In de jaren tussen de twee wereldoorlogen zou deze situatie niet wezenlijk veranderd zijn. Als gevolg daarvan zou de Hongaarse samenleving de bij het kapitalisme behorende normen en waarden niet hebben overgenomen, zou adellijke of anderszins echt-Hongaarse afkomst meer status hebben gegeven dan inkomen of vermogen, zouden de nieuwe klassen, de bourgeoisie en het proletariaat gezien zijn als vreemd aan Hongarije en zouden er naast elkaar twee Hongarijes hebben bestaan: de oude adellijke en de nieuwe burgerlijke samenleving.
Eén van de eersten die deze gedachtengang naar voren bracht, was Oszkár Jászi. Volgens hem was er in Hongarije sprake van een ‘schijnkapitalisme’’, waarin het joodse kapitaal de belangen diende van de grootgrondbezitters, die in Hongarije de dienst bleven uitmaken, en zo het ontstaan van een moderne industriële samenleving blokkeerden. Het bondgenootschap van joodse bankiers en Hongaarse grootgrondbezitters was niet geďnteresseerd in het opbouwen van een zelfstandig Hongarije, maar had alle belang bij het voortbestaan van de Dubbelmonarchie. De echte tegenstelling in Hongarije was, aldus Jászi in 1906, de ‘radicale bourgeoisie en de socialistische arbeiders’aan de ene en het ‘agrarische feudalisme en het clericalisme’ aan de andere kant, of, bij een andere gelegenheid: ‘of feodale reactie in bondgenootschap met de plutocratie of socialisme’. Ook in de sociaal-democratie was deze opvatting vrij algemeen aanvaard. Zo betoogde de sociaaldemocratische leider Illés Mónus in 1929 in een terugblik, dat aan het begin van de eeuw tegenover elkaar hadden gestaan het feudalisme aan de ene kant en aan de andere kant de ‘omhoog strevende bourgeoisie, de revolutionaire boeren en aan het hoofd van de politieke beweging de vooruitstrevende industrie-arbeiders’.
Maar hoewel Jászi dus dacht een bijzonderheid van de ontwikkeling in Hongarije op het spoor te zijn, was zijn gedachtengang niet meer dan de lokale variant van een opvatting die ook elders in Europa aan de vooravond van de eerste wereldoorlog in sociaal-democratische en radicale kring aanhang vond en die erop neerkwam dat feodale krachten nog altijd een heersende rol speelden. In Duitsland was het niemand minder dan Karl Kautsky, die deze gedachtengang vertegenwoordigde.
Net als Hongarije kenden de meeste landen in Europa een elite, die uit de liberale tijd was voortgekomen en die niet bereid was om de krachten, die zich beschouwden als vertegenwoordigers van de nieuwe, 20ste-eeuwse samenleving, toe te laten tot de politieke macht.

Consolidatie

Direct na de val van de radenrepubliek dienden met Habsburg verbonden politici zich aan als ’s lands nieuwe machthebbers. Omdat de mogendheden van de Entente juist besloten hadden tot de opdeling van het Habsburgse Rijk in een reeks zelfstandige staten, was een regering van openlijke legitimisten niet aanvaardbaar. In die omstandigheden kwam Horthy opeens in de belangstelling te staan van de diplomatie van de Entente. Horthy en Bethlen waren geen tegenstanders van Habsburg, maar anders dan de legitimisten waren ze wel bereid om met de overwinnaars in de oorlog tot een akkoord te komen. In het compromis, waaraan Bethlen uiteindelijk zijn zegen gaf, bleef Hongarije een koninkrijk, maar dan voorlopig zonder vorst, werd Horthy als regent de vertegenwoordiger van de lege troon en kwamen de touwtjes van het landsbestuur in handen van Bethlen, al bleef hij, mogelijk om te voorkomen dat hij zelf de Hongaarse handtekening onder het vredesverdrag zou moeten zetten, voorlopig op de achtergrond.
Dat Hongarije een koninkrijk bleef, was geen formele kwestie. Het betekende dat Hongarije het recht kreeg om Trianon als een tijdelijke oplossing te beschouwen en dat het land mettertijd weer een echt koninkrijk zou kunnen worden. Het compromis bood Bethlen verder de kans om de monarchisten binnen de boot te houden. De monarchisten waren overigens in twee kampen verdeeld. Naast de pro-Habsburgers waren er die vonden dat het huis van Habsburg zijn tijd had gehad en dat het land op den duur naar een vorst uit een ander huis moest omkijken. Die laatsten voelden zich de nazaten van de onafhankelijkheidsbeweging uit de tweede helft van de 19de eeuw, die, ook al had ze onbetwistbaar de meerderheid van de Hongaarse bevolking achter zich gehad, door Frans-Jozef hardhandig was onderdrukt en vervolgens konsekwent buiten de macht was gehouden.
Wat er in de onderhandelingen precies voor afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de positie van Habsburg, is niet duidelijk. Mogelijk waren daar binnen de Entente ook meningsverschillen over. Gezien de herhaalde pogingen van Karel om de Hongaarse troon te bestijgen en gelet op de houding van Teleki, een man uit de onmiddellijke omgeving van Bethlen lijkt het waarschijnlijk dat in die onderhandelingen restauratie van het huis van Habsburg te eniger tijd niet was uitgesloten. Voor Bethlen was in ieder geval niet de restauratie van de Habsburgers, maar de revisie van Trianon het belangrijkste politieke doel en, ervan overtuigd dat het herstel van Hongarije binnen de vooroorlogse landsgrenzen vroeg of laat actueel zou worden, ontwikkelde hij een beleid dat erop gericht was het land daarop voor te bereiden.
De hoogste prioriteit had wat dat betreft voor hem het verschaffen van prestige en stabiliteit aan zijn regiem. Zijn optreden was erop gericht alle politieke krachten, hoe groot de onderlinge verschillen of tegenstellingen ook waren, ertoe te dwingen zich achter zijn regiem te scharen, zo mogelijk in één politieke partij en degenen die van zo’n godsvrede niet horen wilden, uit de politieke arena te verbannen. In eigen land erkend en zonodig gevreesd zou zijn regiem ook internationaal weer een rol kunnen spelen.

Een eerste stap was het aan banden leggen van de militante nationalistische bewegingen, die onmiddellijk na de val van de radenrepubliek in actie waren gekomen. Het ging daarbij met name om de privé-legertjes van officieren uit het oude keizerlijke en koninklijke leger en om de vereniging van Ébredő Magyarok, oftewel Ontwakende Hongaren en de figuur van Gyula Gömbös, die in legerkring heel wat aanhang had en die bijna net zo’n handige samenzweerder was als Bethlen zelf. Bethlen gebruikte ze eerst om zijn positie te consolideren, maar omdat hun eigenzinnigheid op termijn een bedreiging vormde, drukte hij ze later de kop in of zette hij ze op een zijspoor. Zo wist hij met behulp van de commando’s af te dwingen dat er in het gebied rond Sopron een volksstemming werd gehouden, die mede dankzij de aanwezigheid van de militairen een meerderheid opleverde voor aansluiting bij Hongarije. De druk die er van de militante bewegingen uitging, leidde er verder toe dat de Engelsen plannen om ook sociaal-democraten in de regering te betrekken, moesten opgeven.
Maar toen het vredesverdrag eenmaal een feit was, werden de commando’s opgeheven en kreeg ook de vereniging van Ontwakende Hongaren een verbod aan zijn broek. Effectuering van die maatregelen, genomen door de in de zomer van 1920 aangetreden regering Teleki, had de nodige voeten in de aarde, maar in 1921 was het met de commando’s toch gedaan. Zo kwam er een eind aan de terreur, die direct na de nederlaag van de radenrepubliek op gang was gekomen en in het kader waaraan 70.000 personen in gevangenissen of interneringskampen waren vastgezet en 5000 personen waren omgebracht.
Gömbös, die in 1919 een van de belangrijkste medewerkers van Bethlen was geweest, bleef voorlopig ongemoeid en kreeg nog een aandeel in het verijdelen van de tweede poging van Karel om de troon te bestijgen. De afloop van de Karel-affaire verloste Bethlen van de legitimistische oppositie, die bij de normalisatie van de betrekkingen met de mogendheden van de Entente een sta-in-de-weg was. Onderdeel van de normalisatie was verder de gevangenenruil met Sowjet-Rusland, die ook nog onder Teleki tot stand kwam.
Bethlen, die in 1921 het minister-presidentschap van Teleki overnam, plaatste in de voorbereiding van de verkiezingen van mei/juni 1922 de communistische partij buiten de wet. In 1920 was de communist Oszkár Lévai al wegens illegale activiteiten geëxecuteerd en in datzelfde jaar waren in het zogenaamde proces tegen de volkscommissarissen vier doodvonnissen en zes veroordelingen tot levenslange gevangenstraf gevallen (een deel van de veroordeelden zou in ruil voor Hongaarse krijgsgevangenen later aan de Sowjet-Unie worden overgedragen). In 1921 werd het verbod van de communistische partij in de wet vastgelegd.
Bethlen dwong verder de boerenpartij, de Kisgazdapárt, die bij de verkiezingen van 1920 erg succesvol was geweest en die als belangrijkste agendapunt de hervorming van de eigendomsverhodingen op het platteland had, tot een fusie met zijn Eenheidspartij. Als tegenprestatie kreeg Nagyatádi, de leider van de Kisgazdapárt de gelegenheid om als minister in 1920 een landhervormingswetje in te dienen. In het kader daarvan werd 700 000 ‘hold’ (een hold is een halve hektare) grond onder 400 000 landarbeiders werd verdeeld. Daarnaast kregen nogeens 260 000 landarbeiders een bouwperceel. De grondhervorming was minder dan de schaduw van wat de Kisgazdapárt zelf had gewild en werd ook nogeens uitgesmeerd over een aantal jaren. In totaal veranderde maar 8 procent van het grondgebied van het land van eigenaar. Aan de sociale verhoudingen op het platteland deed de wet dus niets. Integendeel, de kleine stukjes grond bonden honderdduizenden mensen aan het platteland. Zij bleven dus als goedkope arbeidskrachten voor de grootgrondbezitters beschikbaar. Hetzelfde gold voor de nieuw ontstane minibedrijfjes, die naar weldra bleek, niet levensvatbaar waren. Anders dan andere Middeneuropese landen kende Hongarije in de jaren ’20 geen boerenpartij.
Inziend dat hij om buitenlandspolitieke redenen (speciaal richting Londen) een sociaal-democratische partij moest tolereren, bood Bethlen de sociaal-democraten amnestie op voorwaarde dat zij zich jegens het nieuwe regiem loyaal zouden opstellen. De sociaal-democraten moesten beloven af te zien van politieke stakingen, ze moesten breken met de liberale oppositie en met de sociaaldemocratische leiders die in ballingschap waren gegaan, ze moesten zich onthouden van propaganda voor de republiek, ze moesten afzien van het organiseren van arbeiders bij de posterijen, de spoorwegen en de overheid, ze moesten hun activiteiten onder de landarbeiders op een laag pitje zetten en, wat misschien het belangrijkste was, ze moesten hun internationale contacten gebruiken om in samenwerking met het ministerie van buitenlandse zaken bij te dragen aan de verbetering van de naam van Hongarije in het buitenland. Hevig becritiseerd door de buiten spel gezette sociaaldemocratische leiders ging de gekortwiekte sociaal-democratische partij zo in de praktijk deel uitmaken van de coalitie, die Bethlen aan de macht hield.
Opvallend was verder dat de katholieke Néppárt, de Hongaarse variant van de christelijk-sociale stroming, die in de jaren ’90 een belangrijke oppositiepartij was geweest en die ook nog in de oorlogsjaren hoog van de toren had geblazen, niet meer tot leven kwam. Ottokár Prohászka bezegelde de opheffing van zijn partij door het voorzitterschap van Bethlens Eenheidspartij te aanvaarden.
Gyula Gömbös kreeg tot taak de verkiezingscampagne voor de Eenheidspartij te organiseren. Behalve in Boedapest en omgeving waren de verkiezingen sinds 1922 weer openbaar, iets wat in het interbellum alleen nog in Hongarije voorkwam. In de praktijk betekende dit dat maar liefst 199 van de 245 parlementsleden via openbare verkiezingen werd gekozen. Bovendien beperkte een besluit uit 1922 het aantal kiezers: de leeftijdsgrens voor vrouwen werd op 30 jaar gesteld en wie korter dan 10 jaar Hongaars staatsburger was, werd uitgesloten. Kiezers moesten verder de eerste vier klassen van de lagere school doorlopen hebben.
Uiteraard bood dit systeem ongekende mogelijkheden om de verkiezingen te manipuleren.
De verkiezingen leverden Bethlens Egységes Párt danook een absolute meerderheid op in het parlement. Maar ondanks de door Gömbös georganiseerde terreur bleek de aanhang van de sociaal-democraten en de liberale oppositie nog altijd groot. In Boedapest behaalden sociaal-democraten en liberalen samen maar liefst tweederde van de stemmen. De verkiezingen leverden de liberalen 14 en de sociaal-democraten 24 zetels in het parlement op.
Na de verkiezingsoverwinning van 1922 besloot Bethlen, ongetwijfeld uit internationaal-politieke overwegingen, tot een aanpassing van het kiesstelsel. De kieswet van 1925 die daar het resultaat van was, bracht wel een sterke stijging van het aantal kiezers, maar was nog altijd niet gebaseerd op het algemeen kiesrecht en liet bovendien het corrupte districtenstelsel onaangetast. Bij de verkiezingen in 1926 boekte Bethlens Eenheidspartij overwinningen in 170 van de 210 districten en kreeg zo opnieuw een absolute meerderheid in het parlement. De sociaaldemocraten vielen terug naar 14 zetels.

Het antisemitisme dat zich direct na de val van de radenrepubliek zo kracht- en zelfs gewelddadig manifesteerde, was nuttig voor het nieuwe regiem voorzover het de stedelijke intelligentsia en de partijen die uit de vooroorlogse vernieuwingsbeweging waren voortgekomen, de sociaal-democratie en de links-liberale groeperingen, politiek in de periferie drong, maar schadelijk als het erom ging internationaal weer prestige te verwerven. Bethlen deed danook pogingen om het antisemitisme in banen te leiden en onder controle te krijgen. Daarom combineerde hij het verbod van de antisemitische organisaties met de numerus-claususwet die tegen de joodse intelligentsia gericht was. Maar maatregelen tegen het antisemitisme waren politiek nog zo riskant, dat Bethlen geen verdere stappen ondernam. Daartoe zou het pas in 1926 komen.

’Christelijk-nationaal’ was de formule die voor de politieke lijn van Bethlen in gebruik kwam. De formule stond om te beginnen voor het afscheid van de Dubbelmonarchie. Dit betekende dat er een einde kwam aan de tegenstelling tussen de zogenaamde 67-ers, de voorstanders van die constructie, en de 48-ers, voorstanders van de onafhankelijkheid van Hongarije. Hoewel die tegenstelling in de vooroorlogse jaren op de achtergrond was geraakt, had Tisza de 48-ers tot op het laatst zorgvuldig buiten de macht gehouden. Nu werden ze eindelijk salonfähig, wat belangrijk was omdat Bethlen in de nieuwe omstandigheden de steun van deze stroming, onder andere georganiseerd in de hervormde kerk en vooral buiten de hoofdstad nog altijd belangrijk, als tegenwicht tegen het linkse Boedapest goed kon gebruiken. De hervormde kerk had in het verlorengegane Zevenburgen een belangrijke basis gehad. Dat bracht met zich mee, dat deze stroming er sterk voor geporteerd was om, net als Bethlen, die trouwens ook uit Zevenburgen afkomstig was, de revisie hoog op de agenda te plaatsen. Het regiem deed ook in de praktijk pogingen om deze stroming aan zich te binden. Horthy hielp een handje met de oprichting in 1920 van een nieuwe orde. De ‘Helden orde’ moest een nieuwe adelstand creëren die trouw was aan het regiem.
In die zin was er dus sprake van een breuk met de politiek uit de tijd van Tisza, maar de nieuwe formule stond tegelijk voor de voortzetting van de machtspolitiek van de man die Hongarije in de oorlog had gevoerd. Ze bevatte een verwijzing naar St. Stefanus, die in het begin van de 11de eeuw het Karpatenbekken gekerstend had en zo een ‘christelijk’ koninkrijk had gesticht dat het gehele gebied omvatte. Hongarije moest, dat was de strekking van de formule, niet alleen zodanig groeien dat de Hongaarstalige minderheden aan gene zijde van de grenzen weer Hongaarse staatsburgers zouden worden, maar het land moest bovendien een dominante positie gaan innemen in het gebied. De toon werd al in 1921 gezet met de oprichting van een beeldengroep op het deftige Szabadság tér, die de ‘geamputeerde’ landsdelen symboliseerde (de beeldengroep zou na de volgende oorlog verwijderd worden).
De formule bevatte ook een boodschap voor de joden. Als niet-christenen waren ze wel staatsburgers, maar ze dienden af te zien van de politieke macht. Deze mededeling was ook bestemd voor de joodse elite. Tisza was in de slotfase van zijn bewind steeds sterker op deze kringen gaan steunen en had er ook ministers uit gerecruteerd. In het naoorlogse Hongarije moesten deze families weer genoegen nemen met een positie op de tweede rang. Het was wel de bedoeling dat deze kringen hun contacten zouden gebruiken om Hongarije internationaal weer een positie te geven, maar niet dat zij rechtstreekse invloed zouden uitoefenen op het landsbestuur. Maar de strekking van christelijk-nationaal was in dit verband toch vooral dat de joodse intelligentsia en daarmee de vooroorlogse avantgarde tot buitenstaander werd verklaard.
Maar met de nieuwe leus trok Bethlen ook een grens tussen zijn beleid en het naoorlogse antisemitisme. Joden moesten zich dan wel verre houden van de politiek, maar ze hoorden wel bij Hongarije.
Christelijk-nationaal was ook een formule voor het afscheid van het ‘liberalisme’. Maar net als ‘christelijk-nationaal’ was ‘liberalisme’ in het Hongarije van het interbellum een codewoord. Het sloeg niet op het liberalisme dat in de tweede helft van de 19de eeuw zijn bloeiperiode had beleefd. Dat liberalisme was immers allang gestorven en begraven. Ook als politieke richting was het in de grote politieke crisis van 1907 en volgende jaren ten onder gegaan. De term had ook geen betrekking op het regiem van István Tisza. Bethlen c.s. zagen zich immers juist met betrekking tot de kern van diens politiek, Hongarije tot een dominante macht maken in Midden-Europa, als Tisza’s erfgenamen. Liberalisme was het codewoord voor de vooroorlogse avantgarde. De historicus Gyula Szekfű, een van de ideologen van het nieuwe regiem, had de term liberalisme deze inhoud gegeven. Voor hem was met het 19de-eeuwse liberalisme een periode van neergang begonnen en van teloorgang van nationale waarden. De vernieuwingspogingen uit het begin van de eeuw, waren wat hem betreft niet een nieuw begin, maar een volgende etappe in de neergang en met de volksrepubliek van Mihály Károlyi en de radenrepubliek van Béla Kun was in de naoorlogse jaren het dieptepunt bereikt. Het nieuwe regiem moest wat hem betreft over al deze zwarte bladzijden heen weer teruggrijpen op de romantiek en met name op de figuur van István Széchenyi, voor wie de wederopbouw van de Hongaarse natie het centrale thema was geweest. die van mening was geweest dat culturele verheffing en modernisering van het land een voorwaarde was voor het herstel van de natie en die daar in zijn tijd ook veel aan had gedaan.
Szekfű’s kijk op het Hongaarse verleden had vanzelf ook een antisemitische strekking. Wat immers voor de Hongaarse natie een periode van neergang was geweest, was voor de joodse bevolkingsgroep de tijd van de ‘assimilatie’ geworden, de periode waarin ze haar plek vond in de Hongaarse samenleving en waarin joden in het economisch leven en later ook in de intellectuele wereld een belangrijke rol konden gaan spelen.
Maar Szekfű’s analyse had ook een constructieve kant. Het was een oproep om net als Széchenyi gedaan had, de wederopbouw van de Hongaarse natie ter hand te nemen en aan de christelijk-nationale koers inhoud te geven.
Zoals Széchenyi in zijn tijd had betoogd dat het herstel moest beginnen met de culturele verheffing en modernisering van zijn land en dat pas daarna de verwerving van de nationale onafhankelijkheid aan de orde kon komen, zo zagen Szekfű en mensen als de aardrijkskundeprofessor Pál Teleki en Kunó von Klebelsberg de verhoging van het culturele peil van de natie als een voorwaarde voor de revisie. Hongarije was dan wel vergeleken met de andere uit de Dubbelmonarchie voortgekomen landen cultureel superieur, maar het was wel nodig om die superioriteit verder uit te bouwen en er bredere lagen van de bevolking in te betrekken, ook al omdat die lagen, anders dan de internationaal georiënteerde joden die zo’n belangrijke rol speelden in het culturele leven, nationaal dachten.
In de praktijk was het met name Von Klebelsberg die een en ander probeerde uit te werken in een hervorming en modernisering van het onderwijs. Dankzij dit programma zou in deze periode een veel groter aantal kinderen dan vroeger met lager onderwijs in aanraking komen. Het analfabetisme liep daardoor flink terug. In 1930 was 15 procent van de bevolking analfabeet tegen 30 in de jaren voor de eerste wereldoorlog. Van de werknemers in de industrie, de handel en het verkeer was voor de oorlog een derde tot de helft analfabeet geweest. Dit aandeel daalde tot een paar procent in 1930. In 1924 begon de hervorming van het middelbaar onderwijs. In de jaren van 1926 tot 1930 werden er in het land 3500 leslokalen en 1500 woningen voor leerkrachten gebouwd. Klebelsberg stichtte verder enkele nieuwe hogescholen en universiteiten en voerde een systeem van onderwijsbeurzen in.
De school moest de jonge Hongaren niet alleen allerlei kennis bijbrengen, maar ze ook opvoeden tot Hongaren en ze inprenten dat het herstel van het koninkrijk binnen de vooroorlogse grenzen het gebod van het uur was. Op dit punt konden de kerken belangrijke hand- en spandiensten verlenen. Kenmerkend voor de nieuwe koers is, dat de banden tussen kerk en staat weer werden aangehaald. Al op 10 augustus 1919, enkele dagen dus na de val van de radenrepubliek, was bij ministeriëel besluit op school het godsdienstonderwijs weer verplicht gesteld. En een ministeriëel besluit uit 1920 schreef de invoering op school voor van het ‘nationale gebed’, het zogenaamde Hongaarse Onzevader, waarin onder andere de formule voorkomt: ‘ik geloof in de wederopstanding van Hongarije’. Klebelsberg stond op het standpunt dat met name voor de katholieke kerk in de ‘geestelijke reconstructie’ van het land een bijzondere rol was weggelegd.
Met zijn hervormingspogingen kon Klebelsberg aanhaken bij bepaalde stromingen in het culturele leven die zich tegen de vooroorlogse avantgarde keerden. Zo was er ook in Hongarije in de jaren ’20 belangstelling voor een vernieuwd classicisme en in de literatuur ontwikkelde zich een nieuw realisme. Hoewel de consolidatie in politieke zin vastliep op de crisis van het begin van de jaren ’30, zette deze culturele consolidatie zich in feite door. Ook de sociografieën uit die tijd waren immers realistische werken en mensen als László Németh waagden zich aan het schrijven van classicistische romans. In de schilderkunst werd werken in de stijl van de school van Nagybánya populair. Ook schilders als Róbert Berény en Ödön Márffy, die voor de oorlog prachtig avantgardistisch werk hadden gemaakt, bekeerden zich daartoe.
In het nieuwe, volkse nationalisme zag Klebelsberg een gevaar voor zijn programma van culturele opbouw. Hongarije kon het zich, vond hij, niet permitteren de in etnische zin niet-Hongaren uit de vaderlandse geschiedenis te schrappen. Klebelsberg wist waar hij het over had. Zelf had hij immers al evenmin een erg Hongaars klinkende naam. En ongetwijfeld was hem ook ter ore gekomen dat Horthy aanvankelijk van mening was geweest dat iemand met zo’n naam moeilijk een echte Hongaar kon zijn.
Hoewel Klebelsberg dus vond dat ook niet-Hongaarse Hongaren bij Hongarije hoorden, zag hij in de joodse bevolking wel een gevaar voor de natie. Zo’n gevaar vormden volgens hem niet alleen die orthodoxe joden, die niet bereid of in staat waren te assimileren, maar ook de modern denkende, ‘kosmopolitische’ joden.
Anders dan de voorstanders van de numerus-claususwet vond hij dat de natie zich tegen het joodse gevaar niet moest verweren met maatregelen die de joodse Hongaren in hun burgerrechten aantastten, maar met constructief beleid. Daarbij dacht hij met name aan de verbetering van het volksonderwijs. Klebelsberg kreeg als minister de pijnlijke opdracht om het bij de Volkenbond voor de wet op te nemen, maar hij werd ook de minister die de wet wijzigde.
István Tisza was in zijn tijd niet veel verder gekomen dan een onbeholpen sociaaldarwinistische verwijzing naar het recht van de sterkste, als hij eens een rechtvaardiging voor zijn machtspolitiek wilde geven. De naoorlogse elite kon het bij beweringen van een dergelijk kaliber niet laten, omdat het recht van de sterkste, als het bestond, nu het recht was van de mogendheden van de Entente om het land hun wil op te leggen. Dit is er de reden van dat Klebelsberg zo sterk de nadruk legde op de ‘culturele superioriteit’ van de Hongaren, die als ze nog niet bestond in ieder geval zo snel mogelijk tot stand gebracht moest worden. De gedachtengang van Klebelsberg, die trouwens als twee druppels water leek op die van van de z.g. ethische koloniale politiek in ons land, kwam erop neer dat Hongarije in het Karpatenbekken beschavingsarbeid had te verrichten en dat het om die reden nodig was de hegemonie van Hongarije weer over de verlorengegane gebieden uit te breiden. Maar vertegenwoordigers van de naoorlogse elite waren wel van mening dat de Hongaarse hegemonie een humaner gezicht moest krijgen. Zo pleitten Pál Teleki en Gyula Szekfű ervoor om gebieden waar andere nationaliteiten in de meerderheid waren, interne autonomie te geven. Het aanstaande geachte Super-Hongarije moest voor de niet-Hongaren acceptabel gemaakt worden. En in afwachting van de komst ervan probeerde Teleki de Hongaren tot wat meer ‘geduld’ en ‘vaderlijke liefde’ te bewegen. Maar toen het eenmaal zover was, kwam er van die humane ideeën niet veel terecht. Zo moest Teleki in de zomer van 1940 een wetsvoorstel, dat de autonomie van de Karpaten-Oekraďne had moeten regelen, onder druk van de legerleiding van tafel halen. Het regiem voelde er al helemaal niet voor om de collectieve rechten van de nationale minderheden, vastgelegd in het verdrag van Trianon, te respecteren. Ook al vormden Slowaken, Roemenen, Kroaten en Serven samen niet meer dan 2,4 procent van de bevolking, toch kon een tolerante minderhedenpolitiek niet lijden. Al in 1922 werd het ministerie voor de minderheden opgeheven. Het minderhedenbeleid werd de verantwoordelijkheid van regeringscommissarissen, die uitdrukkelijk tot taak hadden de verhongaarsing van de onder hen ressorterende minderheden te bevorderen. Politieke partijen van de minderheden verdwenen van het toneel, de oprichting van een onafhankelijke Slowaakse organisatie werd door de regering en de plaatselijke autoriteiten in Békéscsaba eendrachtig voorkomen. Het onderwijs in de eigen taal werd zoveel mogelijk beperkt tot een paar verloren uurtjes in de week. Uiteraard hadden dit soort dwangmaatregelen niet het effect, dat het officiëel mee beoogd werd. Het was eerder zo dat de minderheden zo hun etnische tweederangsheid ingewreven kregen.
Voor het nut van een nieuw Groot-Hongarije had de regering-Bethlen ook een internationaal-politiek argument. Omringd door grote mogendheden zouden de kleine landen in Midden-Europa, die na de oorlog waren ontstaan, hun onafhankelijkheid alleen kunnen handhaven als ze zich aaneensloten. In deze lijn formuleerde István Bethlen in 1939 nogeens een plan voor een Middeneuropese federatie, waarin behalve Hongarije een autonoom Zevenburgen en verder Roemenië en Polen zouden moeten deelnemen.

Etnisch nationalisme 1: de ‘rasbeschermers’

Na de oorlog verscheen een stroming op het toneel, die het nationalisme uit de Tisza-tijd een nieuwe inhoud wilde geven. Woordvoerders ervan waren mensen die, vaak nog op het platteland opgegroeid, in de oorlogsjaren hun weg naar de stad hadden gevonden. Zij constateerden dat Tisza voor zijn politiek eenzijdig had gesteund op de traditionele elite en zij vonden dat na het falen van die politiek het moment was gekomen voor een politieke en maatschappelijke doorbraak van die lagen van de bevolking die Tisza in zijn tijd hardnekkig buiten de macht had gehouden. Zij keken daarbij met name naar de provincie, naar de bovenlaag die de provinciebesturen en de andere instituties van het lokale bestuursapparaat in handen had, maar ook naar het volk daarachter, naar de honderdduizenden kleine en landloze boeren.
De aardverschuiving die zij in gedachten hadden, zou het herstel van het naoorlogse Hongarije een brede basis geven en ook de grondslag leggen voor een succesvol optreden voor de revisie.
De ideologie, die ze ter ondersteuning van hun opvattingen naar voren brachten, was nogal eclecticistisch. Herinneringen aan het oude Hongarije speelden er een rol in, maar ook moderne sociaal-darwinistische en racistische ideeën.
Net als in veel andere landen trouwens was in Hongarije de regionale adel de tegenpool geworden van het hof. Deze situatie was al in het middeleeuwse koninkrijk ontstaan. Na de ineenstorting van dat koninkrijk, toen de Habsburgers de Hongaarse kroon gingen dragen en pogingen gingen doen om het Hongaarse koninkrijk in hun rijk te integreren, was de adel de vertegenwoordigster geworden van het nationale belang tegenover de koning en de met het hof verbonden aristocratie. In de eerste helft van de 19de eeuw was dit nog altijd de belangrijkste tegenstelling in de Hongaarse politiek, al waren er wel aristocraten die de kant van de natie en daarmee dus van de regionale adel kozen.
Halverwege de 19de eeuw tekende de neergang van de regionale adel als klasse zich al duidelijk af. Voor velen werd een baan in het regionale bestuur de belangrijkste bron van inkomsten en het landgoed een bijverdienste en vooral een bron van prestige, een rechtvaardiging van de geprivilegiëerde positie die de betrokkene innam. Wie aan zijn landgoed gebonden bleef, zakte af tot het niveau van hereboer. Terwijl de landadel in de plattelandseconomie terrein verloor, ontwikkelde zich een klasse van zelfstandige boeren. Zij specialiseerden zich in intensieve takken van de landbouw, waarvoor ze vooral in de groeiende steden afzet vonden. Met een nieuwe folklore kreeg deze klasse ook cultureel een eigen gezicht. De revolutie van 1848 en de periode van strijd en onderdrukking die daarop volgde, leidde ertoe dat deze klasse in de traditionele rol van de landadel ging participeren. Zo bleef speciaal het oosten van het land, waar de aristocratie minder invloed had, in de tweede helft van de 19de eeuw een bolwerk van de ‘48-ers, de stroming die zich verzette tegen het in 1867 gesloten compromis met het Habsburgse hof en die nationale zelfstandigheid eiste.
De naoorlogse nationalisten zagen zichzelf als de erfgenamen van deze stroming. De ‘48-ers van weleer waren in hun ogen de echte Hongaren geweest. Helemaal in de geest van hun tijd leverden ze daar ook een biologische onderbouwing bij. Het was hun niet genoeg dat de landadel eeuwenlang het idee van een Hongaarse natie levend had gehouden, ze voerden de stambomen van die adel terug op de tijd dat de Magyaren zich in het Karpatenbekken gevestigd hadden. De Hongaarse adel stamde, betoogden zij, af van de leiders van de zeven stammen uit die tijd. Zij waren de echtste Hongaren die je je maar kon denken en hadden dus het oudste recht om in Hongarije de lakens uit te delen. Dit recht, aldus de laatste schakel in de redenering, ging nu over op de nieuwe nationalistische beweging. Dat de intussen als klasse finaal van het toneel verdwenen landadel het summum van Hongaar-zijn was, was een opvatting die door velen werd gedeeld. En er waren danook heel wat mensen die pogingen deden om aan te tonen, dat ze adellijke voorouders hadden. Het verzinnen van een tweede naam, meestal afgeleid van het een of andere dorp, werd een ware epidemie. Niemand minder dan Béla Bartók bijvoorbeeld zocht in die tijd stad en land af om een adellijke voorouder te vinden. Een speling van het lot bracht hem tenslotte in het plaatsje Szuhafő, waar hij op het kerkhof de zerk van een adellijke Bartók ontdekte. Vanaf die dag noemde hij zich in volle ernst Endre Bajcsy-Zsilinszky. Net zo komisch is de naamsverandering, die Endre Zsilinszky, een van de leiders van de nieuwe nationalistische beweging, onderging. Zsilinszky ‘ontdekte’ dat zijn moeder, een geboren Bajcsy, afstamde van een Magyaarse strijder, die in het leger van Bulcsu had meegegaloppeerd. Zo ging Zsilinszky zijn opvallend slavische achternaam met de oer-Hongaarse van zijn moeder combineren tot Bajcsy-Zsilinszky.
Maar in de historische en biologische redeneringen van de nieuwe nationalisten was ook plaats voor de Hongaarse boeren. Want als Zsilinszky en zijn politieke vrienden afstammelingen waren van de Magyaarse leiders, dan stamden de Hongaarse boeren van de Magyaarse strijders af, van de pijlschutters die op hun snelle paardjes ooit de schrik van Europa waren geweest. In de Hongaarse boeren leefde de heldhaftigheid van de Magyaarse strijders van duizend jaar geleden nog altijd voort.
De belangstelling voor de Hongaarse plattelandsbevolking had behalve een emotionele ook een praktisch politieke kant. De drie miljoen bedelaars die er van de hand in de tand leefden, waren in principe strijdvaardige nazaten van oervader Árpád, maar zouden pas werkelijk enthoesiaste strijders voor de Groot-Hongaarse zaak worden, als het land hun ook iets te bieden had. Om die reden pleitten velen voor een nieuwe grondhervorming, die aanzienlijk radicaler moest uitvallen dan die uit het begin van de jaren ’20.

De nieuwe nationalisten combineerden verwijzingen naar het verleden met afstammingstheorieën tot een ideologie, waarin ‘ras’ een overkoepelend woord werd. Hoewel de pseudo-biologie uit het Derde Rijk, die de superioriteit van het z.g. arische ras wilde aantonen om daarmee het Duitse imperialisme te rechtvaardigen, deze mensen vreemd was, gebruikten zij de term ras ook om grenzen te trekken. Zo betoogde Endre Bajcsy-Zsilinszky in 1923 dat er een streng rasbegrip nodig was en dat tot het Hongaarse ras alleen diegenen mochten worden geacht te behoren, die ‘in hun denken, in hun gevoel, in hun lichamelijk-geestelijke wezen, in hun instincten één en onafscheidelijk kunnen zijn met het Hongarendom.’
Het theoretische systeem van de volksen hing ondertussen van kreten aan elkaar. Zonder blikken of blozen en alsof nooit een Turk of Habsburger een voet in het gebied had gezet, betoogden ze bijvoorbeeld dat de Hongaren sinds 896 in het Karpatenbekken ononderbroken hadden geheerst en dat ze daarom recht hadden op een heersende rol. Hun grote voorbeeld was uitgerekend het koninkrijk van Sint Stefanus, de man die de opstandige magyaren met Duitse hulp zijn heerschappij en ook nogeens een vreemde godsdienst had opgedrongen.
Ook voor het verzamelen van bewijzen voor de superioriteit van de Hongaren grepen ze op oeroude tijden terug, bij voorkeur op de tijd van de Magyaarse stammen die vreedzame burgers her en der in Europa de stuipen op het lijf hadden gejaagd en die daarom ‘heldhaftige’ strijders zouden zijn geweest. Voor iemand als Endre Bajcsy-Zsilinszky was dat verre verleden voldoende basis om de Hongaren een ‘soldaten-natie’ te noemen.

In de formatie die het naoorlogse herstel zou moeten dragen, was in de opvatting van deze nationalisten geen plaats voor de Hongaarse joden. Zij waren van meet af aan openlijke antisemieten en zij gingen daarin ook veel verder dan de christelijk-nationale politici, die zich immers met name tegen de stedelijke intelligentsia keerden en voor de traditionele joodse elite wel plek inruimden. Hoewel zij ook hier historische en biologische argumenten aanvoerden om te bewijzen dat de joden vreemden waren in hun land, was hun antisemitisme gerichte op bepaalde delen van de joodse bevolking. Zoals Endre Bajcsy-Zsilinszky het in 1927 uitdrukte: ‘we voeren een stille en tegelijk bloedige burgeroorlog met het joodse kapitalisme, het joodse libero-radicalisme en het joodse sociaal-communisme.” Zij keerden zich niet alleen tegen de joodse intelligentsia, zoals ook het regiem deed, maar ook tegen de joodse bankiers en industriëlen en trouwens ook tegen de joden die een belangrijke rol speelden in de agrarische economie. Zonder daarvoor overigens ook maar een spoor van bewijs te leveren stelden de nieuwe nationalisten de joodse intelligentsia, in de woorden van István Lendvai de ‘vreemde’, stedelijke cultuur, verantwoordelijk voor de nederlaag in de oorlog en de ontmanteling van het koninkrijk die daarop was gevolgd.
Samenvattend kwam hun politiek op het volgende neer: een ingrijpende landhervorming die de macht van de aristocratie moest breken en de landloze boeren een onafhankelijk bestaan moest geven, overheidsingrijpen in de economie met als doel een beperking van de macht van het joodse grootkapitaal, opheffing van de sociaal-democratische partij en de daarmee verbonden vakbeweging, die net als het joodse kapitaal én de joodse intelligentsia het oude internationalisme vertegenwoordigde en een numerus clausus in het onderwijs, die de deelneming van joden aan het onderwijs zou beperken en ruimte zou scheppen voor niet-joodse jongeren.

In de maanden van de contrarevolutionaire plannenmakerij en ook nog in de eerste tijd na de val van de radenrepubliek was deze stroming voor Bethlen een belangrijke steun in de rug geweest, vooral omdat ze tegenwicht bood tegen de monarchisten. Om ze een plek te geven in zijn Eenheidspartij had hij ook bepaalde concessies gedaan. Zo bevatte het programma van 1920 de formule dat joden, vrijmetselaren en sociaal-democraten ‘antivolks’ waren en erop uit waren het land te gronde te richten.
Maar het programma dat zij vertegenwoordigden, ging Bethlen veel te ver. Hij voelde niets voor aantasting van de positie van de aristocratie, zag er niets in om de joodse grote bourgeoisie het werken onmogelijk te maken en wilde tenslotte maatregelen die bij de Entente verkeerd zouden vallen, als het even kon vermijden. Het moest daarom wel tot een openlijk conflict komen.
Bethlens buitenlandse politiek, in dit stadium gericht op verbetering van de betrekkingen met de mogendheden van de Entente, werd er de aanleiding voor.
De pogingen van Karel om zich de Hongaarse koningskroon op het hoofd te drukken, hadden tot onverwacht scherpe reacties geleid in de nieuwe buurlanden die zich daarbij in de rug gesteund voelden door de Entente. Het politieke bedrijfsongeval dreigde Hongarije na Trianon internationaal opnieuw in een isolement te plaatsen. Hongarije legde daarom nog in 1921 haastig officiëel vast, dat telgen uit het huis van Habsburg niet in aanmerking kwamen voor het koningschap. De verklaring was voor de buurlanden aanleiding om de toelating van Hongarije tot de Volkenbond niet langer te blokkeren. In 1922 gaven zij hun jawoord en zo kon Hongarije zich per 31 januari 1923 lid van de Volkenbond noemen.
Gebruikmakend van dit diplomatieke succes begon Bethlen onmiddellijk onderhandelingen over een westerse lening. De onderhandelingen kwamen in mei op gang met het bezoek van Bethlen aan Londen en Parijs. In 1924 kwam de lening ook werkelijk los (250 miljoen korona). In datzelfde jaar werd met hulp van de Bank of England de Magyar Nemzeti Bank opgericht. Hoewel mede dankzij deze hulp de inflatie nog in dat jaar tot staan kwam, waren aan de lening ook belangrijke nadelen verbonden. De voorwaarden waren buitengewoon ongunstig: de rente was hoog en Hongarije moest bovendien beloven dat het de eerder overeengekomen herstelbetalingen netjes zou blijven voldoen. Bethlen, die maar liefst een kwart van de lening gebruikte om het tekort op de staatsbegroting te dekken, gebruikte de geldstroom om de positie van zijn regiem in het land verder te stabiliseren, maar de betekenis van de lening was vooral dat het Hongarije internationaal weer salonfähig maakte.
In kringen van de nieuwe nationalisten was er weinig enthoesiasme voor de Volkenbond. Zij beschouwden deze organisatie als een instrument van de overwinnaars uit de oorlog om de overwonnenen hun wil op te leggen. Van internationale leningen moesten zij al helemaal niets weten. Zij vonden dat Hongarije zich daarmee zou uitleveren aan het internationale joodse kapitaal.
Nieuwe conflicten bracht het jaar 1923. De bezetting van het Roergebied door Frankrijk leidde in Hongarije tot felle protesten tegen het optreden van de Entente. Organisaties als de officiëel verboden Ébredő Magyarok organiseerden demonstraties. Bethlen zag opnieuw de relatie met de westerse mogendheden in gevaar komen en trad hard op. Zo liet hij een demonstratie van de Ébredő Magyarok in maart van dat jaar door het leger uit elkaar slaan.
In 1923 deed Gyula Gömbös, de man die de verkiezingsoverwinning van 1922 georganiseerd had, een poging om de leiding van de Eenheidspartij in handen te krijgen en die om te vormen tot een etnisch-nationalistische partij. In een rede in het parlement in 1923 zette hij uiteen, dat de ‘christelijke gedachte’ ook ‘kortweg rasbescherming’genoemd kon worden. Met de christelijke gedachte hing, zo betoogde hij verder, de ‘agrarische gedachte’ nauw samen. Agrarisch was het tegendeel van ‘stedelijk’ of kapitalistisch, zodat hier opnieuw ‘agrarisch’ stond voor Hongaars tegenover het ‘joodse’ kapitaal.
Bethlen kon Gömbös alleen nog maar de weg afsnijden door het op een openlijke breuk te laten aankomen. Juni 1923 zag Gömbös zich gedwongen zijn positie in het presidium van de regeringspartij op te geven en aan het eind van de zomer verliet hij de partij samen met Tibor Eckhardt en Endre Bajcsy-Zsilinszky. Maar daarmee waren de problemen nog niet voorbij. Na het mislukken van de poging om de Eenheidspartij over te nemen besloot een aantal mensen uit het nieuw-nationalistische kamp onder aanvoering van Ferenc Ulain tot een staatsgreep. De putsch werd in september door Bethlen verijdeld.
De uit de Eenheidspartij weggezuiverde nationalisten begonnen eind 1923 een eigen partijtje, de Magyar Nemzeti Függetlenségi Párt, oftewel Hongaarse Nationale Onafhankelijkheidspartij. Nu ze onder elkaar waren, konden ze hun idealen wel weer zuiver onder woorden te brengen en hoefden ze zich ook in hun antisemitisme niet te matigen, maar een positie van belang was er voorlopig niet voor hen weggelegd. Voor de verkiezingen van 1926 wisten zij bijelkaar niet meer dan 17 kandidaten te porren. Daarvan kregen er vier een zetel in het parlement. Endre Bajcsy-Zsilinszky bleef eenzaam tot de ‘nationale revolutie’ oproepen tot zijn dagblad Szózat in 1926 van de markt verdween.
De val van Gömbös en zijn ‘rasbeschermers’ was zo diep dat figuren in het monarchistische kamp, die sinds het falen van de troonsbestrijging van Karel hadden gezwegen, vonden dat zij nu aan de beurt waren. Zij vatten het plan op om met de verspreiding van valse francs de belangrijkste tegenstander van de herleving van de Hongaarse monarchie, Frankrijk, schade te doen. De lachwekkende actie kwam in 1925 aan het licht. Op het eind van dat jaar werden in Amsterdam en Den Haag grote hoeveelheden valse Franse franc-biljetten gevonden bij Hongaarse personen met een diplomatiek paspoort. Organisator van de vervalsing was, naar al snel duidelijk werd, prins Lajos Windischgrätz, die de bankbiljetten in zijn villa in Boedapest in opslag bleek te hebben. De bankbiljetten waren in een legerdrukkerij vervaardigd en daarna gezegend door legerbisschop István Zadravetz. Bij de vervalsing, bedoeld als wraakneming voor Trianon, was ook Pál Teleki betrokken, terwijl minister-president István Bethlen en regent Miklós Horthy van de actie op de hoogte waren. De valsemunters verdwenen achter de tralies, maar werden na hun spoedige vrijlating als nationale helden in het zonnetje gezet.

In 1926 beschouwde Bethlen de consolidatie als voltooid. Er was, zoals hij op een bijeenkomst op 16 november in de komedie verklaarde, sprake van een ‘’keerpunt’’. Internationaal was Hongarije erkend als een fatsoenlijk land, wat nogeens werd onderstreept door het vertrek van de militaire controlecommissie van de Volkenbond in 1926. Ook op de internationale kapitaalmarkt was het land dankzij de Volkenbondlening een geaccepteerde partij geworden. Zo bleek het in de jaren 1926 tot 1929 geen probleem om een reeks kredietovereenkomsten te sluiten, waarin van Hongaarse kant steden, provincies, maar ook wel bedrijven partij waren. Overigens werd slechts een gering deel van deze leningen gebruikt voor produktieve investeringen, een groot en in de loop der jaren toenemend deel was nodig om oude schulden af te lossen.
De internationale erkenning en de stabiliteit van het regiem in eigen land waren voor Bethlen blijkbaar aanleiding om in de binnenlandse politiek enkele nieuwe stappen te zetten. Zo werd 1926 het jaar van een stille amnestie en keerden heel wat Hongaarse ballingen terug naar hun land. Onder hen waren sociaaldemocraten, maar ook mensen als de avantgardist Lajos Kassák en de schrijver Gyula Illyés. Bethlen achtte nu ook het moment gekomen om de verhouding met delen van de joodse bevolkingsgroep te normaliseren. In 1926 kreeg het parlement weer een hogerhuis met voor het eerst in de Hongaarse geschiedenis officiële zetels voor de neologe en de orthodoxe joodse gemeenschap. In het nieuwe hogerhuis namen ook verschillende joodse industriëlen zitting.
Natuurlijk hadden ook de communisten in ballingschap lucht gekregen van de verandering van klimaat. Door partijgenoten naar Hongarije te sturen probeerden zij af te dwingen dat het regiem een communistische partij in de een of andere vorm zou tolereren. Met betrekking tot de communisten bleef Bethlen echter onverzoenlijk. In de zomer van 1925 liet hij tientallen communisten, onder wie de latere partijleider Mátyás Rákosi, oppakken. In het buitenland verblijvende Hongaarse communisten en sympathisanten zoals Mihály Károlyi gebruikten het in 1926 gehouden proces om aan te tonen hoe ondemocratisch het bewind van Bethlen was, maar ze bereikten er weinig mee. De beklaagden werden tot lange gevangenisstraffen veroordeeld. Ook een poging vanuit de communistische partij na dit proces om door middel van de oprichting van een Hongaarse Socialistische Arbeiderspartij (MSzMP) een legale aanwezigheid te creëren werd in februari 1927 hardhandig de kop ingedrukt. De hardhandigheid jegens de communisten leek een inleiding op de verbetering van de betrekkingen met de sociaal-democratie, die in 1929 vorm kreeg. Ernő Garami, de sociaaldemocratische leider die na de val van de radenrepubliek in ballingschap was gegaan, mocht terugkeren. De sociaal-democratische partij kreeg in dat jaar bovendien opeens het recht om zonder instemming van de lokale autoriteiten partijafdelingen op te richten. De sociaal-democratische partij beloofde van haar kant op het gebied van de buitenlandse politiek met Bethlen samen te werken. .
Dat de consolidatie voltooid was, was voor Bethlen aanleiding om de banden met zijn oude vriend Gömbös weer aan te halen. Bethlen zorgde er persoonlijk voor dat Gömbös bij de openbare verkiezingen in Abádszalók in 1926 zijn parlementszetel weer terugkreeg. In september 1928 haalde hij Gömbös als staatssecretaris naar het ministerie van oorlog. In ruil voor de benoeming hief Gömbös zijn Fajvédő Párt op. Toen bleek dat Gömbös zich inderdaad loyaal gedroeg, werd hij beloond met de opneming in de heldenorde (16 juni 1929), een eer die hem jarenlang onthouden was. Daarop volgde -in het najaar van 1929- zijn benoeming tot minister van defensie.
Zo leek Bethlen op het eind van de jaren ’20 oppermachtig en onbedreigd.

Nu de consolidatie was voltooid, was, in de opvatting van Bethlen, ook het moment gekomen om het herstel van Hongarije binnen zijn vroegere grenzen met meer nadruk en openlijkheid aan de orde te stellen. In het in overwinnaars en verliezers verdeelde Europa waren de mogelijkheden om aan buitenlandse politiek te doen echter beperkt. Een zekere belangstelling voor Horthy-Hongarije was er merkwaardigerwijs wel in ons land, dat de eerste wereldoorlog neutraal was doorgekomen en dat met het verlenen van onderdak aan de verjaagde Duitse keizer nogeens demonstratief een onafhankelijk gebaar had gemaakt. Zo kreeg Boedapest in die tijd een hervormde lagere school van koningin Wilhelmina en werd er in de Hongaarse hoofdstad een straat naar de Nederlandse vorstin vernoemd.
István Bethlen zag echter toch meer in Italië, waar Mussolini intussen aan de macht was. In 1927 bracht Bethlen een officiëel bezoek aan de duce. Het bezoek aan Italië leverde een vriendschapsverdrag op dat in Hongarije enthoesiast werd ontvangen als het begin van de nieuwe, op de revisie gerichte buitenlandse politiek. Belangrijkste thema van de besprekingen was inderdaad de herziening van Trianon. Bethlen gaf bij die gelegenheid als zijn mening dat Duitsland en de Sowjet-Unie als middeneuropese mogendheden vroeg of laat nieuwe grenzen in dit gebied zouden trekken. In een aan het eind van de oorlog geschreven terugblik zou Bethlen felle kritiek uiten op de pro-Duitse koers van zijn land, maar op het eind van de jaren ’20 was dus nog van mening dat de vergroting van Hongarije pas aan de orde zou kunnen komen als Duitsland en de Sowjet-Unie de herinrichting van Europa op de agenda zouden zetten. Hongarije moest echter niet lijdzaam afwachten tot deze mogendheden in actie zouden komen, maar kon, aldus Bethlen, alvast proberen een eind te maken aan de samenwerking van de nieuwe buurlanden, die hadden afgesproken zich gezamenlijk te verweren tegen eventuele Hongaarse pogingen tot gebiedsuitbreiding en die zich daartoe in de z.g. Kleine Entente hadden aaneengesloten. Bethlen zag het vriendschapsverdrag met Italië vooral in dat licht.

Communistisch intermezzo

In de loop van de jaren ’20 was het etnische nationalisme dus volledig geďsoleerd geraakt en tegen het eind van dat decennium leek het er zelfs op dat Bethlen erin zou slagen deze stroming te integreren in zijn regiem. In die omstandigheden kon er opnieuw belangstelling ontstaan voor de oude socialistische idealen. Internationale signalen werkten dit in de hand. In Duitsland leek de Weimar-republiek aan de vooravond van een revolutie te staan en hetzelfde gold voor Spanje. Toen danook in 1930 de werklozen van Boedapest opeens in actie kwamen en er in de straten van de stad barricaden werden opgericht, dachten velen dat er ook in Hongarije een revolutionaire situatie zou ontstaan en dat de wereldrevolutie, die in de jaren ’20 een definitief gemiste historische kans had geleken, voor de deur stond. Toen de werklozen nog een tweede keer in actie kwamen en dus vast kwam te staan dat het model-Bethlen, waarin de sociaal-democratie tot taak had dit soort erupties te voorkomen, niet werkte, kwam het regiem in actie. Bethlen deed een stap terug en in zijn plaats werd de oude contrarevolutionair Gyula Károlyi minister-president. En toen bleek dat ook hij niet in staat was de onrust te bedwingen, greep het regiem naar het beproefde wondermiddel: Gyula Gömbös.
Maar belangrijker dan het optreden van de regering was uiteindelijk, dat het internationale klimaat omsloeg. Met de benoeming van Hitler tot rijkskanselier in 1933 verliep het internationalistische tij snel. Toch zou dit korte intermezzo nog grote invloed hebben op het debat over de toekomst van Hongarije in het volgende decennium.

Etnisch nationalisme 2: De ‘grote volkse vijver’

In de vernieuwingsbeweging uit de jaren ’90 van de 19de eeuw was er voor landsgrenzen en voor sociale scheidslijnen niet veel belangstellling geweest. De nieuwe samenleving, de nieuwe tijd, die aanstaande werd geacht, zou zich over de hele wereld verspreiden en zou (bijna) iedereen betere omstandigheden en een gelukkig leven brengen. De ‘revolutie’ was, aldus de algemene opvatting uit die tijd, een spel met (bijna) alleen maar winnaars. Dat hier en daar een vertegenwoordiger van de oude wereld klappen zou kunnen oplopen, paste nog net binnen het voorstellingsvermogen van deze tijd, maar met de mogelijkheid dat bevolkingsgroepen die hun aanzijn aan het vernieuwingsproces te danken hadden, met elkaar op de vuist zouden gaan, hield niemand rekening.
De wereldoorlog verscheurde deze illusie. Ze bleek niet alleen een strijd tussen oud en nieuw, zoals velen dachten, maar ook tussen nieuw en nieuw, tussen de bourgeoisie die in de verschillende landen in de jaren voor de oorlog was ontstaan en tussen het nieuwe proletariaat van die landen. En verder waren in die strijd coalities en compromissen tussen oud en nieuw in de verschillende landen mogelijk gebleken.
In het licht van deze in de oorlogsjaren opgedane ervaringen leek het oude socialistische internationalisme gevaarlijk, niet in de laatste plaats voor landen die internationaal gezien op het tweede plan stonden. In de naoorlogse situatie moest een emancipatiebeweging het dus ook opnemen voor de eigen natie en het eigen land. Zeker in Hongarije, dat zojuist een enorm verlies had geleden, leek nationaal herstel een absolute voorwaarde voor de emancipatie van wie danook en leek een coalitie met de oude elite in het belang daarvan ook niet bijvoorbaat uitgesloten.
Maar door de oorlog hadden ook de heersende elites enorm gezichtsverlies geleden, niet alleen maar wel vooral in de landen die aan het kortste eind hadden getrokken. Dit kwam vooral omdat ze van de bevolking wel enorme offers hadden gevraagd, maar niet bereid waren gebleken voor de volksmassa binnen de natie een plek in te ruimen.
In deze situatie ontwikkelden zich nieuwe opvattingen, waarvan de kern was dat ze wezenlijke onderdelen van het programma van de vooroorlogse vernieuwingsbeweging onderbrachten in een nieuw type nationalisme.
In de kritiek op de oorlogspolitiek van de heersende elites had het begrip ‘volk’ een nieuwe actualiteit gekregen. De staten waarover deze elites de scepter zwaaiden, werden gezien als gevangenissen van volken. Het eind van de oorlog moest de bevrijding brengen van die volken en ze de mogelijkheid bieden eigen staten te stichten. Omdat landsgrenzen daarvoor niet in aanmerking kwamen, moesten andere criteria deze volken identificeren. Die criteria werden etniciteit of ras. Tegen het eind van de oorlog was de opvatting vrij algemeen dat het verlenen van zelfbestuur aan deze volken de basis moest vormen voor politieke vernieuwing en dat op deze manier de traditionele machtsbolwerken vanzelf ineen zouden storten. Bij deze gedachtengang sloot tegen het eind van de oorlog ook de Amerikaanse president aan, terwijl na de oorlog Lenin de Sowjet-Unie op basis van etnische lijnen van nieuwe binnengrenzen voorzag.
Op het eind van de oorlog hadden de verschillende volken binnen de Monarchie zelfbestuur gekregen. Maar er waren wel enkele uitzonderingen. Eén daarvan was het Hongaarse volk dat wel een eigen land had gekregen, maar geen zelfbestuur. De voorloorlogse elite herstelde zijn positie immers en was met geen stok tot democratisering te bewegen. Bovendien bevonden zich belangrijke Hongaarse minderheden aan gene zijde van de grenzen. In deze omstandigheden werd het nieuwe, etnische nationalisme ook in Hongarije actueel.
Tenslotte was er de sociaal-economische situatie, waarvoor zoals we al zagen kenmerkend was, dat het bestaan van de plattelandsbewoners steeds uitzichtslozer werd, terwijl de moderne sektor maar een beperkt aantal van die mensen enig perspectief kon bieden, die het nieuwe nationalisme nog wat wind in de zeilen gaf. Dat emancipatie niet meer een spel was met alleen maar winnaars, leek in de periode tussen de wereldoorlogen niet alleen een internationale, maar ook een binnenlandse realiteit. Wie voor zichzelf een plekje zocht in het moderne Hongarije, leek daarin te kunnen slagen door een ander zo’n plek te ontnemen.

Ook al omdat het in die jaren nauw verbonden was met de monarchistische contrarevolutionaire kringen en bij het in het zadel helpen van Miklós Horthy onmisbare hand- en spandiensten verleende, leek het etnische nationalisme aan het begin van de jaren ’20 een belangrijke stroming te worden. Het machtsherstel van de vooroorlogse elite verliep echter zo voorspoedig en de consolidatiepolitiek van Bethlen was zo succesvol, dat het etnische nationalisme in de loop van de jaren ’20 naar de marge van het politieke leven verdween.
Na het internationalistische intermezzo van rond 1930 meldde zich echter een nieuwe generatie, die opnieuw het etnische nationalisme ging gebruiken als een kader voor haar opvattingen over de noodzakelijke vernieuwing van Hongarije. De verwantschap van het nieuwe etnische nationalisme, zoals dat met name vorm kreeg in wat in de Hongaarse geschiedschrijving de Volksbeweging heet, met het etnische nationalisme van de ‘rasbeschermers’ uit de jaren ’20 was groot, maar de Volksbeweging plaatste ook nieuwe accenten. Anders dan de rasbeschermers beschouwden mensen uit de Volksbeweging zich als erfgenamen van de vernieuwingsbeweging uit het begin van de eeuw. Zij waren ook niet bang voor de term socialisme, het grote taboe uit de jaren ’20. En terwijl de rasbeschermers hun beweging hadden gezien als een voortzetting van het onafhankelijkheidsstreven van de landadel, was men in de Volksbeweging van mening dat die klasse haar historische taak had verzaakt. Door het echt-Hongaarse onder de schijnwerpers te plaatsen deelde zij een nieuw soort adelsbrief uit, riep ze de gewone Hongaren tot de taak die de adel had laten liggen.

De Volksbeweging begon zich in 1932 als zelfstandige stroming te manifesteren. In dat jaar brak László Németh met Nyugat, toen het leidende literaire tijdschrift, en richtte hij zijn blad Tanú op. Een ander belangrijk moment was het verschijnen van Gyula Illyés’ reportage ‘Pusztulás’ (teloorgang) in het najaar van 1933. In dat boek beschuldigde hij de steedse intellectuelen van onverschilligheid jegens de onhoudbare omstandigheden waaronder velen op het platteland leefden en riep hij op tot ‘volkse vaderlandsliefde’. In het voetspoor van Illyés trokken schrijvers naar het platteland om er de boerenwereld te verkennen. Ze legden hun bevindingen vast in sociografieën, zoals dit literaire genre ging heten. Lajos Nagy (1883-1954) zette de trend met zijn sociografie Kiskunhalom (1934). Het jaar erop verscheen Az Alföld parasztsága (de boerenwereld van de Laagvlakte) van Péter Veres (1897-1970) en nog weer een jaar later Puszták népe (het volk van de poesta’s) van Gyula Illyés (1902-1983). Met name het boek van Illyés was een ware aanklacht tegen het grootgrondbezit. Vanaf 1934 was László Németh de belangrijkste ideoloog van de volksen.
Als pioniers van de Volksbeweging gelden József Erdélyi (1896-1978), van wie in 1922 de bundel Ibolyalevél verscheen, en vooral Dezső Szabó die in zijn nog in de tijd van de radenrepubliek verschenen roman ‘Az elsodort falu’ de volkse gedachtengang onder woorden had gebracht.
Dezső Szabó (1879-1945), een essayist uit de kring van het toonaangevende blad Nyugat, had zich al voor de eerste wereldoorlog als uitgesproken antisemiet doen kennen en had in die tijd scherpe oordelen geveld over het moderne Hongaarse grote-stadsleven en over de ‘kosmopolitische joodse’ cultuur. Volgens hem was het hoog tijd dat de steedse intellectuelen de banden met het boerendom gingen aanhalen en zich cultureel gingen opfrissen en vernieuwen in de ‘grote volkse vijver’.
In het vernieuwingsproces van voor de eerste wereldoorlog was ook de Hongaarse natie vernieuwd. Duitsers, joden en Slowaken waren er mee deel van gaan uitmaken. Voor iemand als Szabó was de ‘assimilatie’ uit deze periode een verkeerde weg. Een gevolg was, zo vond hij, dat Duitsers en joden de ‘rashongaren’ uit de leidende posten verdrongen hadden. Szabó was van mening dat ‘rashongaarse innerlijke krachten’ de enige garantie waren voor het overleven van de natie. Niet assimilatie, maar dissimilatie was, stelde hij, het gebod van het uur. Als erkend Ady-specialist was Dezső Szabó ook de geschikte man om het werk van deze belangrijke dichter uit de jaren voor de eerste wereldoorlog naar de volkse opvattingen te herinterpreteren.
Het was mede aan Dezső Szabó te danken, dat de ideologie die de auteurs van de Volksbeweging ontwikkelden, sterk leunde op ideeën uit de voorloorlogse vernieuwingsbeweging. Het was met name de dichter Endre Ady geweest die dit ideeënmateriaal in een Hongaars kader had geplaatst.
Voor de avantgardisten van de jaren ’90 stond vast dat de liberale tijd een periode van neergang was geweest. Om die these te bewijzen verzamelden zij voorbeelden uit niet door het liberalisme aangeraakte culturen in heden en verleden. In het voetspoor van deze internationale voorbeelden wees Endre Ady op de exotische herkomst van de Magyaren. De herders op de poesta en de fabrieksarbeiders droegen dit verleden nog als ‘heilige dromen’ met zich mee, maar in het benauwde liberale wereldje van het fin-de-sičcle konden ze geen werkelijkheid worden.
Het ligt voor de hand dat met name de steden gezien werden als de vertegenwoordigers van de liberale wereld en auteurs uit die tijd putten zich danook uit in het vellen van oordelen over die poelen van verderf. Tegenover die verderfelijke steden stond het platteland, de boerenwereld, die nog veel pre-liberale waarden had bewaard.
De avantgardisten van het fin-de-sičcle waren er bovendien vast van overtuigd, dat ook ieder mens in het diepst van zijn ziel een kern bezat, die voor het liberale bederf niet vatbaar was. Bij de schrijvers van de Volksbeweging keren deze gedachtengangen terug. Maar er waren toch ook grote verschillen. De vernieuwers van het fin-de-sičcle hadden hun antiliberale rariteitenverzameling vooral gebruikt in hun polemiek met het liberalisme. Er waren wel enkele pogingen geweest om elementen daaruit te gebruiken voor de constructie van een nieuwe samenleving (William Morris, Frederik van Eeden), maar met het op gang komen van de werkelijke maatschappelijke vernieuwing was de belangstellling voor dat soort pogingen snel afgenomen. De volksen echter, die nu eenmaal leefden in een tijd waarin niet meer de kritiek op een oude, maar de daadwerkelijke constructie van een nieuwe samenleving op de agenda stond, vonden dat de niet-liberale eilandjes wel degelijk aanknopingspunten waren voor maatschappelijke hervorming. Voor hen was danook de pure verwijzing naar de dromen van poestaherders te weinig, zij vonden dat de dromen van het platteland werkelijkheid moesten worden en waren van mening dat een herboren boerenwereld de basis zou leggen onder de hervorming van de hele Hongaarse samenleving. Met Dezső Szabó waren zij verder van mening, dat het platteland bovendien waarden vertegenwoordigde, die de basis konden zijn voor een vernieuwing van de Hongaarse cultuur.
De volksen grepen ook terug op de ideeën uit het fin-de-sičcle over het diepste ik. Maar terwijl voor de avantgardisten van die tijd die diepverscholen kern had gestaan voor datgene wat de individuele mens met andere mensen verbindt, met de geschiedenis die de mensheid doormaakt en zelfs met de kosmos, was dat ik voor de volksen de vertegenwoordiger van het ras, niet in de zin van het onbeschaafde oer-menselijke, het beest in de mens, zoals we dat bij Guy de Maupassant of Zola wel tegenkomen, maar als ras, dat zich fundamenteel van andere rassen onderscheidt en tegelijk de bron is die mensen van hetzelfde ras met elkaar verbindt. En ze waren van mening dat dit ras de kans moest krijgen zijn samenbindende kracht te ontplooien en zo vorm te geven aan de samenleving.
Ras werd het sleutelbegrip als het ging om de hervorming van de Hongaarse samenleving en ook bij het vinden van een antwoord op de vraag hoe Hongarije internationaal staande zou kunnen blijven. Voor de volksen waren alleen ras-Hongaren, dat wil zeggen Hongaren, die afstammelingen waren van de magyaarse stammen uit de tijd van Árpád, echte Hongaren. Zij waren van mening dat vertegenwoordigers van vreemde rassen, de joden vooral, maar ook de Duitssprekende Hongaren, in het land een leidende positie hadden en dus verhinderden dat het Hongaarse volk het in eigen land voor het zeggen zou krijgen. Die verhouding zou op zijn minst moeten worden omgedraaid, maar heel wat volksen gingen ervan uit dat dat ertoe zou leiden dat de joden en de Duitsers uiteindelijk uit het land zouden verdwijnen. Vreemd aan het Hongaarse volk was niet in de laatste plaats ook de aristocratie, die de Hongaarse boeren genadeloos uitbuitte. Ook die zou moeten worden onttroond.
Hoewel de volksen voorstanders waren van de revisie-politiek en vonden dat op zijn minst de door Hongaren bewoonde grensstreken weer bij Hongarije zouden moeten komen, lag voor hen het accent op de binnenlandse situatie, op het creëren van een etnisch bolwerk dat in het isolement zijn kracht zou vinden.
Bij de politieke eisen van de Volksbeweging stond landhervorming op de eerste plaats. In de politiek was er, vonden zij, dringend een wisseling van de wacht nodig. In dat verband bepleitten zij de invoering van algemeen kiesrecht. Ze vonden verder dat de joden, zoals Németh en Illyés zich uitdrukten, ‘teruggedrongen’moesten worden naar de plek die hen ‘toekwam’. Zij maakten niet duidelijk aan wat voor wetgeving zij daarbij dachten. Zij waren voorstanders van een numerus clausus in het hoger en universitair onderwijs, maar toen Hongarije in 1938 uiteindelijk een jodenwet kreeg, keerden zij zich daar in meerderheid tegen.

Sinds het begin van de jaren ’30 was het politieke landschap verrijkt met een boerenpartij, de Független Kisgazdapárt, die in het parlement vertegenwoordigd was en geleid werd door Tibor Eckhart, een rasbeschermer uit de jaren ’20. Dit droeg ertoe bij dat de auteurs van de Volksbeweging weinig zagen in de oprichting van een eigen politieke partij. Zo bleef de Volksbeweging een losvaste formatie, een platform van geestverwanten vooral, met sympathisanten in verschillende politieke partijen.
De volksen hadden wel hoge verwachtingen van Gyula Gömbös. In 1935, kort nadat Gömbös minister-president was geworden, namen auteurs als Zsigmond Móricz, Gyula Illyés, László Németh en Lőrinc Szabó deel aan een ontmoeting met de regeringsleider. Gömbös nodigde hen bij die gelegenheid uit om een ‘nieuw geestelijk front’ op te bouwen. Gyula Illyés en Péter Veres gingen op de uitnodiging in en gingen als medewerkers schrijven voor Magyarország, de officieuze spreekbuis van Gömbös, die werd geredigeerd door Lajos Zilahy, de man die de ontmoeting had georganiseerd.
Toen bleek dat Gömbös in de praktijk netjes aan de leiband van Bethlen bleef lopen, trokken zij zich weer terug. En toen na de onverwachte dood van Gömbös de landsregering weer in handen kwam van mensen uit de traditionele elite, was de vrijage met de politiek definitief voorbij.

Hongaarse nazi’s

Het Hongarije van het interbellum kende naast de letterkundigen van de Volksbeweging een aantal auteurs, wier opvattingen een sterke verwantschap vertoonden met die van de volksen, maar die zich uitdrukkelijker baseerden op racistische theorieën uit het buitenland. Voor een deel ook behoorden ze tot een oudere generatie en waren het mensen die in de jaren ’20 tot de entourage van Gömbös hadden behoord.
Terwijl ‘ras’ in de Volksbeweging eerder een historische term was, hanteerden deze mensen een meer biologische definitie. Zij waren verder van mening dat de strijd tussen de rassen een strijd op leven en dood was, waarin alleen het recht van de sterkste gold.
Zij waren het met de volksen eens dat het land een sterke staat nodig had, die in het economisch leven moest ingrijpen, maar vonden anders dan de volksen dat een openlijke dictatuur daarvoor onmisbaar was. Anders, of in ieder geval uitdrukkelijker dan de volksen vonden zij dat Hongarije in het Karpatenbekken opnieuw een imperiale rol zou moeten gaan spelen.
De mythe van de Hongaarse superioriteit kon ook een uitgesproken racistische vorm krijgen. István Milotay, een man die in de jaren ’30 in het rechtse kamp als een belangrijk ideoloog gold, betoogde bijvoorbeeld dat het Hongarendom de vrucht was van een heel gelukkige wisselwerking tussen het Turkse en het Oegrische ras, waarin het heersende Turkse element zich door vermenging met het passievere, maar oudere Oegrische ras telkens weer had kunnen verjongen en versterken.

Net als de generatie van het fin-de-sičcle verwachtten ze nog altijd het aanbreken van een ‘nieuwe tijd’, het einde, zoals de antisemitische auteur Zoltán Bosnyák het formuleerde, van het joodse liberale, kapitalistische tijdperk en het begin van een nieuwe Europese orde gebaseerd op volkse solidariteit, racistisch denken en sociale rechtvaardigheid.
Eén van de eersten die deze gedachtengangen uitwerkte, was István Lendvai. Tegenover de vreemde stad was het dorp en de plattelandse wereld, vond hij, echt Hongaars. Om voor dat echt Hongaarse meer ruimte te maken was een dictatoriale staat nodig. Lendvai bewonderde Endre Ady als de man die het ook voor het echt Hongaarse had opgenomen.
István Milotay wees er in scherpe bewoordingen op dat de aristocratie een volledig parasitaire klasse was geworden, dat ze voornamelijk leefde van de tantičmes die ze van de joodse bankiers en ondernemers toegeschoven kreeg. Terwijl de aristocratie zelf haar greep op het landsbestuur volledig kwijt was, had ze wel verhinderd dat een jonge generatie Hongaarse intellectuelen en boeren een rol in de politiek kon gaan spelen. Ook de landadel had haar taak, leiding geven aan de beweging voor nationale onafhankelijkheid en het vormgeven aan democratisering op politiek en economisch gebied, niet waargemaakt. Aan het falen van de adel was het te danken dat het liberalisme was uitgelopen op een gigantische concentratie van kapitaal, op het ontstaan van trusts en op onderdrukking en uitbuiting door een plutocratische klasse.
Volgens Milotay werd dit onrechtvaardige systeem elders in Europa afgewisseld door een ‘nieuwe orde’ met een sterke staat en een geplande economie. Alleen in Hongarije heersten nog de verouderde liberale ideeën.
Voor Szálasi was het nationaal-socialisme het nieuwe systeem, dat het oude liberalisme onvermijdelijk zou opvolgen. Hetzelfde betoogde Ödön Málnási, die met Lenin van mening was dat het kapitalisme aan het begin van de 20ste eeuw zijn ‘laatste stadium’ had beleefd. In de maak was een systeem met economische regio’s. Eén daarvan was de Euro-Afrikaanse regio waarvan Hongarije deel zou gaan uitmaken en die onder Duitse leiding zou staan. Ondanks haar naam bleef de Volksbeweging vooral een beweging van stedelijke intellectuelen. Opvallend is, dat de betrokken schrijvers er in meerderheid tegen waren om een politieke partij op te richten en verder dat ze nauwelijks pogingen deden om de miljoenen boeren en landarbeiders, in wier naam zij zeiden op te treden, in hun activiteiten te betrekken. Het is niet overdreven om te stellen dat de Volksbeweging na de eerste jodenwet op de achtergrond raakte en dat haar rol werd overgenomen door de Hongaarse fascisten, die overigens voor hun politieke ideeën zwaar leunden op de Volksbeweging en de ‘rasbeschermers’.
Het belangrijkste verschil is misschien dat de fascisten uitdrukkelijker dan hun voorgangers ook een sociaal programma hadden. Ze bepleitte Szálasi een systeem van geleide economie met een corporatieve staat en speciale maatregelen ter bescherming van de positie van boeren en arbeiders, zoals recht van referendum, algemeen en geheim kiesrecht, kinderbijslag, pensioen, een hervorming van de gezondheidszorg en het onderwijs en het ter beschikking stellen van grond aan de boeren.
Zo werd dus na de Volksbeweging het Hongaarse fascisme de woordvoerder van een emancipatiebeweging die nog een vervolg was op de emancipatie- en vernieuwingsbeweging uit het fin-de-sičcle. Deze beweging had, zo stellen de auteurs van Magyarország története, ook een zeker succes. “Het is,” zo schrijft Lackó Miklós in een buitengewoon ingewikkelde en lange zin, “een tragische -en in zijn nawerkingen belangrijke- tegenstrijdigheid van dit tijdvak, dat het tot op zekere hoogte uiteenvallen van een maatschappelijke hiërarchie, die in het bewustzijn restanten bewaarde van de feodale vormen, de verhouding tussen heer en dienaar, en in die zin de modernisering van de Hongaarse samenleving voor het grootste gedeelte niet op aanstichten van democratische of socialistische stromingen, maar van het fascisme op gang kwam “(Magyarország története 1918-1919, 1919-1945, dl 2. Hajdu Tibor, Tilkovszky Loránt (red.), Budapest 1988, 818).

Links en het vaderland

Op cultureel gebied had de nederlaag van de radenrepubliek een enorme aderlating betekend. Avantgardistische kunstenaars en progressieve intellectuelen hadden het land massaal verlaten. Kunstenaars die het contact met de internationale avantgarde vasthielden, leidden een min of meer marginaal bestaan. Een jonge dichter als Attila József schreef eenzaam en onbegrepen surrealistische verzen en de jonggestorven schilder Gyula Derkovits (1894-1934) hield al even eenzaam de idealen van het vooroorlogse expressionisme hoog.
Bij intellectuelen, die zich in de jaren ’20 hadden gelaafd aan het radicalisme van de avant-garde in Wenen en vooral in Parijs, herleefde tegen het eind van dat decennium de hoop op een spoedige revolutie. Dat was trouwens een internationaal verschijnsel. De situatie in Duitsland, waar de republiek van Weimar onmiskenbaar op zijn laatste benen liep, werd algemeen als hoopgevend gezien en hetzelfde gold voor de situatie in Spanje, dat in het voorjaar van 1931 opeens een republiek werd.
Net als elders in Europa was er in Hongarije in het begin van de jaren ’30 onder intellectuelen en studenten opnieuw belangstelling voor het communisme. In deze periode kwamen mensen als Béla Szász (schrijver van het boek Minden kényszer nélkül), de leraar Frans László Rajk, die later na een schijnproces zou worden omgebracht, Pál Földes (1900-1975), directeur van een textielfabriek op het industrie-eiland Csepel en de latere partijleider János Kádár in de illegale communistische beweging terecht.
De opgehoopte sociale spanningen en de opgehoopte revolutie-verwachting ontlaadden zich in 1930 in een groot aantal demonstraties van werklozen overal in het land. Maar ook de grondwerkers en landarbeiders kwamen in de winter van 1929 op 1930 op tal van plekken in beweging. Hoogtepunt werd de geweldige demonstratie op 1 september 1930 in Boedapest. De betoging liep uit op straatgevechten met de gendarmerie en heel wat arrestaties. De betoging van 1930 was voor verschillende communistische emigranten aanleiding om illegaal terug te komen. De Komintern had in die tijd als officiëel standpunt dat de proletarische revolutie aanstaande was. Op het congres van de Hongaarse communistische partij dat ballingen in maart 1930 in de Sowjet-Unie wadden gehouden, was dat standpunt overgenomen. Onder de Hongaarse communisten die naar huis kwamen om de wedergeboorte van de radenrepubliek voor te bereiden en mee te maken waren Imre Sallai en de romancier Frigyes Karikás. In de actie- en stakingsgolf van april 1932 zetten zij hun beste beentje voor. Sallai zou er met zijn leven voor betalen. Hij behoorde tot de bestuurders van de communistische partij die in de zomer van 1932 werden opgepakt. Net als partijgenoot Sándor Fürst werd hij door een snelgerecht ter dood veroordeeld en ook onmiddellijk geëxecuteerd. Karikás werd ook opgepakt. Hij kwam er met drie jaar cel vanaf. Na zijn vrijlating zou hij naar de Sowjet-Unie vertrekken waar hij in 1942 in de gevangenis zou overlijden. In het najaar volgden massale arrestaties van de communistische partij en in 1933 werden opnieuw honderden mensen opgepakt. De rol van de communistische partij was met deze arrestaties voorlopig uitgespeeld.
Het wegebben van het revolutionaire tijd in het begin van de jaren ’30 en de ontwikkelingen in Duitsland dwongen diegenen die hun hoop op de wereldrevolutie hadden gesteld, tot een heroriëntatie. Zo ontstond ook in deze kringen het besef dat de tijd van het afbreken, de tijd van de revoluties voorbij was en dat de tijd van het opbouwen was aangebroken. Dit bracht met zich mee dat ook voor deze stroming het ‘vaderland’ in het vizier kwam. Eerder als ouderwets veronachtzaamd werd het nu waardevol genoeg om van te houden en om het te verdedigen.
De revolutionairen uit de beginjaren ’30 kwamen zo vanzelf dichter in de buurt van de volksen. Daarbij kwam, in een aantal gevallen althans, dat zij uit een gemeenschappelijke bron putten. Zo was de dichter Attila József, die in 1930 met de werklozen had meegedemonstreerd, sterk geďnspireerd door het Franse surrealisme. Maar hetzelfde gold voor Gyula Illyés, een leidende figuur in de Volksbeweging.

Voor de mensen van de Volksbeweging was etniciteit een politieke realiteit. Maar het besef dat er zoiets was als etnische bepaaldheid, was in het interbellum vrij algemeen. Met name mensen uit de vooroorlogse vernieuwingsbeweging als Oszkár Jászi, die zelf in het buitenland verbleef, maar die in Hongarije nog wel politieke vrienden had, benaderde de Volksbeweging positief. Zelf had hij al in een heel vroeg stadium betoogd, dat links de nationale kwestie op de agenda moest zetten. Imre Csécsy, redacteur van het radicale blad Századunk (onze eeuw), vond dat mensen als Ignotus en Hatvany stereotyp op deze beweging reageerden, van een getto-mentaliteit blijkgaven. Zelf gaf hij volkse auteurs als Péter Veres en Ferenc Erdei de gelegenheid om in zijn blad te publiceren. Nog in een brief uit 1939 aan Jászi nam hij het voor de volksbeweging op.
Maar ook Lajos Hatvany, die aanhoudend het mikpunt was van allerlei aanvallen van mensen als László Németh, deed zijn best om het nut van de Volksbeweging in te zien. Hij vond dat de volksbeweging eigenlijk de voortzetting was van de vooroorlogse socialistische pogingen en begreep maar niet waarom de volksen zich niet op die traditie beriepen.

Voor anderen was de Hongaarse taal het bewijs van het feit dat de Hongaren een geval apart waren. Dezső Kosztolányi betoogde in een essay uit 1930 dat het ‘nationale karakter’ van de Hongaren uit de Hongaarse taal kan worden afgelezen.

Ook in de kunst was er een levendige belangstelling voor het etnische. Voortrekkers waren Zoltán Kodály en Béla Bartók, die een schat aan etnische muziek verzamelden. Net als de mensen van de Volksbeweging zagen zij in de etnische tradities bouwstenen, in hun geval elementen voor de constructie van een nieuwe muziek. Maar het verschil tussen de twee componisten was wel groot. Voor Kodály was de volksmuziek de basis voor een nieuwe, echt-Hongaarse muziek, die op haar manier een bijdrage leverde aan de opbouw van het bolwerk Hongarije. Bartók keek veel breder. Hij onderzocht niet alleen de muziek van de Hongaarse boeren, maar ook die van de andere volken in het Karpatenbekken en was ook geďnteresseerd in de traditionele Turkse muziek. Voor zijn eigen muziek liet hij zich door de verschillende etnische tradities inspireren en hoewel hij er niet van hield om als musicus te politiseren, was hij wel van mening dat de volken van het Karpatenbekken als gelijkwaardige broeders moesten samenleven.
Meer in de lijn van Kodály lag het werk van de architect Károly Kós. Kós wilde op basis van Hongaarse architecturale tradities een bouwkunst ontwikkelen die tegelijk modern en echt-Hongaars was. Een heel andere achtergrond had het werk van bouwmeesters als József Fischer en Gábor Preisich (in1931 werden in de Napraforgó utca in Buda de eerste woningen in de stijl van het Bauhaus gebouwd), die in de jaren ’30 het constructivisme van het Bauhaus in Boedapest introduceerden. Maar interessant is dat ook zij wel sierelementen met een romantische, nationale achtergrond in hun werk toepasten.
Het voorbeeld van Bartók vond in de beeldende kunst navolging bij de schilders van Szentendre met Lajos Vajda (1908-1944) en Dezső Korniss (1908-1984), die elementen van verschillende etnische herkomst in hun werk combineerden. Deze schilders werkten aan een synthese van het naoorlogse surrealisme en het constructivisme en deelden dus de algemene opvatting dat etnische waarden bouwstenen konden zijn voor de 20ste-eeuwse samenleving.

Gyula Szekfű

Hoewel Gyula Szekfű in de jaren ’20 tot de kring van Bethlen behoorde, oefende hij met zijn geschriften grote invloed uit op de nieuwe nationalistische bewegingen in de jaren ’20 en ’30. Dat de liberale tijd een periode van neergang was geweest, dat de socialistische pogingen uit het begin van de 20ste eeuw daar het vervolg op waren en dat met de revoluties aan het eind van de eerste wereldoorlog het dieptepunt was bereikt, werd met name dankzij de publicaties van Szekfű in het naoorlogse Hongarije een algemeen aanvaard axioma.
Maar in het debat met de volksen keerde Szekfű toch enigszins op zijn schreden terug. Szekfű gruwde van het idee, dat hij, zoals de volksen adviseerden, als stedelijke intellectueel naar het platteland zou moeten gaan om daar allerlei boerenwijsheid op te snuiven. En dit bracht hem ertoe zijn oordeel over het liberalisme te matigen. Als stroming was het liberalisme, daar bleef hij bij, zijn crediet kwijt, maar toch was het de drager geweest van universele waarden, die hun geldigheid hadden behouden. “A múlt századi liberalizmus, mely nem tudta sem 1914-et, sem az azóta elkövetett szörnyűségeket megakadályozni, nem támasztható fel többé, mert már régen elvesztette nagy emberi és erkölcsi értékeit. Nekünk csak arra kell vigyáznunk, hogy ezeket az értékeket, melyek közösek minden tisztultabb szellemi iránnyal, tehát az emberi és szabadságjogokat s az emberszeretet kiragadjuk ebből a veszni induló világból s megkiséreljük az ő segítségükkel új alapok lerakását” (Szekfű Gyula, Forradalom után, Budapest 1947, oorspronkelijk een reeks artikelen gepubliceerd in 1943 en 1944). “We moeten ervoor zorgen dat we de waarden, die aan elke zuiverdere stroming gemeen zijn, dus de mensen- en vrijheidsrechten en de mensenliefde, dat we die uit deze ondergaande wereld redden en proberen met behulp daarvan nieuwe fundamenten te leggen.”
In plaats van af te dalen naar het niveau van de boeren moest de ‘Hongaarse burgerlijke klasse’ eerder het omgekeerde doen, namelijk de plattelanders tot haar culturele peil verheffen.
Als christelijk-nationaal politicus zag Szekfű ook niets in een vereenzelviging van ethnicum en natie. Het was, betoogde hij, een enorme fout te geloven ‘dat de Hongaarse staat geen andere inwoners nodig heeft dan die tot het Hongaarse volk behoren’. Toch raakte ook Szekfű zozeer onder de indruk van het volkse nationalisme dat hij in 1942 een synthese bepleitte van de hoge en de volkscultuur als basis voor de constructie van een ‘uniform nationaal karakter’ (Szekfű Gyula, Állam és nemzet, Budapest 1942). En hij bleek zelfs van mening dat in gevaarlijke tijden de ‘Hongaarse Hongaren’ de leidende rol moeten krijgen.
In de oorlogsjaren raakte Szekfű ervan overtuigd, dat de tijd van het Bethlen-regiem voorbij was, dat de heilige koeien uit de Bethlen-tijd, het grootgrondbezit en het grootkapitaal, hinderpalen waren geworden en dat volkse ideeën in de veranderingen die op handen waren, een belangrijke rol zouden spelen.

Het Maartfront

In de jaren tussen de twee wereldoorlogen zag de sociaal-democratie het als haar taak om voor de nieuw ontstane maatschappelijke situatie met een omvangrijke klasse van industrie-arbeiders in de politiek erkenning af te dwingen. Ze zag zichzelf vertegenwoordigster van die arbeidersklasse en vond dat het meer verlichte deel van de bourgeoisie, dat veelal ook nog van politieke macht verstoken was, een natuurlijke bondgenoot was. Dit gold ook voor de Hongaarse sociaal-democratie, al was die partij in de politieke constellatie van de jaren ’20 en ’30 nu eenmaal een outcast die hoofdzakelijk om buitenlands-politieke redenen werd getolereerd en die voor haar legale bestaan van het regiem afhankelijk was.
De communistische partij leidde een illegaal bestaan en stond gedurende de gehele periode aan vervolgingen bloot. In de communistische internationale was de nationale kwestie in het interbellum taboe, behalve in de Sowjet-Unie waar de revolutie en het nationale belang geacht werden samen te vallen. Communistische partijen in West-Europa kwamen daardoor in de vervelende positie het belang te steunen van een andere natie. Ze moesten een onverzoenlijke oppositie voeren tegen de respectievelijke landsregeringen en ook tegen de sociaal-democratie, die ook waar ze geen deel uitmaakte van de regering, een nationale beweging was geworden. In 1936 veranderde dat. De communistische partijen kregen tot taak bij te dragen aan de vorming van nationale ‘volksfronten’, die verzet moesten bieden tegen een eventuele imperialistische koers in hun eigen land en die het op moesten nemen voor de nationale soevereiniteit met name tegenover Duitsland.
In Hongarije leidde dit ertoe dat de illegale communistische partij, die sinds het begin van de jaren ’30 weer over enige aanhang beschikte, contact legde met de Volksbeweging. In het overleg werd ook de sociaal-democratie, waarin trouwens heel wat communisten actief waren, betrokken. Zo ontstond in 1937 het Márciusi Front. De deelnemende partijen werden het eens over een programma (gepubliceerd op 15 maart van dat jaar) waarvan de invoering van algemeen en geheim kiesrecht en onteigening van het grondbezit boven de 500 hold de belangrijkste punten waren. Het front organiseerde in de zomer van 1937 een conferentie, waar het ontwikkelen van goede betrekkingen met de buurvolken centraal stond.
De samenwerking binnen het maartfront bleek echter van korte duur. Onder invloed van de nationalistische euforie die zich met de gebiedsuitbreiding van 1938 van Hongarije meester maakte, schoof de Volksbeweging in de richting van de regering op. De spanningen die daardoor binnen de Volksbeweging ontstonden, leidden niet tot nieuwe samenwerking binnen een gemeenschappelijk front, maar tot de afscheiding, in 1939, van een aantal volksen die onder aanvoering van Ferenc Erdei de Nemzeti Parasztpárt, de Nationale Boerenpartij, oprichtten.

Joden en Duitsers buiten de natie

Volgens de ‘christelijk-nationale’ ideologie die het Bethlen-regiem na de eerste wereldoorlog introduceerde, waren de joden tweederangs burgers. Het antisemitisme van het regiem had allereerst een buitenlands-politieke strekking. Mensen als Pál Teleki waren ervan overtuigd, dat de verkleining van het koninkrijk te danken was aan machinaties van het internationale joodse financierskapitaal en zij meenden dat ze druk konden uitoefenen door de Hongaarse joodse bevolking als gijzelaar te gebruiken. Het antisemitisme van het regiem richtte zich verder vooral tegen de joodse progressieve intelligentsia, die verantwoordelijk werd gehouden voor de radenrepubliek.
Het antisemitisme van de ‘rasbeschermers’, de vertegenwoordigers van het naoorlogse ethnische nationalisme, ging veel verder. Ook zij richtten hun pijlen vooral op het joodse financierskapitaal en de joodse intelligentsia. Ze keerden zich tegen de aanpassing van de numerus-claususwet en bleven beperking van het aantal joodse studenten eisen. Zo betoogde Endre Bajcsy-Zsilinszky nog in 1930, dat 80 procent van de studenten aan de hogescholen uit ‘ras-Hongaren’ zou moeten bestaan. Hun politieke doel was een ‘wisseling van de wacht’, zoals het heette, het ten val brengen van het Bethlen-regiem en het onttronen van de traditionele elite. Maar als etnische nationalisten zagen zij uiteindelijk in alle joden vijanden van de natie.
Hoewel de antisemitische stemming aan de instellingen voor hoger onderwijs met zich meebracht dat het aandeel van de joodse bevolkingsgroep in het totaal van de studenten aan die instellingen veel lager lag dan voor de eerste wereldoorlog het geval was geweest en hoewel joden ook uit overheidsbanen en uit het officierskorps werden geweerd, was er na de aanpassing van de numerus-claususwet formeel weer sprake van rechtsgelijkheid voor de joodse bevolking. Voor antijoodse maatregelen, waarop niet alleen de rasbeschermers, maar ook de schrijvers van de Volksbeweging, de Kisgazdapárt en de Hongaarse nazi’s aandrongen, was het regiem na het debacle van de numerus-claususwet niet te vinden. Dat veranderde ook niet, toen Gyula Gömbös regeringsleider werd. Pas toen de coalitie van Hongarije met Hitler-Duitsland vorm kreeg, ging het regiem om, al probeerde men de antijoodse wetgeving toch zo vorm te geven dat de samenwerking tussen het regiem en de joodse bankiers niet werd verbroken. Mede om die reden werd er in de jodenwet van 1938 een uitzondering gemaakt voor joden, die tot het christendom waren overgegaan.
Met de eerste jodenwet nam Hongarije officiëel afscheid van het principe van rechtsgelijkheid. Voor de vrije beroepen werd een beperking van kracht. Joden mochten maximaal 20 procent vormen van de beoefenaren van de gestudeerde beroepen. Ook bij de beambten in het bedrijfsleven moest het percentage volgens deze wet terug naar 20. In die tijd was volgens een schatting bijna de helft van de beambten in het bedrijfsleven van joodse afkomst. De wet, die leidde tot de uittocht van enkele duizenden intellectuelen, werd van kracht werd op het moment dat in Boedapest een internationaal rooms-katholiek congres (het z.g. Eucharistische Congres, 25-28 mei 1938) werd gehouden. Onder de deelnemers was de latere paus Pius XII.
Een volgende jodenwet, uit 1939, schreef een beperking voor van het percentage joodse beoefenaren van vrije beroepen en beambten bij bedrijven tot zes. Ten gevolge van deze wetten verloren, volgens een schatting, zo’n 25 duizend mensen hun baan.
Tegelijk met de eerste jodenwet kreeg Hongarije een antisemitische perswet. De wet verplichtte journalisten en uitgevers om lid te worden van een z.g. perskamer. De regering gebruikte deze bepaling om als joods gekwalificeerde bladen het voortbestaan en joodse journalisten het werken onmogelijk te maken. Zo waren er eind april 1939 1232 journalisten toegelaten als lid van de kamer. 1863 aanvragen waren afgewezen. De perswet maakte niet alleen een einde aan joodse tijdschriften en publicaties. Ook het toonaangevende literaire tijdschrift Nyugat bijvoorbeeld hield op te verschijnen.
Nieuwe jodenwetten volgden tijdens de oorlog. In 1941 werd het gemengde huwelijk verboden en het jaar daarop verloor het joodse geloof de status van erkend geloof. Een wet uit 1942 bepaalde verder de onteigening van het grondbezit van joden.

Dat de joodse financiële elite zoveel mogelijk gespaard bleef, ontging de antisemieten niet. Zo maakte een antisemitische auteur als Zoltán Bosnyák zich nog in 1940 kwaad over het feit dat er nog altijd zoveel vooraanstaande Hongaren broederlijk samen met de joodse bankiers in de directies van de banken zaten. De derde jodenwet van 1941 met het verbod op gemengde huwelijken beoordeelde hij positief, maar tegelijkertijd stelde hij bitter vast, dat de positie van de ‘joodse plutocratie’ nog altijd ongebroken was. Het vermogen van deze plutocratie, bedrijven, land en onroerend goed, moest, zo betoogde hij, in ‘nationaal gemeenschappelijk bezit’ komen.
Hoewel dus de Hongaarse nazi’s op de jodenwet van 1938 heel wat aan te merken hadden, was de invloed ervan op de sfeer in het land enorm. Als de golf van pogroms in Duitsland en Oostenrijk het begin was van een fascistische revolutie, dan leek Hongarije daarbij nu aan te haken. Ook op het leven van de joodse bevolking had de wet een grote invloed. Joden begonnen het bezoeken van openbare gelegenheden te mijden, ook het aantal joodse studenten aan instellingen van hoger onderwijs liep terug. Racistisch denken –door deze wet gelegitimeerd- verbreidde zich door de Hongaarse samenleving, ook onder de traditionele elite. Iemand als Pál Teleki bijvoorbeeld, die in de jaren ’20 de joden nog had gezien als ‘nationaliteit’, beschreef ze in de jaren ’30 als een ‘ras’, dat anders dan de nationale minderheden in Hongarije geen deel had aan de ‘Europese levensgemeenschap’.
De internationale politieke successen van Hitler, de Kristallnacht en de Hongaarse jodenwet schiepen een klimaat waarin het Hongaarse fascisme tot een massabeweging kon uitgroeien. De sfeer in de hoofdstad was in die jaren voor velen niet te verdragen. In Hongarije, schreef de componist Béla Bartók (1881-1945) in 1938, “zijn ‘beschaafde’ christelijke mensen helaas bijna zonder uitzondering voorstanders van het nazi-systeem.” In 1940 vertrok Bartók uiteindelijk walgend naar Amerika.
Deze ontwikkeling werd nog in de hand gewerkt door het feit, dat de oorlogsvoorbereiding in Duitsland grote invloed had op de Hongaarse economie. Tegen het eind van de jaren ’30 was Duitsland de belangrijkste handelspartner van Hongarije. Al met al kreeg het Duitse nazi-regiem steeds meer greep op het land.
Zo waren de joden, in de tijd van de Dubbelmonarchie geďntegreerde medeburgers, vijanden van de natie geworden: kapitalistische uitvreters die de arme Hongaar onderdrukten en tegelijk duivelse bolsjewieken die het Hongaarse ‘christelijk-nationale’ spruitjesgevoel ondermijnden. Met het uitbreken van de oorlog kreeg het Hongaarse antisemitisme een moorddadige wending. Joodse jongeren werden wel opgeroepen voor militaire dienst, maar ze werden in ongewapende eenheden ondergebracht. Vooral in het begin van de oorlog zijn veel mensen in deze Arbeidsdienst doodgemarteld. De situatie verbeterde, toen minister van defensie Károly Bartha op 24 september 1942 vervangen werd door Vilmos Nagy, al bleef de Arbeidsdienst wel bestaan.
De joden uit de Karpaten-Oekraďne werden in augustus 1941, 18.000 personen sterk, naar de Oekraďne gedeporteerd, waar verreweg de meesten door de SS werden vermoord. Zo ontstond het klimaat waarin de nazi’s ook in Hongarije uiteindelijk het grootste deel van de joodse bevolking konden ombrengen.

Na de joden raakten ook de Duitse Hongaren, binnen de grenzen van 1920 zo’n 500 duizend in getal, buiten de natie. Om Hitler te vriend te houden gaf Hongarije de nazi’s de gelegenheid om de Duitstalige Hongaren als onderdeel van de Duitse ‘volksgemeenschap’ in een aparte Volksbund te organiseren. De Volksbund werd op 26 november 1938, een paar weken na de z.g. eerste Weense beslissing, opgericht.
Al in de tijd van de Dubbelmonarchie waren de verschillende nationaliteiten verschillend ingeschat en behandeld. Roemenen, Slowaken en Serven golden als inferieur en moesten zich een min of meer gedwongen verhongaarsing laten welgevallen. In het geval van de Duitsers, vaak welgestelde boeren of zakenlui, lag dat anders. Zij werden vaak gezien als ‘eigenlijk’ Hongaren, ‘Hongaars-voelend’, zoals Mihály Károlyi dat aan het begin van de eeuw eens had uitgedrukt. Dat ze niet tot de Hongaarse natie hoorden, maar deel uitmaakten van een ander volk, was een gedachte die pas na de eerste wereldoorlog opkwam. Eigenlijk stegen ze daarmee nog een stapje op de ranglijst. Want in hun feilloze gevoel voor hiërarchie vonden de Hongaren de Duitsers een nog superieurder volk dan zichzelf. Een gevolg daarvan was dat het Hongaarse nationale superioriteitsgevoel zich in zijn gekwetstheid ook tegen de inheemse Duitsers keerde. Zij werden volkomen ten onrechte afgeschilderd als een expansieve bevolkingsgroep die bezig was het land te verduitsen en de Hongaarse natie te verstikken. Het officiële pro-Duitse beleid van Horthy en deze akelige anti-Duitse houding, die vooral door de Volksbeweging werd verbreid, droegen er samen toe bij dat ook de Duitsers apart kwamen te staan.
De vermeende Duitse ‘expansie’ werd gesitueerd in West-Hongarije en in de streek rond Pécs. Een van de belangrijkste vertegenwoordigers van deze opvatting was Gyula Illyés, een literator die door Hongarijes literaire grand old man Mihály Babits min of meer als zijn kroonprins naar voren was geschoven. In een debat over dit thema in de kolommen van het literaire tijdschrift Nyugat in 1933 noemde hij het Duitse gevaar een extra argument voor afschaffing van het grootgrondbezit. Daardoor zouden de Hongaarse dagloners namelijk een nieuwe, krachtige boerenstand worden. Ook Babits zelf riep ach en wee over het afnemen van de Hongaarse bevolking. Als daar niets aan zou gebeuren, zou het, meende hij, ‘binnen niet al te lange tijd afgelopen zijn met de Hongaren’.
Pogingen vanuit Duitsland om de in Hongarije woonachtige Duitsers op de een of andere manier aan Duitsland te binden -de eerste dateerden nog uit de tijd van de Weimar-republiek- werden in de Volksbeweging, maar ook door de regering met argwaan gevolgd. Hetzelfde gold voor organisaties van Duitsers in Hongarije, waarin de inter-Duitse solidariteit een hogere prioriteit kreeg dan de loyaliteit aan de Hongaarse natie. Hitler wist echter de Hongaarse regering telkens weer voldoende onder druk te zetten om maatregelen tegen nazi-vriendelijke organisaties te voorkomen. Hij deed dat met name door Hongarije gebiedsherstel te beloven. Zo werd in 1937 de leider van zo’n beweging, de Volksdeutsche Kameradschaft, op Duits aandringen in vrijheid gesteld en bleven de geplande maatregelen tegen die organisatie uit, toen Hitler beloofde dat Hongarije een deel van Slowakije zou mogen annexeren. Soortgelijke touwtrekkerij deed zich voor rond de Volksbund, die in november 1938 door de regering werd toegelaten en die uiteindelijk een ware staat in de staat werd. In de oorlogsjaren beschikte deze nazistische organisatie over tientallen eigen lagere scholen en zelfs over twee gymnasia (in Boedapest en Pécs). De Volksbund had ook een eigen paramilitaire arm, de Deutsche Mannschaft, een eigen jeugdbeweging, de Deutsche Jugend en een Deutsche Volkshilfe, die zich op sociaal gebied bewoog.
De Hongaarse regering voelde zich gedwongen dit alles toe te staan. Antifascistische Duitse Hongaren zetten in de tweede helft van 1942 een tegenbeweging op touw, de z.g. Hűség mozgalom (Treuebewegung), maar veel invloed kreeg die niet.
De gedachte dat de Duitsers, op zijn minst diegenen die zich deelgenoot voelden van de Duitse natie, vroeg of laat zouden opkrassen, speelde al sinds het begin van de oorlog een rol. Hitler had namelijk laten weten, dat hij de in Hongarije woonachtige Duitsers wilde gebruiken om Polen te verduitsen. In regeringskring ging men ervan uit dat Hongarije op die manier vroeg of laat dus de in de Volksbund georganiseerde Duitsers wel kwijt zou raken. Dit werd op den duur ook een argument om de Volksbund maar te laten begaan en om ook de SS toe te staan onder de in Hongarije wonende Duitsers te recruteren. Dit gebeurde aanvankelijk op basis van vrijwilligheid, maar toen dat niet voldoende succes had, onder dwang. Zo leverde Hongarije haar Duitse bevolking uit aan de nazi’s en op den duur zelfs aan de SS. Nog in de zomer van 1942 gaf minister-president Kállay de Duitsers toestemming om nogeens 10.000 Duitse Hongaren te recruteren voor de Waffen SS.
De annexatie, eerst van Noord-Erdély en later van de Bácska (Joegoslavië), droeg er belangrijk toe bij dat de Duitstalige bevolking van Hongarije onder invloed van de nazi’s raakte. Onder de Duitse bevolking van Erdély en de Bácska was het Duitse nationale bewustzijn altijd sterker geweest dan onder de de Duitstalige inwoners van klein-Hongarije. In de jaren ’30 en ’40 was onder hen ook de nazi-invloed sterker.

Met Hitler de oorlog in

Hoewel Bethlen verbazend weinig belangstelling voor economie had en er zich als politiek leider ook niet mee leek te willen bemoeien, had de consolidatie ook een economische kant gehad: het herstel van de Hongaarse economie in de tweede helft van de jaren ’20. Dat herstel was in belangrijke mate te danken geweest aan het herstel van de graanconjunctuur, waardoor de Hongaarse economie nog één keer kon schitteren in haar traditionele rol van exporteur van graan en meel. Toen de wereldcrisis zich echter in 1931 in Centraal-Europa ging manifesteren en de graanprijzen kelderden, viel deze pijler onder de landseconomie weg. De landbouwcrisis van de jaren ’30 kwam in Hongarije veel harder aan dan de landbouwcrisis van de jaren ’80 van de 19de eeuw in de eerste plaats omdat de productiviteit van de Hongaarse graansector in die tijd ongeveer lag op het peil van die van Amerika en verder omdat er in de jaren ’80 mogelijkheden waren om uit te wijken naar andere landbouwprodukten. In de jaren ’30 werden alle sectoren van de landbouw door de crisis getroffen en deed die mogelijkheid zich dus niet voor. De crisis trof niet alleen het grootgrondbezit en de grote graanproducerende bedrijven, maar ook veel kleinere boeren en de landarbeiders. Boeren die hun schulden niet meer konden betalen, raakten hun land kwijt. Jaarlijks kwam het bezit van duidenden boeren onder de hamer.
In de industrie was het beeld wisselend. Mede dankzij de tolpolitiek kwam de lichte industrie en vooral de textielindustrie de crisis goed door, maar door het wegvallen van investeringen in de verschillende bedrijfstakken kwam de crisis in de zware industrie hard aan. Het dieptepunt van de recessie werd in 1932 bereikt. Door de crisis werden danook niet alleen de boeren en landarbeiders, maar ook de arbeiders in de industrie ernstig getroffen. Eind 1932 stonden in Boedapest 67 474 noodlijdende gezinnen geregistreerd. Maar de werkellijke situatie was nog veel ernstiger. Volgens een schatting leefde een kwart van de bevolking van de hoofdstad van steunuitkeringen, giften en gratis maaltijden.
Op het platteland was al in 1930 de glans van Bethlens consolidatie af. Dat bleek uit het feit, dat er voor het eerst na de opheffing van de Kisgazdapárt verschillende initiatieven waren om te komen tot een speciale plattelandspartij. De Független Kisgazda, Földműves és Polgári Agrárpárt, die op het eind van dat jaar tot stand kwam, bleek weldra overal in het land populair. Bij de verkiezingen van juni 1931 kwam deze nieuwe partij met 12 vertegenwoordigers in het parlement. De sociaal-democraten bleven op 14 zetels staan, maar het aantal stemmen op de sociaal-democratische partij steeg wel flink, zowel op het platteland, in de districten waar mondeling gestemd werd, alsook in Boedapest en omgeving, waar zij de grootste partij werd. Kenmerkend voor de verkiezingen was verder dat het aantal niet-partijgebonden volksvertegenwoordigers van 6 naar 20 steeg en dat ook een aantal nieuwe mini-partijen hun intree deden in het parlement. Onder die mini’s was de Nemzeti Radikális Párt van Endre Bajcsy-Zsilinszky, die zo na lange jaren weer in het parlement terugkeerde.

De grote problemen die zich in de landseconomie voordeden en het feit dat Bethlen daar geen enkel antwoord op had, brachten zijn positie aan het wankelen. Er kwam, hoewel Bethlen en Horthy dat nog niet inzagen, feitelijk een eind aan de periode van de consolidatie. Ongerust over de oplopende spanning in het land dwong Horthy Bethlen in augustus 1931 plaats te maken voor Gyula Károlyi, de man die zichzelf ooit tot minister-president had gebombardeerd van een contrarevolutionaire regering. Károlyi, die in het tijdvak Bethlen geen enkele rol had gespeeld in de Hongaarse politiek, behoorde tot de intimi van Horthy. Tot de eerste regeerdaden van Károlyi behoorde de invoering eind september van het standrecht en de beperking van het recht van vergadering, iets wat Bethlen ondanks de uitdrukkelijke wens van Horthy nog geweigerd had. Eind 1931 kwam ook een eind aan de godsvrede met de sociaal-democraten en kregen lokale autoriteiten de opdracht hard op te treden tegen pogingen van deze partij om op het platteland een organisatie op touw te zetten. Maar hoewel Horthy blijkbaar wonderen verwachtte van deze harde aanpak, slaagde ook Károlyi er niet in om de sfeer te bedaren.
In 1932, nadat een door de sociaal-democratische partij voor 7 april georganiseerde actie voor algemeen en geheim kiesrecht en voor vrijheid van vereniging en vergadering op een landelijke golf van protest was uitgelopen, greep Horthy naar het volgende wondermiddel: Károlyi moest plaatsmaken voor Gömbös. De benoeming van Gömbös tot minister-president was een boodschap gericht aan het adres van de opstandige arbeiders, maar tegelijk ook een poging om de etnisch-nationalistische oppositie tevreden te stellen. Horthy en Bethlen, die intussen in de oppositiebanken had plaatsgenomen, gingen ervan uit dat Gömbös’ minister-presidentschap niet meer zou worden dan een kortstondig intermezzo en dat politici uit de elite het roer weer zouden overnemen, als de rust zou zijn hersteld. Zij kregen daarin ook wel gelijk, al had dat vooral te maken met het onverwachte overlijden van Gömbös. Resultaat van de Gömbös-periode was dat de communistische partij praktisch werd uitgeschakeld en dat ook de sociaal-democratie aan invloed verloor, maar tegelijkertijd nam het belang van de etnisch-nationalistische stroming sterk toe.
Het aantreden van Gömbös als minister-president leidde tot euforie in het etnisch-nationalistische kamp. In die hoek verwachtte men, dat nu eindelijk het etnisch-nationalistische programma -landhervorming, maatregelen tegen de joodse bevolking en staatsinvloed op het economisch leven- tot uitvoering zou komen. De samenstelling van de regering-Gömbös, waarin voor het eerst geen aristocraten zaten, maar wel een ‘’volkse’’ theoreticus als Bálint Hóman, werkte die euforie ook in de hand. Voor zijn benoeming had Gömbös echter allerlei voorwaarden geaccepteerd. Dit bleek al direct bij zijn ambtsaanvaarding, toen hij tot stomme verbazing van vriend en tegenstander verklaarde joden die zich vereenzelvigden met de Hongaarse natie als patriotten te aanvaarden en duidelijk maakte dat van hem geen antijoodse maatregelen te verwachten waren.
Dat de met Bethlen gemaakte afspraken voor Gömbös het karakter hadden van een tijdelijke wapenstilstand, werd in 1935 duidelijk. Begin van dat jaar zette Gömbös in alle openlijkheid de aanval op Bethlen in. Hij werd daarbij gesteund door Tibor Eckhardt van de Kisgazdapárt. Eén en ander leidde tot het vertrek van Bethlen uit de regerende Nationale Eenheids Partij. Met als doel het parlement te zuiveren van aanhangers van Bethlen schreef Gömbös voor april 1935 verkiezingen uit. De verkiezingen die in een sfeer van corruptie, bedreigingen en geweld plaatsvonden, leidden ertoe dat in de 170-koppige fractie van de Eenheidspartij maar liefst 98 nieuwelingen verschenen. Zo werden na het aan de macht komen van Gömbös deze verkiezingen een nieuwe etappe in de ‘’wisseling van de wacht’’, zoals het in die tijd heette, het aan de macht komen van een nieuwe politieke garde.
Hoewel hij de opvatting was toegedaan, dat een herschikking van de grenzen in Midden-Europa alleen van Duitsland verwacht kon worden, was Bethlen de architect geweest van de oriëntatie op Italië. Gömbös stond op hetzelfde standpunt, maar koos om die reden, en dat ongetwijfeld met medeweten en instemming van Horthy, voor een oriëntatie op Duitsland. Al op 17 juni 1933 was Gömbös in Berlijn om er als eerste Europese regeringsleider de kersverse rijkskanselier Adolf Hitler op te zoeken. De belangstelling voor Duitsland als partner nam nog toe toen Italië eind 1934 met Frankrijk afsprak dat er in het kader van de Volkenbond een z.g. Donaupakt moest komen. In het kader daarvan zouden de uit de Donau-monarchie voortgekomen landen moeten beloven zich niet in te mengen in elkaars binnenlandse aangelegenheden en zich niet te bezondigen aan propaganda gericht tegen de territoriale integriteit van een land. Voor Gömbös, die net een brief naar Berlijn had gepost met een voorstel voor Duits-Hongaarse samenwerking met betrekking tot Tsjechoslowakije, was dit, naar hij Mussolini ook direct officiëel meedeelde, onaanvaardbaar.
Ondertussen gebruikte Gömbös de internationale contacten ook om de exportmogelijkheden voor landbouwprodukten te vergroten. Met name richting Oostenrijk en Duitsland lukte dit ook, richting Duitsland zelfs zo goed dat dat land halverwege de jaren ’30 de belangrijkste handelspartner van Hongarije was.
In de nazitop vielen de Hongaarse avances in goede aarde. En zo besloot Göring om op zijn huwelijksreis in het voorjaar van 1935 Boedapest aan te doen. Oktober 1935 was Gömbös op zijn beurt in Berlijn. Aan de orde kwam bij die gelegenheid de verbetering van de relaties tussen Hongarije en Joegoslavië, een wens van de nazi’s, de Anschluss van Oostenrijk en de politieke situatie in Hongarije zelf.
September 1936 vertrok Gömbös voor behandeling naar een ziekenhuis in München, waar hij op 6 oktober overleed. Gömbös werd opgebaard in de Münchener Residenz, waar Hitler hem persoonlijk de laatste eer kwam bewijzen. In de rouwstout, die de baar volgde van het Beierse koninklijke paleis naar het station, liepen Hermann Göring en de Duitse minister van buitenlandse zaken Neurath mee. Voor de begrafenis kwam Göring naar Boedapest over.
Nog in datzelfde jaar trouwens reisde Horthy zelf naar Berchtesgaden voor een officieuze ontmoeting met Hitler en in 1938 bracht Horthy in het gezelschap van de ministers van buitenlandse zaken en van defensie een officiëel bezoek aan de Führer.

De jaren onmiddellijk na de dood van Gömbös, 1936 en 1937, vormen een spannende en tot op zekere hoogte ook wel hoopvolle periode. Onder de schrijvers van de Volksbeweging kwam er in die jaren een heroriëntatie op gang. In de Komintern deed zich de koerswijziging naar de volksfront-politiek voor en ook in Hongarije leek een bundeling van krachten op een democratisch programma mogelijk. Ook de sociaal-democratie herstelde zich van de Gömbös-jaren. Voor het eerst sinds de moeilijke crisisjaren was er bij de vakbonden sprake van een flinke stijging van het aantal leden. Ook het aantal leden van de sociaal-democratische partij en het aantal abonnees op het sociaal-democratische dagblad, de Népszava, steeg in deze jaren. In 1936 was er voor het eerst sinds het begin van de jaren ’30 weer een omvangrijke stakingsbeweging. De stakingen duurden tot in de eerste maanden van 1937 voort. Het meest spectaculair was de staking van de mijnwerkers uit de streek rond Pécs. De gendarmerie viel uiteindelijk de mijnwerkersvrouwen aan die een solidariteitsdemonstratie hielden en wist de staking zo te breken.
Na de dood van Gömbös kwamen de Hongaarse regeringsleiders weer uit de kring van de traditionele elite. Maar binnen de regerende Eenheidspartij was er een belangrijke vleugel die in de lijn van Gömbös door wilde gaan. In het spannende jaar 1937, toen studenten in Boedapest en elders opnieuw felle antisemitische acties voerden, werd binnen de Eenheidspartij een gewapende staatsgreep voorbereid. De putschisten-in-spé hadden daarbij naar weldra bleek de hulp van Duitsland of in ieder geval van de Duitse ambassade. Met een reeks demonstraties wisten de samenwerkende oppositiepartijen, de Kisgazdapárt, de sociaal-democratische partij, de Nationaal Democratische Partij van Vilmos Vázsonyi en de Verenigde Christelijke Partij, te bewerkstelligen dat de putsch van de agenda verdween. Volgens waarnemers speelde ook Horthy in die tijd met de gedachte om van Hongarije een soort nazi-staat te maken, uiteraard onder zijn eigen führerschap. Zijn aristocratische vrienden, István Bethlen, Gyula Károlyi, Pál Teleki en Móric Esterházy, hielden hem van de verwezenlijking van dat idee af. Wel werd in 1937 een wet van kracht, die de regent het recht gaf om wetsvoorstellen die in het parlement zouden worden aanvaard, eventueel tot twee keer toe terug te verwijzen. Bovendien kon de regent het parlement desgewenst ontbinden. Dezelfde wet gaf Horthy ook het recht een opvolger aan te bevelen.

In de internationale arena deden zich in 1937 ontwikkelingen voor die de positie van Duitsland belangrijk versterkten. Zo legden Mussolini en Hitler hun meningsverschillen bij. November 1937 trad Italië toe tot het Antikomintern Pakt. In diezelfde maand was de Britse minister van buitenlandse zaken Lord Halifax in Duitsland om Hitler duidelijk te maken dat hij in Midden-Europa. zijn gang kon gaan.
Nog in november waren minister-president Kálmán Darányi en minister van buitenlandse zaken Kánya in Duitsland voor onderhandelingen met Göring. Met de besprekingen wilden de nazi’s bereiken dat Hongarije de Anschluss van Oostenrijk zou accepteren en verder dat het land een rol als medeplichtige op zich zou nemen bij de aanstaande afrekening met Tsjechoslowakije. De nazi’s gingen er vanuit dat Hongaarse troepen, als het eenmaal zover was, het zuiden van Slowakije zouden binnentrekken. Göring gaf de Hongaren tegelijkertijd te verstaan dat er voorlopig geen sprake kon zijn van gebiedsuitbreiding richting Roemenië of Joegoslavië. Naar aanleiding van deze besprekingen stuurde Horthy Hitler nog in december een brief, waarin hij zich akkoord verklaarde met de Anschluss van Oostenrijk. In afwachting van de militaire activiteiten maakte Darányi in het voorjaar van 1938 een omvangrijk bewapeningsprogramma bekend.
In augustus, vlak voor München, kwam de kwestie opnieuw ter sprake tijdens een bezoek dat Horthy Hitler bracht. In overeenstemming met de bij die gelegenheid gemaakte afspraken eiste Hongarije op 22 september van Tsjechoslowakije opeens de overdracht van de door etnische Hongaren bewoonde gebieden en verder autonomie voor Slowakije en de Karpaten-Oekraďne. Het akkoord van München (29 september 1938) dat Hitler de vrije hand in Tsjechoslowakije gaf, bepaalde dat Boedapest en Praag binnen twee maanden met een oplossing voor hun grensconflict moesten komen. Op 14 oktober 1938 reisde Darányi naar Duitsland om er Hitler toestemming te vragen voor een militaire actie. Het Hongaarse leger zou de door etnische Hongaren bewoonde gebieden bezetten en tegelijk de annexatie van Slowakije en de Karpaten-Oekraďne afdwingen. In ruil voor de toestemming van Duitsland beloofde Darányi onder meer dat Hongarije zou toetreden tot het Antikomintern pakt en tegelijk de Volkenbond vaarwel zou zeggen.
In München was bepaald dat de daar aanwezige partijen bij het uitblijven van een compromis tussen Tsjechoslowakije en Hongarije de knoop zouden doorhakken. Ruim voor de termijn van twee maanden voorbij was, wierpen echter twee van de ondertekenaars, Duitsland en Italië, zich als scheidsrechters op en bepaalden op 2 november 1938, dat de in meerderheid door Hongaren bewoonde grensstrook van Slowakije weer bij Hongarije zou gaan horen. Admiraal Horthy besteeg zijn schimmel en reed op 6 november over de nadien afgebroken Donau-brug bij Komárom triomfantelijk naar de overkant.
Bij het zo geannexeerde gebied behoorden ook de door Hongaren bewoonde streken in de Karpaten-Oekraďne (met Uzhorod, Beregovo en Mukacevo). De generaals hadden het liefst ook de Roethenen weer onder Hongaars gezag gebracht, maar dat werd door Hitler uitdrukkelijk verboden. De troepen die klaar stonden om de bezetting uit te voeren, moesten eind november de kazernes weer ingecommandeerd worden.
Toen Hongarije in februari 1939 (Pál Teleki was net opnieuw minister-president geworden) tot het Antikomintern-pakt toetrad, kreeg het alsnog toestemming om de Karpaten-Oekraďne te annexeren. Hitler had opnieuw een medeplichtige nodig. Terwijl Duitse troepen Praag bezetten, stak het Hongaarse leger op 14 maart bij Munkács en Ungvár de grens over om de Karpaten-Oekraďne te bezetten.

De jodenwet van 1938 en de annexatie van het noordelijke grensgebied hadden grote invloed op het politieke klimaat in het land. De pogingen om tot een Hongaars volksfront te komen leden in de nieuwe omstandigheden schipbreuk en de nazipartijen kregen de wind in de zeilen. Hongarije kende halverwege de jaren ’30 verschillende nazi-partijen en groepjes. De belangrijkste nazipartij was die van Ferenc Szálasi. Een gevolg van de Hongaars-Duitse vriendschap was, dat Szálasi, toen hij in 1937 na een gevangenisstraf van een half jaar vrij kwam, ongehinderd zijn gang kon gaan. Via Árpád Taby, een hoge militair die om zijn leidende rol in de partij van Szálasi met pensioen was gestuurd, onderhield Horthy het contact met Szálasi.
Ook in de sociaal-democratische partij werd de annexatie van Zuid-Slowakije warm begroet. Alleen de illegale communistische partij wees op de gevaren van het bondgenootschap met Duitsland, maar dat geluid vond amper weerklank. Hoewel de instemming van de sociaal-democratische partij onder meer was ingegeven door de vrees dat de partij anders als onvaderlands in de hoek gezet zou worden, nam de Hongaarse regering nog voor het eind van het jaar 1938 nieuwe maatregelen tegen de sociaal-democratische partij. Als gevolg daarvan hield een groot aantal sociaal-democratische en vakbondsbladen op te verschijnen. De partijkrant Népszava kreeg een verbod van een maand aan zijn broek, omdat het blad zich (met een artikel van Illés Mónus) gekeerd had tegen de tweede jodenwet. Wat later, in 1939, kwamen de vakbonden onder controle te staan van een regeringscomissaris.
Bij de verkiezingen van 1939 bleek hoezeer de stemming in het land veranderd was. De sociaal-democratische partij leed een zware nederlaag (het aantal parlementszetels viel terug van 11 naar 5) en de fascistische partijen boekten een enorme winst (een miljoen stemmen, bijna 30 procent van de stemmen, in het parlement van 13 naar 49 zetels).

Hoewel Hongarije de gebiedsuitbreiding in Tsjechoslowakije en in de Karpaten-Oekraďne aan Hitler te danken had, probeerde de Hongaarse regering in de jaren vlak voor de Duitse inval in de Sowjet-Unie een zekere bewegingsvrijheid te bewaren. Pál Teleki, die opnieuw regeringsleider geworden was, stond op het standpunt dat de tweede wereldoorlog onvermijdelijk was en verder dat die onvermijdelijk door Duitsland zou worden verloren. Hongarije kon, zo meende Teleki, officiëel moeilijk anders dan pakteren met Hitler, maar moest zich tegelijkertijd voorbereiden op de Duitse nederlaag.
Zo bracht de regering in het voorjaar van 1939 een bedrag van 5 miljard dollar onder in de Verenigde Staten. Het bedrag moest dienen om een eventuele regering in ballingschap van middelen te voorzien. In april van het jaar daarop vertrok Tibor Eckhardt van de Független Kisgazdapárt naar de Verenigde Staten met de geheime opdracht om daar zo nodig Hongarije te vertegenwoordigen. Een maand later berichtte Teleki echter al naar Washington dat de vorming van een regering-in-ballingschap voorlopig niet actueel was en dat het geld weer terug kon.
In juni 1939 liet minister-president Pál Teleki Berlijn weten dat Hongarije zich niet bij een oorlog tegen Polen zou laten betrekken. Minister van buitenlandse zaken Csáky, in augustus op bezoek in Duitsland, schrok zo van de reactie van Hitler dat hij de mededeling van Teleki op eigen houtje introk. Maar Teleki hield voet bij stuk. Eind augustus, even nadat het Stalin-Hitlerpakt tot stand gekomen was (23 augustus), liet Teleki Londen weten dat Hongarije niet zou deelnemen aan een militair optreden tegen Polen. Op 1 september 1939 viel het Duitse leger Polen binnen. Op 9 september vroegen de Duitsers toestemming om voor troepenvervoer gebruik te mogen maken van de spoorlijn die over Kosiče naar Polen liep. De regering-Teleki weigerde. Poolse legereenheden (bij elkaar maar liefst 110.000 man) die voor de Duitsers de Karpaten over vluchtten, werden in Hongarije opgevangen. De Független Kisgazdapárt nam de verzorging van de Poolse militairen op verzoek van de regering voor haar rekening. Via Joegoslavië reisden zo’n honderdduizend Poolse militairen door naar Frankrijk en Engeland.

Na de verdeling van Polen kwam al snel ook de verdeling van Roemenië op de agenda. Eind juni 1940 bezette de Sowjet-Unie met instemming van Duitsland Bessarabië en de Bukovina. Kort daarna droeg Roemenië Dobrudja aan Bulgarije over. De regering-Teleki besloot dat nu ook voor Hongarije het moment was gekomen om haar deel van het buurland op te eisen en begon troepen naar de grens te sturen. In Berlijn, waar in de zomer van 1940 de voorbereiding van de aanval op de Sowjet-Unie op gang kwam, leidde dit tot grote ergernis. Door Hitler op het matje geroepen kreeg Teleki te horen dat er geen sprake kon zijn van een Hongaarse inval in Roemenië, omdat dat gemakkelijk tot een oorlog op de Balkan kon leiden. Tegelijkertijd beloofde Hitler dat hij samen met Mussolini Roemenië onder druk zou zetten om met Hongarije tot een compromis te komen. Onderhandelingen tussen Roemenië en Hongarije liepen eind augustus op niets uit, wat Roemenië ertoe bracht Hitler en Mussolini officiëel als scheidsrechters te vragen. De beide dictators deelden op 30 augustus 1940 het noorden van Zevenburgen aan Hongarije toe.
Oktober 1940 vroegen de Duitsers opnieuw toestemming voor troepenverplaatsingen over Hongaars grondgebied, ditmaal richting Roemenië. Die toestemming kwam er nu wel. En nog weer wat later, op 20 november, sloot Hongarije zich aan bij het Asmogendheden-verdrag.
In Hongarije leidden de annexaties tot een verdere verrechtsing van het politieke klimaat en een versterking van het fascistische kamp. Hoewel Teleki als regeringsleider de annexatie had gerealiseerd, werd hij door de Hongaarse fascisten verguisd. De minister-president raakte daar zozeer van onder de indruk dat hij Szálasi, die in Szeged gevangen zat, vrijliet en de man op 5 oktober zelfs officiëel ontving.

Moskou volgde de ontwikkeling van de Hongaars-Duitse betrekkingen al een tijdje met belangstelling. In 1934 hadden de beide landen ambassadeurs uitgewisseld. De toetreding van Hongarije tot het Antikomintern-pakt had in 1939 weer een eind aan de diplomatieke betrekkingen gemaakt, maar na de ondertekening van het Stalin-Hitler-pakt was Moskou blijkbaar van mening dat dit mogelijkheden bood om de betrekkingen met Hongarije weer aan te halen. In de zomer van 1940 liet Moskou bij herhaling weten de Hongaarse eisen met betrekking tot Zevenburgen als gerechtvaardigd te beschouwen. En in september, onmiddellijk na de z.g. tweede Weense beslissing, ondertekenden de Sowjet-Unie en Hongarije een handelsverdrag.
Onderhandelingen tussen Moskou en Boedapest leidden er verder toe dat Hongarije in januari 1941 een 56-tal vlaggen terugkreeg, die in 1849 door het leger van de tsaar waren buitgemaakt. In ruil daarvoor droeg Teleki de communisten die in Hongarije gevangen zaten, aan de Sowjet-Unie over. Onder hen waren de latere partijleider Mátyás Rákosi en de latere burgemeester van Boedapest Zoltán Vas. De vlaggen arriveerden op 24 maart op het Keleti Pályaudvar en werden vandaar onder enorme belangstelling naar het oorlogsmuseum in het burchtkwartier overgebracht (de vlaggen hangen nu in de Mátyás-kerk in het burchtkwartier). Even later, in mei van dat jaar, was de Sowjet-Unie prominent aanwezig op een internationale tentoonstelling in de Hongaarse hoofdstad. En nog een maand later, onmiddellijk na de Duitse inval in de Sowjet-Unie, kreeg de Hongaarse regering van volkscommissaris Molotov de boodschap, dat de Sowjet-Unie jegens Hongarije geen aanvallende bedoelingen had en verder dat Hongarije als het geen partij zou worden in de oorlog wat de Sowjet-Unie betreft Noordelijk Zevenburgen na de oorlog zou mogen behouden.

Bij de bezetting van de Karpaten-Oekraďne waren niet meer dan enkele schoten gelost. In Noordelijk Zevenburgen, waar 1,5 miljoen Hogaren en 1 miljoen Roemenen woonden, zou dat anders lopen. Tijdens de bezetting en ook nog gedurende de daarop volgende herfst begingen Hongaarse soldaten heel wat wreedheden tegen Roemenen. Er was, zoals Horthy in een geheime notitie aan ministerpresident Pál Teleki schreef, sprake van “onmenselijkheden” en “sadistische vernederingen” (Nemeskürty, a.w., 184). Na de eerste wereldoorlog gevluchte grootgrondbezitters kwamen ‘hun’ eigendom vaak op eigen houtje en met een hoop geweld opeisen. De situatie liep zozeer uit de hand dat Hongaarse bewoners van Zevenburgen een duurzame verstoring van de relaties tussen de verschillende bevolkingsgroepen van het gebied voorzagen en de Hongaarse regering bestookten met klachten over het optreden van het leger.
Militair gezien was de operatie een lachertje. De legereenheden trokken kriskras het land in, treinonderdelen bleven achter, de fouragering verliep gebrekkig en hooggeplaatste officieren vaardigden meer dan eens ‘stomdronken’ bevelen uit (zie Nemeskürty, a.w., 183). Maar Boedapest vierde feest. En ook de zo anti-Duitse Endre Bajcsy-Zsilinszky klom in de pen om Horthy te feliciteren en hem een ‘echte leidersfiguur’, een ‘Hongaar in hart en nieren’ en een ‘groot soldaat en held’ te noemen, de ‘vertegenwoordiger van de kracht, de moed, de schoonheid en de mannelijke betovering van de Hongaarse ziel’...
Een nog in 1940 aangenomen wet bepaalde dat de in het nieuwe gebiedsdeel woonachtige Hongaren 48 zetels zouden krijgen in het parlement en de Duitsers 3. De Roemenen kregen 12 zetels in het vooruitzicht gesteld, maar op voorwaarde dat de betrekkingen tussen Hongarije en Roemenië zouden verbeteren. Wat niet gebeurde.

In het najaar van 1940 kreeg Teleki van de Duitsers het verzoek om als bemiddelaar op te treden tussen de As-mogendheden en het onder Engelse invloed staande Joegoslavië. Resultaat van de aktiviteiten van Teleki was een Hongaars-Joegoslavisch vriendschapsverdrag. Toen dat echter op 12 december in Belgrado ondertekend werd, bleek dat het de Duitsers intussen niet ver genoeg meer ging. Zij haalden de Joegoslavische regering ertoe over het As-verdrag te ondertekenen. Toen daarop de bevolking van Belgrado op 27 maart in opstand kwam, zagen de Duitsers zich gedwongen Joegoslavië te bezetten. Nog diezelfde dag stelde Hitler Horthy van de Duitse aanvalsplannen op de hoogte. Hitler deelde mee de Hongaarse territoriale claims te erkennen en verzocht Horthy de Duitse troepen doortocht te verlenen en Hongaarse troepen mee te sturen. Op 28 maart deelde Horthy Hitler mee dat hij aan zijn wensen gehoor zou geven. Horthy maakte de inhoud van zijn brief bekend op een bijeenkomst van de legerleiding, waaraan ook Teleki deelnam. De briefwisseling tussen Horthy en Hitler kwam ook aan de orde op een zitting van de ministerraad, waar Teleki zijn bezwaren tegen een Duits-Hongaarse inval bekend maakte en met aftreden dreigde. Op 30 maart stuuurde Teleki een boodschap naar Londen en Washington, waarin hij duidelijk probeerde te maken dat Hongarije in geval van een Duitse aanval op Joegoslavië gedwongen zou zijn ter verdediging van de Hongaarse minderheid tussenbeide te komen. Op 2 april kwam het Engelse antwoord binnen: Als de Hongaren aan een Duits optreden mee zouden doen, zou hun dat een oorlogverklaring opleveren. Nog op diezelfde dag groepeerden Duitse troepen zich op Hongaarse grondgebied. Op 6 april zetten de Duitsers de aanval in. De Hongaren volgden op 11 april.
Ook in dit gebied, waar één miljoen mensen, waarvan 40 procent Hongaren, woonden, begingen de Hongaarse militaire autoriteiten allerlei wreedheden. Servische inwoners werden de grens over gejaagd naar Servisch gebied. Later werden ze opgepakt en in concentratiekampen in West-Hongarije overgebracht. Massale executies en moordpartijen moesten de bewoners van sabotage-acties afhouden. Een gerechtelijk onderzoek naar de massamoorden werd door Horthy aanvankelijk geblokkeerd. In het najaar van 1943 werd een militaire rechtbank toch met de zaak belast. In de aanklacht figureerde de moord op 3309 personen. De verantwoordelijke officieren bleven echter op vrije voeten en konden zich in Oostenrijk in veiligheid stellen. De belangrijkste verdachte, Ferenc Feketehalmy-Cseydner zou onder Szálasi terugkeren in de legertop.
Voor Pál Teleki was de naderende Hongaarse inval in Joegoslavië aanleiding om zelfmoord te plegen. In de nacht van 2 op 3 april schoot hij zich voor het hoofd. “We hebben de kant van boeven gekozen. We zijn lijkenpikkers geworden”, stond er in zijn afscheidsbrief. Winston Churchill was geroerd door de wanhoopsdaad van de Hongaarse regeringsleider. Hij zou er, beloofde hij, op toezien dat Teleki bij de vredesonderhandelingen posthuum een stoel zou krijgen.
Weinig benijdenswaard was het lot van de niet-Hongaarse jongeren uit de geannexeerde gebieden die in dienst moesten. Het harde optreden van de Hongaarse officieren en onderofficieren leidde tot massale desertie. In de praktijk kwam het erop neer dat de Hongaarse autoriteiten in geen enkel van de geannexeerde gebieden in staat bleken een ‘minderhedenbeleid’ te voeren dat ook maar in de buurt kwam van de verlichte gedachtes van Pál Teleki en van Endre Bajcsy-Zsilinszky. Geweld en vernederingen bepaalden overal het beeld, behalve in het geval van de Duitse minderheid.
Gemiddeld lag het aandeel van de niet-Hongaren in de geannexeerde gebieden op 49,5 procent. Een gevolg van de annexaties was danook dat het aandeel van de niet-Hongaren in de landsbevolking flink steeg, namelijk van 7,9 naar 22,5 procent. In deze berekening is ook de Duitse minderheid meegenomen, die met ruim 700.000 mensen 4,9 procent van de bevolking van het vergrote Hongarije uitmaakte. Verreweg de grootste minderheid vormden de 1,1 miljoen Roemenen (7,5 procent).

Op 22 juni 1941 viel de Duitse Wehrmacht de Sowjet-Unie binnen. Landen die van de veronderstelde overwinning van Duitsland wilden meeprofiteerden, stuurden hulptroepen. Zo verklaarden ook Slowakije en het amper twee maanden oude Kroatië de Sowjet-Unie gauw de oorlog. Mussolini zette Italiaanse eenheden op de trein en Franco stuurde een corps ‘vrijwilligers’, een formule die hem de mogelijkheid bood officiëel buiten de oorlog te blijven. In Hongarije waren de meningen verdeeld. Sommigen stonden op het standpunt dat het leger in verband met toekomstige annexaties niet aan de aanval op de Sowjet-Unie gewaagd mocht worden. Anderen meenden dat Hongarije, juist als het kans wilde houden op verdere annexaties, aan de kant van Hitler de oorlog moest instappen. De ministerraad kwam op 23 juni bijeen om een besluit te nemen. Aanwezig was ook legerchef Henrik Werth. Hij verklaarde dat deelneming aan de oorlog onvermijdelijk was, omdat alleen zo voorkomen kon worden dat de nieuwverworven gebieden later weer aan Slowakije en Roemenië zouden moeten worden afgestaan. Maar de ministers zeiden nee. Werth vertrok daarop naar Horthy’s landgoed Kenderes, waar hij Horthy met een staatsgreep dreigde, als hij het nee van de ministers zou accepteren. Horthy ging niet op de dreigementen in. Maar vier dagen na de inval van de Duitsers in de Sowjet-Unie kwam Hongarije uiteindelijk toch over de brug. Aanleiding tot de Hongaarse oorlogsverklaring was een provocatief bombardement op Kosiče, waarbij 29 mensen omkwamen. Het bombardement, uitgevoerd door Duitse vliegtuigen, was een bedenksel geweest van de Duitse militaire attachee en een Hongaarse generaal.
Aan de beslissing om alsnog met de Wehrmacht ten strijde te trekken lag geen eis van Duitse zijde ten grondslag, integendeel, bij de voorbereiding van de operatie-Barbarossa had de Duitse legerleiding Hongarije geen militaire taak toebedacht. Deelname aan de aanval op de Sowjet-Unie was volgens Hitler niet gewenst, omdat dit onvermijdelijk tot nieuwe Hongaarse territoriale claims richting Roemenië zou leiden. Deelneming van Hongarije in de operatie zou verder de kans vergroten dat de Gealliëerden er in een te vroeg stadium kennis van zouden krijgen. Omdat de Duitsers verwachtten de Sowjet-Unie in een Blitzkrieg op de knieën te kunnen dwingen, had deelneming van Hongarije in hun ogen militair weinig of geen betekenis.
De oorlogsinspanning van Hongarije was in dit stadium nog beperkt. Een deel van de Hongaarse troepen werd ingelijfd in het 17de Duitse leger. Met slecht materiëel en voor een deel zelfs te paard en op de fiets moesten zij de Duitse opmars zien bij te houden. Een ander deel (45.000 man) diende als bezettingsleger. Bij de troepen die met de Duitse Wehrmacht meevochten, waren de verliezen groot. Eind augustus al was een groot deel van de uitrusting vernietigd. In regeringskring kwam de vraag op of het niet beter was uit de oorlog te stappen. Minister-president Bárdossy dwong Horthy om chef-staf Henrik Werth, een voorstander van voortzetting van de oorlog, af te zetten maar ging tijdens onderhandelingen in Duitsland begin september uiteindelijk toch akkoord met voortzetting van de strijd aan Duitse zijde. De troepen die met de Wehrmacht meevochten, moesten uiteindelijk begin november teruggetrokken worden omdat er niets meer van over was. De Hongaarse bezettingstroepen bleven in het veroverde deel van de Sowjet-Unie aktief.
Terwijl Hongarije zo aan Duitse zijde de oorlog instapte, vonden in het land zelf en in de geannexeerde gebieden massale arrestaties plaats. In het noorden van Zevenburgen werden in de zomermaanden 1000 mensen als communisten of communistenvrienden opgepakt. In het bezette deel van Joegoslavië lag dat getal op 3000. Concentratiekampen in Kistarcsa, Nagykanizsa, Topolya, Sárvár, Szabadka, Kolozsvár, Jászberény, Bicske en elders raakten vol.
In Boedapest kwam het in het najaar tot betogingen tegen de oorlog. De eerste vond plaats op 6 oktober 1941, de dag waarop de Hongaarse legerleiders worden herdacht die in 1849 door de Oostenrijkers in Arad werden terechtgesteld, en de volgende op de Kerepesi begraafplaats op 1 november bij het graf van twee andere figuren uit de Hongaarse vrijheidsstrijd van 1848 en 1849, Lajos Kossuth en Mihály Táncsics, waar een paar duizend mensen de onmiddellijke beëindiging van de oorlog eisten. Nog wat later, met kerst, verscheen een speciaal nummer van de Népszava, het blad van de sociaal-democratische partij, waarin Árpád Szakasíts het opnam voor de ‘grote gedachte’ van de nationale zelfstandigheid en onafhankelijkheid en waarin ook communisten, volkse schrijvers en mensen als Endre Bajcsy-Zsilinszky en Gyula Szekfű een bijdrage schreven.

Als minister-president had Pál Teleki een poging gedaan om tegelijkertijd in twee richtingen aan buitenlandse politiek te doen. De officiële buitenlandse politiek moest, zo meende hij, gericht zijn op Hitler-Duitsland. Maar daarnaast was er een officieuze buitenlandse politiek nodig, gericht op de westerse mogendheden. Met de weigering om Duitse troepen doortocht te verlenen naar Polen en even later met het vriendschapsverdrag met Joegoslavië had Teleki op zijn manier geprobeerd vorm te geven aan deze tweede buitenlandse politiek. Maar naar zijn mening was het vooral de volks-nationalistische oppositie die de taak op zich moest nemen die alternatieve buitenlandse politiek te vertegenwoordigen. Pál Teleki had er daarom persoonlijk op toegezien, dat de oppositie een eigen blad kreeg, Magyarország, zoals het heette, dat in geheim overleg met de regering deze buitenlandse politiek naar voren kon brengen. De officieuze buitenlandse politiek moest, aldus de gedachtengang van Teleki, Hongarije de kans geven om na de onvermijdelijke nederlaag van Hitler-Duitsland, als mede-overwinnaar aan de onderhandelingstafel aan te schuiven. Augustus 1941 herinnerde Endre Bajcsy-Zsilinszky minister-president Bárdossy, de opvolger van Teleki, aan de geheime afspraken. “We vragen”, zo schreef hij in een memorandum aan de regering, “een beetje lucht”, de mogelijkheid om die andere buitenlandse politiek onder woorden te brengen. In een begeleidend schrijven voegde hij daar voor alle zekerheid nogeens aan toe, dat Duitsland naar zijn opvatting vast en zeker de oorlog zou verliezen en dat Hongarije er zich dus op moest voorbereiden zich tijdig uit het bondgenootschap terug te trekken. Bárdossy reageerde niet openlijk. Hoe kon hij ook? Sinds de oorlogsverklaring was Hongarije min of meer opmarsgebied voor de Duitsers. De Wehrmacht maakte vrij gebruik van het spoorwegnet, Duitse soldaten kregen op verzoek onderdak en de invloed van Hitler-Duitsland op de legerleiding nam nog verder toe. De invloed van Duitsland op het Hongaarse bedrijfsleven was rond het begin van de oorlog groot. In 1939 al had Pál Teleki geconcludeerd dat het Duitse Reich over zo grootschalige en verspreide belangen beschikte, dat het in staat was het ‘gehele Hongaarse economische leven te controleren’. Ondertussen was Hongarije ook een belangrijke leverancier van landbouwprodukten en van grondstoffen geworden. In wezen werd het grootste deel van de voor export beschikbare landbouwprodukten aan Duitsland geleverd. Ook de bauxietproduktie en een groot deel van de olieproduktie ging naar Duitsland en in 1942 leverden bepaalde takken van de oorlogsindustrie al meer aan het Duitse dan aan het Hongaarse leger. De bereidheid van de Duitsers om voor de ontvangen goederen te betalen nam snel af. Tijdens onderhandelingen daarover in de zomer van 1942 maakten de nazi’s duidelijk dat zij de Hongaarse leveringen als een bijdrage aan de gezamenlijke oorlogvoering beschouwden.

Ondanks de akelige eerste oorlogservaringen verklaarde Hongarije, maar nu wel onder Duitse druk, de Verenigde Staten op 11 december 1941 (na de aanval op Pearl Harbour) de oorlog. Dat wil zeggen, op typisch Hongaarse wijze was er eerst sprake van een ‘opschorting’ van de diplomatieke betrekkingen met de Verenigde Staten. Later die dag werd dat, nadat de regering-Bardossy van Hitler de wind van voren had gekregen, een heuse oorlogsverklaring. Kort daarna, eind januari 1942, waren Von Ribbentrop en de Duitse opperbevelhebber Wilhelm Keitel opeens in Boedapest. Zij eisten er nu ook de daadwerkelijke deelneming van Hongarije aan de oorlog. De legertop nam de nodige voorbereidende maatregelen en op 11 april begon het transport van het 200.000 man sterke, maar slecht uitgeruste leger naar het front. Het leger werd vergezeld door zo’n 50.000 joden en een groot aantal linkse aktivisten, die ongewapend dienst moesten doen.
Toch was er omstreeks deze tijd nog altijd ruimte voor legale oppositie. Op 15 maart 1942, de herdenkingsdag van de revolutie van 1848, vond bij het standbeeld van Petőfi aan de Donau-oever een massaal bijgewoonde, zwijgende kranslegging plaats, een krans namens de boeren, één namens de arbeiders en één namens de intellectuelen. Op de kranslegging volgde een demonstratie tegen de oorlog en tegen Hitler. Onderweg naar het standbeeld van Kossuth op het plein voor het parlementsgebouw werd de stoet door de politie uitelkaargeslagen.
Ondanks de kransen van 15 maart viel het Hongaarse leger in de zomer van 1942 de Sowjet-Unie binnen en betrok het na zware gevechten (met 30.000 man doden en gewonden) in het najaar in de Don-bocht stellingen. De Hongaarse troepen namen er een front van maar liefst 200 km voor hun rekening tussen Duitse eenheden in het noorden en Italiaanse in het zuiden. Deskundigen, ook in de legerleiding, hielden hun hart vast. Ze wisten dat het leger slecht geoefend was en slecht bewapend en dat er veel te weinig munitie was.
Terwijl de Hongaarse soldaten hun nederlaag tegemoet marcheerden, vond in het land een nieuwe arrestatiegolf plaats, die dit keer speciaal tegen de illegale communistische partij gericht was. Ferenc Rózsa, een leidende functionaris, werd in gevangenschap omgebracht. partijbestuurder Zoltán Schönherz werd officiëel ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. Anderen kwamen in de gevangenis, in concentratiekampen of aan het front terecht. Door de arrestaties raakte de communistische partij in een crisis die ze in de oorlogsjaren niet meer te boven zou komen. Ook met de ontluikende antifascistische beweging was het gedaan.
In het kader van de slag om Stalingrad lanceerde het Rode Leger op 13 januari 1943 een groot tegenoffensief, dat in twee weken tijd tot de vernietiging van het Hongaarse leger leidde: van de 200 000 soldaten slaagden er niet meer dan 70.000 in het slagveld te ontvluchten. Van de 50.000 joden die aan het front in de Arbeitseinsatz hadden gediend, keerden er 7.000 terug.

Onder de doden was ook piloot István Horthy, de gedoodverfde eerste koning uit de Horthy-dynastie. In 1942, terwijl de voortbereiding van de deelneming van het Hongaarse leger aan de oorlog met de Sowjet-Unie in volle gang was, was in de kring van de intimi rond Horthy ongerustheid ontstaan over de de toekomst van Hongarije als onafhankelijk land naast het machtige Hitler-Duitsland. Het leek Horthy en zijn adviseurs waarschijnlijk, dat Duitsland, als de Wehrmacht eenmaal als overwinnaar van de slagvelden in de Sowjet-Unie zou zijn teruggekeerd, Hongarije op de een of andere manier zou willen annexeren. Extra aanleiding tot ongerustheid gaf het streven van figuren uit de aristocratie om het koningschap te herstellen en deze of gene prins uit het huis van Habsburg tot koning uit te roepen. Onder de aspirant-koningen waren er verschillenden, die intieme banden met de nazi’s onderhielden. Om die reden was men tot de conclusie gekomen, dat het maar het beste was om van regent Miklós Horthy de stichter te maken van een dynastie. En zo was, vooral dankzij de bemoeienissen van István Bethlen, Horthy’s zoon István nog in 1942 door het parlement tot opvolger van Horthy senior aangewezen. Maar uitgerekend op Sint-Stefanusdag, 20 augustus, was hij met zijn vliegtuig neergestort. De opvolging van Horthy was daarmee opnieuw een open kwestie. En dat bleef zo, toen ook Horthy’s schoonzoon Gyula Károlyi jr nog geen twee weken later, op 2 september, tijdens een oefening met zijn vliegtuig neerstortte en omkwam. Horthy liet daarop zijn tweede zoon, Miklós Horthy jr, die in Brazilië ambassadeur van Hongarije was, naar huis komen. Omdat deze echter ten gevolge van een sportongeluk lichamelijk en geestelijk gehandicapt was geraakt, kwam ook hij niet voor de opvolging in aanmerking. Horthy kwam vervolgens op het idee om zijn tweejarige kleinzoon István tot koning te laten kronen, maar dat idee werd ook in Horthy’s eigen regeringspartij als absurd van de hand gewezen. Of de twee vliegtuigongelukken al dan niet het gevolg waren van sabotage is nooit opgehelderd.
Habsburg-gezinde aristocraten achtten na de dood van de Horthy-telgen de situatie rijp om met hun ideeën in de openbaarheid te treden. Eind 1943 riepen de Hongaarse volksvertegenwoordigers op het bericht dat de prins van die naam zijn vijftigjarig huwelijk vierde, in koor ‘leve prins Jozef’. Jozef, een Habsburger van de Palatinus-tak, was intussen doende om kontakt te leggen met Ferenc Szálasi. Maar er waren meer mogelijke Hongaarse koningen. Zo bepleitte graaf Zichy de troonsbestijging van Otto von Habsburg. En dan was er ook nog prins Albrecht van de Teschen-tak die de verantwoordelijken voor de moordpartijen in Joegoslavië naar Oostenrijk geholpen had en die goede maatjes was met Himmler. Ook minister-president Kállay bleek van mening dat het tijd was het ‘wettige koningschap’ te herstellen.

Halfslachtige uitstappogingen

Ook na het verscheiden van Pál Teleki waren er in Hongaarse politieke en legerkringen telkens mensen die twijfel uitten aan de overwinning van Duitsland. Zo had chef-staf Szombathelyi in een toespraak voor zijn generaals op 5 oktober 1942, royaal voor de slag om Stalingrad dus, verklaard dat een Duitse overwinning naar zijn mening niet in het vat zat en dat het een kwestie was van wachten op het moment dat Duitsland een aanvaardbaar vredesvoorstel aangeboden zou krijgen. De landing van de Engelsen en de Amerikanen in Noord-Afrika op 8 november 1942 gaf nieuw voedsel aan dit soort gedachtengangen. De Duitsers viel het al in december van dat jaar op dat de Hongaarse diplomatie grote belangstelling aan de dag legde voor de plannen van de Gealliëerden in de richting van de Balkan.
Na Stalingrad en na de catastrofe aan de Don won de gedachte, dat Hongarije zich uit de oorlog zou moeten terugtrekken, snel terrein. Eind januari, na de vernietiging van het Hongaarse leger, stuurde Miklós Kállay (minister-president van 1942 tot 1944) een onderhandelaar naar Turkije om daar de Engelsen en de Amerikanen te polsen. In de zomermaanden werd het overleg in Zwitserland voortgezet. In het kader daarvan beloofde hij, dat Gealliëerde vliegtuigen die onderweg naar Duitsland over Hongaars grondgebied vlogen, niet zouden worden aangevallen. Kállay hoopte op een landing van de Engelsen in Zuid-Europa gevolgd door een opmars over de Balkan. In afwachting daarvan weigerde hij onderhandelingen met het steeds dichterbij komende Rode Leger. In Hongarije zou, zo liet Kállai de westerse gealliëerden weten, Horthy staatshoofd moeten blijven en onder Horthy zou het land een organiserende rol kunnen spelen in een ‘antibolsjewistische liga’ in Midden-Europa. De gedachte dat er een statenblok zou moeten komen dat na de nederlaag van Duitsland zou kunnen voorkomen dat de Sowjet-Unie een leidende rol zou krijgen in Midden-Europa, bracht Kállay er blijkbaar ook toe om in april 1943 een bezoek te brengen aan Mussolini. Voor een antibolsjewistisch blok zou, zo probeerde hij Mussolini uit te leggen, een groot aantal Europese landen te winnen moeten zijn: Turkije, dat al van zijn belangstelling blijk had gegeven, maar ook Polen, Finland, Spanje, Portugal, misschien zelfs Zweden en het Vatikaan.
Ook een op 1 juli 1943 door Eckhart in de Verenigde Staten geschreven brief, waarin hij berichtte, dat na de oorlog een langdurige Russische bezetting zou volgen en ook nog memoreerde dat Mátyás Rákosi intussen was aangewezen als leider van het naoorlogse Hongarije, bracht Kállay niet op andere gedachten.
De landing van de Gealliëerden op Sicilië op 10 juli en de val van Mussolini eind van die maand deden de hoop op een opmars van de westerse gealliëerden via de Balkan toenemen. De Hongaarse avances in de richting van de westerse gealliëerden brachten wel met zich mee dat de sociaal-democratische partij sinds het voorjaar van 1943 weer wat meer speelruimte kreeg. Ook de Kisgazdapárt kreeg belangstelling voor samenwerking met de sociaal-democratische partij. Begin augustus kwam het tot een officiëel bondgenootschap tussen de twee partijen. Ook onder de bevolking was er onmiskenbaar een wending te bespeuren. Zo nam in het najaar van 1943 het aantal abonnees op de Népszava en het aantal vakbondsleden flink toe. Begin september kwam het tot stakingen tegen de oorlog bij het oorlogsconcern Weiss Manfred en in de staalfabriek van Diósgyőr.
Op 25 augustus 1943 was Endre Bajcsy-Zsilinszky bij Horthy op visite om een lijvig memorandum toe te lichten dat hij voor de Független Kisgazdapárt geschreven had. De strekking ervan was, dat Hongarije zich uit de oorlog moest terugtrekken en dat het land beter een gewapend conflict met de Duitsers kon riskeren dan later oorlog met de gealliëerden. Horthy luisterde met veel begrip, maar bleek toch van mening dat ‘overhaaste stappen’ tot een bezetting door Duitsland zouden leiden en verder dat Hongarije zozeer met Duitsland vervlochten was geraakt, dat het land zich alleen met instemming van de Duitsers uit de oorlog zou kunnen terugtrekken.
Maar Horthy en de Hongaarse regering voelden ook al niet voor ‘overhaaste stappen’, omdat ze er nog vanuit gingen dat de oorlog niet met een totale nederlaag en onvoorwaardelijke capitulatie, maar met een compromis tussen Duitsland en de Gealliëerden zou aflopen.
Intussen was ook Horthy wel zozeer van de naderende nederlaag van Duitsland overtuigd, dat hij in het diepste geheim begon met het opzetten van een legereenheid, die eventueel aan de kant van de gealliëerden zou kunnen meevechten.
Intussen leidden de onderhandelingen begin september tot een concreet resultaat. Op 8 september, de dag waarop Engelse en Amerikaanse troepen in Zuid-Italië aan land gingen, overhandigde een Britse diplomaat in Ankara het antwoord van zijn regering op de Hongaarse voorstellen. Volgens dit antwoord zou de capitulatie van Hongarije geheim moeten blijven tot het moment dat de gealliëerden de Hongaarse landsgrenzen zouden bereiken. Hongarije zou de militaire samenwerking met Duitsland intussen geleidelijk moeten verminderen, zijn troepen uit de Sowjet-Unie terugtrekken, bombardementsvluchten over Hongaars grondgebied moeten toestaan, de economische samenwerking met Duitsland moeten verminderen en weerstand moeten bieden aan eventuele pogingen van Duitsland om Hongarije te bezetten. De Hongaarse legerleiding zou om die reden moeten worden gereorganiseerd. Eind september berichtte de Hongaarse regering de gealliëerden akkoord te gaan met deze voorwaarden.
Kállay ging ervan uit, dat met dit akkoord voorkomen was dat Hongarije in de Sowjet-invloedssfeer terecht zou komen. Van de tenuitvoerlegging van de opgesomde voorwaarden kwam echter niet veel terecht, al verschaften de Hongaren de gealliëerden wel inlichtingen over Duitse posities.
In de nieuwe situatie vond de Hongaarse regering het opeens ook gewenst om de verantwoordelijken voor het bloedbad bij de annexatie van de Bácska voor een militaire rechtbank te brengen. De beklaagden, Feketehalmy-Czeydner, Grassy, Deák en Zöldy werden echter niet in hechtenis genomen en konden zo half januari 1944 naar Oostenrijk ontsnappen. Daar zorgde prins Albrecht ervoor dat ze in Duitsland terechtkwamen.

In de winter van 1943 op 1944 werd duidelijk, dat er van de in Hongarije zo vurig verwachte opmars van de westerse gealliëerden door de Balkan niet veel terecht zou komen en dat dus een bezetting van Hongarije door de westerse gealliëerden niet in het vat zat. Dit betekende ook dat het akkoord van de zomer van 1943 met Engeland zijn waarde had verloren.
In januari 1943 hadden Roosevelt en Churchill elkaar in Casablanca beloofd dat ze tot de onvoorwaardelijke overwinning zouden doorvechten. November 1943 ontmoetten Roosevelt, Churchill en Stalin elkaar voor het eerst in Teheran. De gealliëerde leiders spraken daar af dat de Sowjet-Unie na de oorlog in Oost-Europa de scepter zou zwaaien. De afspraken van Teheran sloten een afzonderlijke deal tussen Hongarije en de westerse gealliëerden uit. Op 12 januari 1944 werd de Hongaarse regering door de Engelsen uitdrukkelijk gewaarschuwd om zich niet in een oorlog met het Rode Leger te begeven. De Engelsen bleven wel bij de eerdere afspraak dat Hongarije zich pas uit de oorlog zou hoeven terug te trekken als de gealliëerden -in de nieuwe situatie dus het Rode Leger- aan de landsgrens zou verschijnen. De Amerikanen voelden zich niet aan deze afspraak gebonden en eisten in januari 1944 bij verschillende gelegenheden dat Hongarije zich direct uit de oorlog zou terugtrekken. In ruil daarvoor beloofden zij dat de capitulatie-onderhandelingen plaats zouden vinden op een neutrale plek en van gealliëerde zijde gevoerd zouden worden door een delegatie waarin ook Engeland en Amerika vertegenwoordigd zouden zijn. Kállay wees het Amerikaanse aanbod af. Ook overgave aan de Sowjet-Unie was voor de regerende elite in Hongarije geen alternatief, omdat dit zonder twijfel zou betekenen dat de elite zijn positie zou kwijtraken. Kállay kwam daarom tot de conclusie dat de tijd voor een breuk met Hitler nog niet rijp was. In die overtuiging werd hij mogelijk gesterkt door het feit dat Benes in december 1943 in Moskou een vriendschapsverdrag had gesloten. Met Stalin was hij overeengekomen dat de Hongaren na de oorlog niet alleen Slowakije, maar ook Zevenburgen zouden moeten ontruimen.
Kállay besloot uiteindelijk tot een taktiek, die al bij voorbaat amper kans van slagen had. Het land moest zich, aldus de minister-president, inrichten op de verdediging tegen het naderende Rode Leger. Hongarije zou daartoe zijn strijdkrachten van het Sowjetfront moeten terugtrekken en het zou verder het verblijf van Duitse troepen op Hongaars grondgebied niet langer moeten dulden. Verzoeken aan de Duitsers om het leger terug te mogen trekken vonden echter geen gehoor en tegelijkertijd lieten de westerse gealliëerden nu weten dat Hongarije zich tot de Sowjet-Unie diende te wenden voor wapenstilstandsbesprekingen. Februari 1944 was duidelijk dat de taktiek van Kállay had gefaald.
Op de hoogte van de geheime onderhandelingen liet Hitler in het najaar van 1943 plannen opstellen voor de bezetting van Hongarije. Tegelijkertijd stuurde hij Edmund Veesenmayer naar Boedapest. Toen pogingen om de regering-Kállay ten val te brengen schipbreuk leden, adviseerde Veesenmayer Hitler om Horthy voor een bezoek uit te nodigen. Zo kreeg Horthy op 15 maart een uitnodiging om met de rijkskanselier in Salzburg de kwestie van de terugtrekking van de Hongaarse troepen van het Russische front te bespreken. Toen hij op 18 maart in Salzburg arriveerde, deelde Hitler hem direct mee wat er in het vat zat.
Uitgerekend op de dag dat de belangrijkste oppositiepartijen, de Kisgazdapárt en de sociaaldemocratische partij tot samenwerking besloten en zich dus als alternatieve regeringscoalitie presenteerden, op 19 maart 1944, bezetten Duitse troepen zonder enige tegenstand te ondervinden het land. Horthy, die nog vanuit Duitsland de legerleiding had verboden om in verzet te komen, arriveerde ’s middags in het burchtpaleis, waar hij op rechtstreekse Duitse aanwijzing een nieuwe regering benoemde. Ondertussen ging de Gestapo zijn gang. In een paar dagen tijd werden 3000 Hongaren opgepakt. De sociaal-democratische partij en de Kisgazdapárt werden verboden. De eigenlijke chef in Hongarije was vanaf die dag de Duitse ambassadeur Edmund Veesenmayer. Met de bezettingstroepen arriveerde ook het Eichmann-commando. Op 14 mei 1944 begonnen de treinen naar Auschwitz te rijden.
Een ander gevolg van de bezetting was dat er nieuwe Hongaarse eenheden naar het front vertrokken. In de zomer van 1944 stonden 300.000 soldaten aan het front. Verder kreeg de Waffen SS opnieuw toestemming om onder de Duitstalige bevolking recruten te werven. Dankzij de actieve hulp van de Hongaarse autoriteiten lukte het om dat aantal op maar liefst 60.000 te brengen.

In de zomer van 1944, met Duitse bezettingstroepen in het land, ging Horthy er nog altijd vanuit dat de Hongaarse troepen in de Karpaten in staat zouden zijn de opmars van het Rode leger belangrijk op te houden, waardoor er nog altijd kans op zou zijn dat de westerse gealliëerden het land eerder zouden bereiken. De terugtrekking van Roemenië uit de oorlog op 23 augustus maakte deze gedachtengang tot een illusie. Een gevolg daarvan was namelijk dat het Rode leger nu ook via Zevenburgen richting Hongarije kon optrekken.
Onder de indruk van de militaire ontwikkelingen verving Horthy, terwijl Hongaarse legeronderdelen rond de stad lagen, minister-president Sztójay door Géza Lakatos, de bevelhebber van het tweede Hongaarse leger, die eerder onder druk van de Duitsers uit de legertop was verwijderd. Direct na zijn aantreden dwong Lakatos Hitler om Eichmann terug te roepen.
Van István Bethlen, nog altijd behorend tot de inner circle rond het staatshoofd, kreeg Lakatos echter te verstaan dat gekoerst moest worden op een bezetting door de westerse gealliëerden. Wat Horthy betreft was het moment om de strijd te beëindigen eind augustus nog altijd niet gekomen. In opdracht van Horthy namen Hongaarse diplomaten eind augustus nog via Zwiterland contact op met de westerse gealliëerden. Zij kregen opnieuw te horen dat Hongarije het verzoek om een wapenstilstand niet alleen aan de westerse mogendheden, maar ook aan de Sowjet-Unie moest richten. Toch hielden Britse diplomaten de deur naar een afzonderlijke Brits-Hongaarse deal op een kier. De Sowjet-Unie kon, zo kregen de Hongaren in Zwitserland namelijk te horen, kon bij de onderhandelingen over een wapenstilstand nu eenmaal niet worden gepasseerd, maar de Engelsen zouden bij die onderhandelingen een leidende rol claimen.
Vanaf half september tot een eind in oktober was het Hongaarse leger in Zevenburgen in een bittere veldslag gewikkeld (de slag van Torda). Terwijl Hongaarse en Sowjet-troepen elkaar belaagden, stuurde Horthy op 22 september generaal Náday naar Napels. Hij was in het gezelschap van een Engelse officier, die door de Duitsers krijgsgevangen was gemaakt, maar gevlucht was en via Polen in Hongarije terecht was gekomen. In Italië kreeg ook deze delegatie te horen, dat de Hongaren zich tot de Sowjet-Unie dienden te wenden. Zo vervloog tenslotte de hoop dat de westerse gealliëerden Hongarije zouden bevrijden en kon Horthy niet anders dan een delegatie naar Moskou sturen (28 september). De Hongaarse legerchefs kregen intussen te verstaan, dat hun vroeg of laat het bevel zou bereiken om de wapens voor het Rode Leger neer te leggen. In Moskou werd overeengekomen dat de wapenstilstand uiterlijk op 16 oktober zou ingaan.
Op 15 oktober liet Horthy via de radio bekend maken dat er een bestand met de Sowjet-Unie was. Het Hongaarse leger was op dat moment samen met de Duitsers bij Debrecen in een pantserslag gewikkeld (9-20 oktober). De legerleiding legde het nieuws uit Boedapest echter naast zich neer. Opperbevelhebber János Vörös liet een bevel uitgaan, waarin hij meedeelde dat de opdracht van Horthy niet geldig was. De bevelhebber van het eerste Hongaarse leger, Miklós Béla Dálnoki gaf zich wel over aan de Sowjet-troepen, maar hij werd door niet meer dan een paar officieren gevolgd. De bevelhebber van het tweede Hongaarse leger, Veress Lajos Dálnoki, werd door de Duitsers gearresteerd en de leiding van het derde Hongaarse leger was Duitsvriendelijk genoeg om onverdroten verder te vechten.
Terug van een bezoek aan Hitler was Veesenmayer al in de eerste oktoberdagen begonnen met de voorbereiding van een putsch. De Duitsers reageerden danook onmiddellijk op de verklaring van Horthy. Horthy’s zoon Miklós Horthy jr. werd op het Március 15. tér door de Gestapo in een hinderlaag gelokt en naar Mauthausen afgevoerd. Horthy zelf werd door de SS gearresteerd en opgesloten in het Hatvany-paleis in het burchtkwartier, waar het commando van de SS gevestigd was. Van het voornemen om onder leiding van Zoltán Tildy, de voorzitter van de Független Kisdazdapárt en Árpád Szakasíts, de aanvoerder van de linkervleugel van de sociaal-democratische partij, een nieuwe regering te vormen, kwam niets. Voor Ferenc Szálasi, de leider van de Pijlkruizers, brak het moment aan waarop hij zo lang had gewacht: hij kon zich de leider van Hongarije noemen. Horthy, nu in de letterlijke zin des woords een gevangene van de Duitsers, voorzag de benoeming van de Hongaarse fascist van zijn handtekening. De machtsaanvaarding vond plaats tijdens een deftige bijeenkomst in het koninklijk paleis waar behalve de prinsen van Habsburg ook heel wat Hongaarse aristocraten, ministers, parlementariërs en hoge officieren aanwezig waren.
Terwijl Hongaarse fascisten er huis hielden, begon in het najaar de belegering van Boedapest, waar intussen zo’n 300 tot 400 duizend vluchtelingen onderdak hadden gezocht.
Van systematisch verzet van Hongaarse zijde was ook in dit stadium nog altijd geen sprake. Begin november kwam wel een Bevrijdingscomité tot stand, waarvan de vrijgelaten Endre Bajcsy-Zsilinszky president werd, maar kopstukken van dat comité, onder wie Bajcsy-Zsilinszky, werden eind van die maand nog opgepakt.
Op 18 januari 1945 was Pest in handen van het Rode Leger en op 11 februari volgde Boeda. Op 4 april was de oorlog voor Hongarije voorbij.

De prijs van de nederlaag

Met betrekking tot wat in de Hongaarse geschiedschrijving de ‘schommelpolitiek’ heet, het officiële bondgenootschap met Duitsland en daarnaast pogingen om met de westerse gealliëerden tot afspraken te komen, is wel opgemerkt dat die ertoe heeft geleid dat er in Hongarije tot aan de machtsovername in het voorjaar van 1944 een politiek klimaat heerste, dat zich gunstig van dat van de omringende landen onderscheidde. Om voor de westerse gealliëerden gesprekspartner te blijven moest Hongarije, aldus deze opvatting, een legale sociaal-democratie en een vakbeweging laten bestaan en moest de regering ook weerstand bieden aan de Duitse aandrang om de joodse bevolking naar de vernietigingskampen te sturen. Deze gedachtengang wordt ook verwoord door het Hongaarse historische standaardwerk uit de socialistische tijd (Ránki György (red), Magyarország története, 1918-1919, 1919-1945, dl2, Budapest 1988, p 1125v. De auteur van de betreffende passage is Gyula Juhász). Daar staat echter wel tegenover dat deze politiek uiteindelijk volkomen faalde en op de bezetting van het land uitliep. Als gevolg van de schommelpolitiek kon een anti-Duitse beweging van enige betekenis niet tot ontwikkeling komen en verder kon ook de legertop volkomen door de Duitsers geďnfiltreerd raken. En zo ging het grootste deel van de joodse bevolking uiteindelijk toch naar de gaskamer en werden grote delen van het land aan krijgshandelingen blootgesteld. De Hongaarse houding had verder een vertragend effect op de beëindiging van de oorlog.
Voor Hongarije liep het mogendheidje spelen ten tweeden male op een catastrofe uit. In de Hongaarse samenleving sloeg de oorlog diepe wonden. Aan het front waren in de loop van de oorlog zo’n 150.000 soldaten gesneuveld. Onder de burgerbevolking waren 80 tot 100 000 slachtoffers te betreuren. Maar liefst 850 000 soldaten raakten krijgsgevangen. Van hen keerden zo’n 250 000 mannen niet terug. Het grootst was de ramp voor de joodse Hongaren. In de zomer van 1944 werden verreweg de meeste joodse bewoners van de provincie, 437 402 mensen weggevoerd. Van de 200 000 joden die in het getto van Boedapest opeengepakt zaten, overleefden de meesten. Veel joden die de holocaust overleefden, hielden het in hun land echter niet meer uit en vertrokken.
Ook voor de Hongaren in de geannexeerde en in 1945 weer afgestane gebieden liep de oorlog uit op een ramp. Ze kregen de beschuldiging tegen zich ingebracht, dat ze handlangers van de nazi’s waren geweest, een gevaar dus voor de democratie en een hinderpaal voor de naoorlogse wederopbouw. In de laatste maanden van de oorlog waren er in verschillende geannexeerde gebieden dappere en minder dappere vrijheidsstrijders op pad, die Hongaren -niet langer beschermd door de man op het witte paard- daarvoor met hun leven lieten betalen. Van wie de oorlog door waren gekomen, stonden er heel wat op een kille ochtend met vrouw en kinderen en met een koffertje op het station te wachten op een goederenwagon richting het opnieuw geamputeerde Hongarije. Alleen al in Slowakije overkwam dat 110.000 mensen.
Een derde groep, die de rekening van de Hongaarse machtspolitiek gepresenteerd kreeg, was de Duitse bevolking van Hongarije. De Duitse Hongaren werden na de bevrijding collectief als fascistisch gebrandmerkt.
In een bevel van het commando van het rode leger van december 1944 heette het dat alle personen van Duitse herkomst die tot werken in staat waren, gemobiliseerd moesten worden voor werk in het onmiddellijke achterland. Krachtens dit bevel werden zo’n 30.000 mensen opgepakt en naar de Sowjet-Unie vervoerd. Op de lijsten voor het transport kwamen ook mensen terecht die geen woord Duits spraken. Het hielp ook niet of iemand lid van de Treue Bewegung was geweest. Vaak letten ex-leden van de Volksbund er trouwens op dat hun tegenstanders van weleer niet aan de dwangarbeid ontsnapten. Om voldoende mensen af te kunnen leveren, lieten plaatselijke commandanten ook mensen oppakken die jonger of ouder waren dan de aangegeven leeftijd. Vaak waren er ook moeders bij, die hun kleine kinderen alleen moesten laten.
Voor de tewerkstelling van Duitsers bij de wederopbouw in de Sowjet-Unie had Stalin toestemming gehad van Churchill en Roosevelt op de conferentie van Jalta (4-11 februari 1945).
De omstandigheden in de werkkampen waren buitengewoon slecht. Volgens schattingen kwam 15 tot 20 procent van de dwangarbeiders om.
Dwangarbeiders, van wie bij terugkeer in Hongarije bleek, dat ze bij de SS hadden gediend, wachtte nieuwe dwangarbeid. Zij werden gehuisvest in concentratiekampen, vanwaaruit ze tewerkgesteld werden bij de grote socialistische projecten van die tijd (Tiszalök, Kazincbarcika, Várpalota). De Hongaarse communistische partij kon moeilijk anders dan de mede door de Sowjet-Unie besloten deportatie van de Duitse inwoners steunen. Voorzover de communisten aarzelingen hadden, werden ze daaroverheen geholpen door het feit, dat de landhervorming, waartoe ze zelf in het voorjaar van 1945 de stoot hadden gegeven, niet voldoende land onder de hamer bracht om alle landlozen aan een stukje grond te helpen. Daar kwam bij dat ook de Csángó’s, die destijds uit Roemenië naar Joegoslavië waren gedeporteerd, nu naar Hongarije kwamen. Zij moesten ook onderdak gebracht worden net als trouwens de Hongaren uit Slowakije. In nota’s van 26 mei en 5 juli 1945 wees de Hongaarse regering de gealliëerden op de noodzaak van de deportatie van de Duitsers.
De conferentie van Potsdam (augustus 1945) honoreerde de Hongaarse wensen. De gealliëerden namen het besluit, dat deze bevolkingsgroep in zijn geheel op transport moest naar Duitsland. De deportatie van de Duitsers voltrok zich in twee etappes. De eerste in 1946, de tweede in 1948. In totaal werden 170.000 Duitse Hongaren gedeporteerd.
In Hongarije was ook de materiële schade enorm. Uiteraard werd door de bombardementen en tijdens de oorlogshandelingen veel schade aangericht, maar bovendien transporteerden de Duitsers systematisch alles wat zij konden mobiliseren voor de naderende Sowjet-troepen uit naar het achterland en vooral naar Duitsland. Sinds het aantreden van Szálasi werden ze daarbij ook actief geholpen door de Hongaarse autoriteiten. Maar ook in de Hongaarse elite waren er velen die het verstandig oordeelden hun mobiliseerbare bezit zoveel mogelijk naar Duitsland te transporteren. Zo stuurde prins József Ferenc bijvoorbeeld vijf miljoen flessen wijn naar Duitsland. Over de totale omvang van dit soort transporten zijn geen betrouwbare gegevens bekend. Uit officiële notities uit de Szálasi tijd blijkt wel, dat in die periode in ieder geval 55 duizend gevulde wagons naar Duitsland vertrokken. Na de bevrijding was het de beurt aan het rode leger om fabrieken te ontmantelen en de machines als herstelbetaling naar de Sowjet-Unie over te brengen.

Literatuur

  • Dernői Kocsis László, Bajcsy-Zsilinszky. Budapest 1966
  • Gyáni Gábor, Kövér György, Magyarország társadalom-története a reformkortól a második világháborúig. Budapest, 1998.
  • Lázár István, Kis magyar tórténelem. Budapest 1989
  • Hajdu Tibor, Tilkovszky Loránt (red.), Magyarország története 1918-1919, 1919-1945, Budapest 1988
  • Hanna Molden, Greif und Rose. Geschichte eines Fürstenpaares. Wien 1998
  • Nemeskürty István, Búcsúpillantás. Budapest 1995