Kees Bakker, Van Marcali naar Sopron (2005). Bron: www.keesbakker.com

Van Marcali naar Kőszeg en Sopron

Door Kees Bakker

U verlaat Marcali in westelijke richting en rijdt over Szőcsénypuszta naar Somogysimonyi. U vervolgt de weg naar Sármellék. U rijdt langs het natuurgebied van de Kis (kleine) Balaton. Speciaal vogelliefhebbers kunnen hier hun hart ophalen.

Zalavár

Links ligt Zalavár. De naam van het dorp bewaart de herinnering aan een oude burcht, waarvan de overblijfselen even buiten het dorp liggen. De burcht zou in de jaren 40 van de 9de eeuw gebouwd zijn door een Slavische heer. Pribina, zoals hij heette, heerste oorspronkelijk in de Nitra-vallei in wat nu Slowakije is. Hij was een politieke vriend van de aartsbisschop van Salzburg, die met de bisschop van Passau concurreerde om invloed in de gebieden ten noorden van de Donau. In 835 had Pribina zich laten dorpen in Traismauer in Nederoostenrijk. Dat plaatsje lag wel in de diocees van Passau, maar behoorde als ‘Eigenkirche’ aan de kerk van Salzburg. Terug in Nitra bouwde Pribina een kerk die aartsbisschop Adalram van Salzburg persoonlijk kwam inwijden.
Rond 830 werd in Moravië vooral de invloed merkbaar van de bisschop van Passau, die pogingen in het werk stelde om er aan hem onderhorige kerken te stichten. In deze omstandigheden moest Pribina als aanhanger van Salzburg het veld ruimen. Hij werd uit Nitra verjaagd door Moimir, een Moravische vorst, die zich los probeerde te maken van de Franken en het met dat rijk verbonden Salzburg en daarbij partij koos voor Passau.
Met de dood van keizer Lodewijk in 840 was het Frankische rijk in drie stukken gescheurd, een situatie die in 843 bij het verdelingsverdrag van Verdun officiëel bevestigd zou worden. Lodewijk de Duitser (840-876), de koning van het oostelijke deel van het Frankische rijk schoot zijn protegee te hulp en gaf Pribina in 842 het gebied aan de onderkant van de Balaton als leen. In 848 kreeg Pribina Zalavár zelfs in eigendom.
Intussen wist Lodewijk de Moravische vorst Moimir in 846 uit de macht te ontzetten. Hij maakte diens neef Rastislav tot heer van dat gebied. Ook Rastislav maakte zich echter al snel onafhankelijk van de Oostfranken. Om die reden reisde hij ook naar Zalavár, waar hij Pribina in 860 liet ombrengen. Rastislav installeerde Pribina’s zoon Kocel als vorst van het Balaton-rijkje.
Omdat Passau zich omstreeks deze tijd had neergelegd bij het beleid van het Oostfrankische hof en als zelfstandige faktor dus uitgevallen was, richtte Rastislav zich in 862 tot de Byzantijnse keizer Michael III (842-867) met het verzoek hem missionarissen en geleerden te sturen, die zijn rijk in Byzantijnse trant zouden kunnen reorganiseren. Michael stuurde de broers Constantinus (825-869) en Methodius (815-885), twee uit Thessaloniki afkomstige topgeleerden, die voor hem al verschillende belangrijke missies hadden verricht. Rastislav slaagde er echter niet in de zendelingen omstandigheden te bieden waarin ze iets uit konden richten. Zo groot bleef blijkbaar de invloed van Salzburg. De Byzantijnse missionarissen waren trouwens amper in het land of er verscheen een Oostfrankisch leger aan de Morava om Rastislav tot de orde te roepen. Teleurgesteld vertrokken de missionarissen al in 866 naar Zalavár, dat onder Kocel een met Rastislav verbonden vorstemdom was.
Vandaar reisden ze langs de oude barnsteenroute door naar Venetië, waar hun een uitnodiging van de paus bereikte. Om de heilige vader gunstig te stemmen overhandigden ze hem de reliquieën van paus Clemens I, die hun tijdens een diplomatieke missie naar het rijk van de Kazaren in handen waren gekomen. Eenmaal in Rome nam Constantinus de naam Cyrillus aannam. Kort daarop echter, in 869, overleed hij al. Constantinus werd bij gezet in de San Clemente, de kerk waarin ook de stoffelijke resten van Clemens waren ondergebracht. Een jaar later verdween ook Rastislav van het toneel om –met Oostfrankische steun- te worden opgevolgd door Svatopluk.
Paus Hadrianus II (867-872) benoemde Methodius tot apostolische legaat voor de Slavische landen en tot aartsbisschop van de diocees Pannonië/Moravië en verleende hem toestemming om de mis in het Slavisch te houden. Gelijk in rang aan de aartsbisschop van Salzburg keerde Methodius in 870 naar Zalavár. Toen hij vandaar verder noordwaarts trok, werd hij door vertegenwoordigers van de aartsbisschop gevangen gezet. Maar al spoedig keerden de kansen. Hadrianus’opvolger, paus Johannes VIII, dwong in 873 de vrijlating van Methodius af. Om de zaken niet op de spits te drijven verbood hij wel het gebruik van het Slavisch in de mis. Zo kreeg de Byzantijn Methodius alsnog de kans om een van Duitsland onafhankelijke Moravische kerk op poten te zetten. Vanuit zijn zetel, de oude Romeinse provinciehoofdstad Syrmium (Mitrovica), wijdde hij zich tot zijn dood in 885 aan dat werk.

Niet al te ver van de grote noord-zuidroute van die dagen, de barnsteenweg, lag Zalavár aan de weg die Szombathely met Pécs verbond. Zalavár was in de tweede helft van de 9de eeuw danook een belangrijke stad. Wie ter plekke gaat kijken (let op het bordje Récéskuti Bazilika tussen Zalavár en Zalakaros), vindt de omtrekken van een kerk met drie schepen en drei absiden en een voorportaal. De absiden hebben een aparte constructie met alleen aan de binnenkant een halfronde wand. Aan de buitenkant is de muur van de absiden recht en vormt ze één geheel. De kerk was tot in de 16de eeuw in gebruik.
Onder dit gebouw vonden archeologen een godshuis, dat zij rond 840 dateren en dat voorzien was van de voor de karolingische kerkebouw karakteristieke westbouw. De kerk is volgens een schriftelijke bron gebouwd door aartsbisschop Liupram van Salzburg. De aartsbisschop stuurde ook de vaklui. Een kerk met een westbouw was een kloosterkerk. Het oostelijk deel was gereserveerd voor de monniken. Het westelijk deel was bestemd voor pastorale activiteiten en voor onderwijs.
Opgravers vonden ook de burchtwal terug. Zalavár was een naar Slavisch model gebouwde burcht met een aarden wal en een gracht. Buiten de burcht vonden ze laat-Avaarse graven.
De burcht bleef in de 10de eeuw een bestuurscentrum, maar het is onduidelijk wat de situatie was, toen koning Stefanus in 1019 in de onmiddellijke omgeving van de oude kerk een nieuw klooster stichtte. Het is ook niet duidelijk, waarom en hoe dit klooster de beschikking kreeg over de stoffelijke resten van de martelaar Hadrianus, die in de krypte van de nieuwe kloosterkerk werden ondergebracht. De resten van dit benediktijner klooster liggen aan de andere kant van de weg van Zalavár naar Zalakaros. Opgravers vonden de fundamenten van de kloosterkerk en van een afzonderlijke doopkapel. Het bouwen van afzonderlijke doopkapellen was een oude benediktijnse gewoonte die misschien nog op de karolingische tijd teruggaat.
Volgens een veel gehoorde opvatting zou Zalavár een centrale rol gespeeld hebben in de kerstening van Pannonia, het ten westen van de Donau gelegen deel van het Karpatenbekken. De opdracht tot de kerstening van dit gebied had Karel de Grote in 798 aan aartsbisschop Arn van Salzburg verstrekt. Om een eind te maken aan de concurrentie tussen de Patriarch van Aquileia en de bisschop van Salzburg was in 812 bepaald dat de Drava de grens zou worden van het ambtsgebied van de bisschop van Salzburg. Drie decennia later zou dus, volgens deze opvatting, het aartsbisdom van Salzburg in de burcht van Zalavár het centrum van deze activiteiten hebben ingericht. Vanuit dit centrale klooster zouden in Zalavár zelf drie kerken zijn gesticht, gewijd aan respectievelijk Maria, Johannes de Doper en Hadrianus (in het Hongaars Adorján).
De missieactiviteiten zouden zich tot in Pécs hebben uitgestrekt en er zouden in totaal meer dan 30 kerken zijn gesticht. Dit zou zich moeten hebben afgespeeld in de periode die begint met de bouw van de eerste kerk in Zalavár, 840, en eindigt met de dood van Pribina in 860, wat niet erg waarschijnlijk lijkt.
Het lijkt erop, dat er met de vernietiging van het Avaarse rijk een machtsvacuüm was ontstaan, dat de Frankische en later Oostfrankische vorsten niet vermochten te vullen. In die ruimte kon een lokale heerser in Zalavár een naar verhouding grote rol spelen en konden ook de heersers aan de Morava lang een belangrijke mate van onafhankelijkheid handhaven.

Fenékpuszta

Rechts van Sármellék op het landgoed van Fenékpuszta liggen de resten van een enorme Romeinse vesting. Hoewel deze legerplaats maar liefst 2,6 meter dikke muren had, 44 torens, twee poorten en een flink aantal stenen gebouwen, is er geen geschreven bron die er ook maar een regeltje aan wijdt. Archeologen gaan ervan uit, dat de anonieme vesting na de invallen van de Sarmaten en de Quaden in 374-375 is gebouwd en een logistieke functie had.
De vesting bleef ook na de ineenstorting van het Romeinse Rijk bewoond. Vluchtelingen en kolonisten van allerlei herkomst vormden hier een bevolking die ook in de tijd van de Avaren christelijk bleef en in cultureel opzicht een eigen karakter wist te bewaren. In de vesting verrees tegen het eind van de 4de eeuw een kerk. Het was een drieschepige basiliek die van drie absiden was voorzien. Aan de westkant bevond zich een portaalgebouw. Het godshuis bleef tot in de 7de eeuw in gebruik.
In de 9de eeuw werd Fenékpuszta een vooruitgeschoven post van het Balaton-rijk van Pribina en Kocel.
Wie de oprijlaan van Fenékpuszta inloopt, ziet links aan het begin de reconstructie van een zware, met twee torens versterkte poort uit de 4de eeuw. Aan het eind van de oprijlaan rechts vonden de opgravers de kerk en behalve dat ook nogeens een enorm vijfschepig graanpakhuis en een waterput.

Hévíz

Van Fenékpuszta rijdt u over Keszthely naar de meest sensationele badplaats van het land, Hévíz. Het kuuroord beschikt over een groot warmwatermeer, dat door een krater tweeënhalve meter onder de waterspiegel wordt gevoed. Aan de oppervlakte is het een graad of 30. Een merkwaardige ervaring, vooral als het weer wat tegenzit. Het water is behalve warm ook radioactief en geeft, zoals overblijfselen uit de Romeinse tijd en uit de periode van de Volksverhuizing aantonen, al sinds mensenheugenis speciaal bij reumatische klachten verlichting.
Het heeft een haar gescheeld of het wereldwonder van Hévíz was voor het oog van de badgasten leeggelopen. Op enige afstand van het plaatsje werd namelijk de bauxietwinning aangepakt. De pompen die die mijn droog moesten houden, legden naar bleek ook de bijl aan de wortel van het meer. Aan protesten geen gebrek, en de bauxietmijn werd inderdaad weer gesloten.
Hévíz is ook een goed vertrekpunt voor een kijkje aan de Balaton, vanouds de belangrijkste trekpleister voor Hongaarse vakantiegangers. Helaas heeft de Hongaarse toeristenbusiness zich in de socialistische tijd vooral op dit meer gericht, waardoor een groot deel van de oever door allerhande bouwsels ernstig is aangetast en het hier in het seizoen verschrikkelijk druk is. Iets ten noorden van Hévíz ligt Egregy. U vindt hier een romaanse kerk en ook nog een graf uit die periode.

Zalalövő

Vanuit Hévíz neemt u de weg nr. 76 naar Nagykapornak. Even voorbij dit dorp gaat u linksaf een wijd dal in: oude weiden met hier en daar een boom, riet, wat kleine akkers. U bent hier in de Göcsej, een waterrijke en eeuwenlang geďsoleerde streek met een heel eigen karakter. Het riviertje dat hier vroeger stroomde, is gekanaliseerd. Het water wordt opgevangen in een kunstmatig meertje.
Aan het eind van de weg gaat u rechtsaf naar Bak. U passeert het prachtig tussen moerasachtige meertjes gelegen Zalaszentmihály. Even verder rechts ligt Pölöske, een heel klein dorp met een mooi oud kerkje. Nog wat verder begint een uitgestrekt bos met tal van wandelmogelijkheden.
Van Bak rijdt u naar Nova. Daar gaat u rechtsaf in de richting van Szilvágy. Voorbij Nova leidt de weg de bossen weer in. Het smalspoorlijntje dat bij Szilvágy uit het bos te voorschijn komt, werd vroeger gebruikt voor het vervoer van stammen en hout. In de tijd van het grootgrondbezit was de bosbouw een heel belangrijke tak van bedrijf. En de grootgrondbezitters beschikten ook over voldoende middelen voor zulke investeringen.
U volgt de weg in de richting van Pórszombat. Op het eerste gezicht vertoont deze streek wel een zekere overeenkomst met het gebied ten zuiden van de Balaton. Het verschil is echter dat daar het opgewaaide zand voor de oneffenheden in het terrein zorgde, terwijl de grond hier kleiig is. Even voorbij Pórszombat ligt een kleimijn met een steenfabriek. De baksteen is blijkbaar van een goede kwaliteit, want in de dorpen hier zie je verschillende huizen waarvan de bakstenen muur niet van een pleisterlaag is voorzien. Voorbij Pórszombat gaat u rechtsaf naar Zalalövő en daar linksaf naar őriszentpéter. Zalalövő was ooit een halteplaats langs de z.g. barnsteenroute, een handelsweg die al in de bronstijd het noorden van Italië met de landen rond de Oostzee verbond. Langs deze route kwam barnsteen uit de Scandinavische wereld naar Italië. Ambachtslieden in de Noorditaliaanse steden maakten er sieraden van. De sieraden werden vandaar onder meer langs de barnsteenroute verhandeld. In de Romeinse tijd was het deel van de barnsteenroute tussen Aquileia en Carnuntum (Deutschaltenburg), een plaatsje even ten oosten van Wenen, een belangrijke heerweg. De weg gaf de provincies Noricum en Pannonia een verbinding met het hart van het Romeinse Rijk. Zalalövő stond in die tijd als Salla op de kaart. In Zalalövő zijn aan wat toen de waterkant was, fundamenten van Romeinse gebouwen gevonden. Er is ook een klein museum. Even voorbij Zalalövő rechts ligt een camping.

őriszentpéter

őriszentpéter is het centrum van de őrség. Karakteristiek voor deze streek zijn de houten boerderijen. De planken wand werd van een pleisterlaag voorzien. Als u aan het eind van het dorp rechts omhooggaat, vindt u nog wat van die boerderijen. Maar al voor de tweede wereldoorlog werd hier volop in baksteen gebouwd. Uit die tijd dateren de grote schuren die u her en der ziet. De őrség heeft lang onder Turkse invloed gestaan. Een gevolg daarvan was, dat het rooms-katholieke geloof er een kwijnend bestaan leidde en dat de streek in meerderheid hervormd werd. De Turken lieten de hervormden namelijk een zekere vrijheid, omdat die in de Habsburgers dezelfde vijand hadden als zijzelf. De geďsoleerde ligging bracht met zich mee dat deze streek ook daarna een hervormde enclave bleef. In őriszentpéter staat danook maar één kerk, een hervormde.
In őriszentpéter gaat u rechtsaf naar Körmend. U passeert Ivánc.

Ivánc

Ivánc heeft, hoe klein het ook is, al sinds de middeleeuwen een kerk, die - wat in deze streek uitzonderlijk is - ook al die tijd roomskatholiek is gebleven. Het kerkje raakte onder de Turken wel in verval. Na hun verdrijving werd het rooms-katholicisme door de nieuwe overheid gestimuleerd. Zoals de Turken de rooms-katholieken met een scheef oog hadden bekeken, zo hadden de Habsburgers het op hun beurt niet begrepen op de hervormden die als sympathisanten van de onafhankelijkheidsbeweging golden. In het begin van de 18de eeuw werd de kerk weer opgeknapt. Tegen het eind van de volgende eeuw was het stokoude bouwsel echter alweer danig in verval. Aan de vooravond van de eerste wereldoorlog besloot de grondheer de kerk maar helemaal af te breken en een nieuwe te zetten. Hij engageerde daarvoor een vrij onbekende architect die een van de mooiste heiligdommen van zijn tijd bouwde. Met zijn gestileerde motieven en het rustiek aandoende houtwerk ademt het ontwerp de geest van een architect als Károly Kós. Evenals Kós greep Antal Hendrich vooral terug op de boerenarchitectuur uit Zevenburgen. Het bijzondere van zijn ontwerp is echter dat hij die elementen inpaste in een kerk die niet alleen op de plattegrond van de oorspronkelijke verrees, maar die ook qua vorm op de romaanse kerk geďnspireerd is. Het werd een synthese van boerenstijl en strenge middeleeuwse architectuur. Behalve de romaanse bouwstijl lijkt ook de barok iets aan de kerk te hebben bijgedragen, namelijk de bovenlichten waaruit een geheimzinnig donker schijnsel de kerk in valt. Bij elkaar leveren de heterogene elementen een buitengewoon evenwichtig en in zekere zin eenvoudig en gaaf gebouw op.
Mooie gebouwen horen eigenlijk in steden te staan en liefst in de belangrijkste steden van het land. In Hongarije kun je mooie en zelfs monumentale scheppingen in de meest afgelegen en vergeten streken vinden. Dit heeft twee oorzaken. De eerste is dat grootgrondbezitters zo lang een zo grote rol in de samenleving hebben gespeeld. Zij hadden hun basis nu eenmaal niet in de stad maar in de provincie. De tweede is dat het land lange tijd eigenlijk geen hoofdstad had en vanuit het buitenland werd bestuurd. De eigenlijke hoofdstad was Wenen.
De kerk in Ivánc werd gebouwd door graaf Antal Sigray. Hij betaalde de vaklui en het materiaal. De rest van de kosten werd door de parochie opgebracht. Behalve in Ivánc woonde Sigray ook in Boedapest. Daar werd hij in het voorjaar van 1944, vlak nadat de Duitsers het land bezet hadden, door de Gestapo opgehaald. In 1945 keerde hij ziek uit Mauthausen terug. Hij overleed twee jaar later. Even voorbij Ivánc ligt zijn kasteel, intussen tehuis, met aan de overkant van de weg de bedrijfsgebouwen van het voormalige grootgrondbezit.

Körmend

Voorbij Ivánc daalt de weg naar het dal van de Rába, een breed, vlak en grootschalig bewerkt landschap. De Rába zelf is een kronkelende rivier, waarvan het water flink tekeer kan gaan.
Ook het volgende dorp op de route, Csákánydoroszló, heeft een groot kasteel met bijbehorende bedrijfsgebouwen. Het was ooit eigendom van de familie Batthyány, die in Körmend haar eigenlijke basis had. U gaat hier rechtsaf naar Körmend.
Dit stadje was in de Romeinse tijd een door Kelten bewoonde plek. Dat blijkt althans uit de toevallige vondst van een Keltisch graf in 1984 in de voortuin van het paleis, ongeveer ter hoogte van het bloemperk. Bij het graven van een geul voor de gasleiding stuitte men bovendien op een vuilnisbelt uit de oude bronstijd (3de millennium v. Chr.). Langs de Rába lagen in die tijd meer nederzettingen. Zo is er in Rábahidvég een soortgelijke vondst gedaan. De Rába bevloeide toen een brede strook met moerassen en zijstromen die eilanden en schiereilanden vormden. Het water bood deze nederzettingen een natuurlijke bescherming. De vondsten worden in het museum in het paleis tentoongesteld. In het museum is ook materiaal te zien uit een militaire post die in de 2de eeuw na Chr. op de burchtheuvel van Katafa, even ten zuiden van het stadje, lag.
Uit de periode van de volksverhuizingen gaf de bodem geen vondsten prijs, maar de naam van het stadje die teruggaat op een Turks woord voor vesting, wettigt de veronderstelling dat Turkssprekende Magyaren er in de 10de eeuw een versterking bouwden. Dat Körmend in die tijd een versterkte plaats was, is intussen uit opgravingen gebleken. Twee meter onder het huidige straatniveau vonden oudheidkundigen overblijfselen van een palissadenwal en afvalkuilen uit de periode rond het jaar 1000.
Maar mogelijk was Körmend ook al in de 9de eeuw een bewoond oord. Daarop wijst het feit dat Körmend een St. Maartenkerk had. Sintermaarten werd in de karolingische tijd een populaire heilige in deze streken. Op het gebied van het heiligdom, dat even buiten de burcht lag, is echter geen archeologisch onderzoek gedaan.
Het hart van het plaatsje is het paleis van de familie Batthyány. Het werd gebouwd op de plattegrond van een oude burcht en voorzien van een pompeuze classicistische voorgevel om er zo toch een paleis van te maken. Tegenover het vorstelijke onderkomen ligt het oude Körmend, overwegend woninkjes zonder verdieping en vaak met een typisch hoog pannendak. De meeste dateren uit het eind van de 19de eeuw, maar in de buurt van de kerk staan nog enkele prachtige vroeg-19deëeuwse panden. Een mooi straatje is ook de Thököly utca: aan het begin nog wat burgerwoningen, maar algauw volgen de boerderijen. Zo liep je vroeger in tien minuten het plaatsje uit en de wijde vlakte in. Op nr 17 staat een aardig pand in Secessie-stijl.

Ják

Van Körmend rijdt u naar Ják.
Ják was in de middeleeuwen de hoofdstad van een grootadellijke familie. In die tijd verrees hier wat nu het belangrijkste romaanse monument van Hongarije is. De kerk, toentertijd deel uitmakend van een kloostercomplex, werd in de 13de eeuw gebouwd, in de tijd dat de gotiek in opkomst was. De gotiek werd vrij vroeg in Hongarije geďntroduceerd en beďnvloedde ook deze kerk al enigszins.
Als Hongaars landheerlijk bolwerk werd het gebouw een nationaal symbool. In het begin van deze eeuw kregen nationale symbolen overal in het land een opknapbeurt. Ook de kerk van Ják ontsnapte daar niet aan. Frigyes Schulek, de man die het Vissersbolwerk in Buda bouwde en de Mátyástemplom restaureerde, ging ook hier aan het werk. Hij voorzag het rechterzijschip van een gotisch gewelf en vernieuwde ook de toegang. Het indrukwekkende godshuis is nu als dorpskerk in gebruik.
Vanuit Ják rijdt u naar Szombathely. Let op de grote boerderijen met arcaden in Szombathely-Ujperint.

Szombathely

Reizigers die in de eeuwen na de val van het Romeinse Rijk langs de barnsteenroute onderweg waren, moeten meer dan eens het gevoel gekregen hebben dat ze een museumroute liepen. Aan architecturale herinneringen aan dat Rijk was er namelijk geen gebrek. Soms zelfs waren het hele dode steden, waar de weg dwars doorheen liep en waar de passant tussen opgeschoten struiken en geboomte een deftig stuk mozaďek zag liggen of een omgevallen beeld als een Romeinse god of keizer herkende. En natuurlijk, wie gevoel had voor het oude, het voorbije, schopte hier en daar al gauw een steen opzij in de hoop iets aardigs te vinden.
Eén van de plekken waar dat beslist zin had, was de geweldige puinhoop die in zijn goede tijd Savaria had geheten en waaruit in 455 na een flinke aardbeving het laatste leven was verdwenen. Maar liefst vierhonderd jaar zou de stad er zo bij liggen, steeds meer uitgekleed door curiositeitenjagers en mensen die om bouwmateriaal verlegen zaten, steeds meer heroverd door de natuur, een steeds verder vervagende herinnering aan de mythische rijkdom van toen.
Na die vier eeuwen verschenen er opeens weer mensen, die tussen het puin aan het bouwen gingen. Want als het waar is, wat sommige historici veronderstellen, dan bouwden de Avaren, nadat hun rijk door Karel de Grote en zijn opvolger Pepijn vernietigd was, hier het centrum van een soort satellietstaatje dat van het Frankische rijk, en concreet dus van Beieren en van de aartsbisschop van Salzburg afhankelijk was en dat trouwens ook bleef totdat koning Stefanus er rond het jaar 1000 in het kader van zijn bondgenootschap met Beieren de hand op wist te leggen.
Het Avaarse bouwsel was het begin van de zogenaamde bisschoppelijke burcht, waarvan de fundamenten –voor een deel althans- in de tuin achter de kathedraal te zien zijn.

In 43 na Christus, onder keizer Claudius, was de Keltische nederzetting, waarvan de Romeinen later een militaire etappeplaats hadden gemaakt, een stad geworden. In de nieuwe stad vestigden zich mensen uit Rome en in de omgeving kregen veteranen van het 15de legioen ‘Apollinaris’ een stukje grond. Er begon een periode van bloei die tot in de 4de eeuw zou duren. Hoewel Carnuntum de eigenlijke hoofdstad van Pannonia werd, was ook Savaria een belangrijk bestuurscentrum en kreeg daarom behalve een forum, een tempel voor de goden van het Capitool en thermen, ook een flink keizerlijk paleis. Onder en in de buurt van de huidige kathedraal troffen opgravers de overblijfselen van het Romeinse stadshart aan. Het meeste verdween weer onder het plaveisel, maar de fundamenten van de ontvangstzaal van het Romeinse paleis zijn tot op de dag van vandaag te zien in de tuin achter het godshuis. Eigenlijk komt dat, omdat de ontdekker ervan in 1890 er heilig van overtuigd was, dat hij de aan de martelaar Quirinus gewijde vroegchristelijke kerk had gevonden. Het heiligdom zou, zo betoogde hij, zijn aanzijn te danken hebben gehad aan een verbouwing van een stuk van het paleis. Tegenwoordig weten we beter. Romeinse paleizen hadden zonder mankeren een representatieve zaal die van een absis was voorzien. Deskundigen menen nu dat Savaria in de 4de eeuw maar liefst twee kerken had, gelegen buiten de poorten van de stad, op de plek van de huidige franciscaner kerk en de Sint Maarten kerk.
De deftige paleiszaal is mogelijk wel de plek geweest waar Quirinus zijn doodvonnis te horen kreeg . Tot grote vreugde van de christenen van Savaria overigens, die zodoende in het bezit kwamen van het stoffelijk overschot van een martelaar en ook tot tevredenheid van Quirinus zelf, die een christen was van het mystieke type, een vroege vertegenwoordiger van dit geloof dat in de loop der eeuwen één en andermaal langs de barnsteenroute zijn weg omhoog zou vinden. Quirinus was een van de slachtoffers van de vervolgingen onder Diocletianus aan het begin van de 4de eeuw. Net als Jezus, die in de olijventuin zijn moordenaars kalm had afgewacht, had Quirinus zich in Siscia (nu Sisak), waar hij bisschop was, laten arresteren en net als Jezus had hij zich in Savaria door een Romeinse rechter zonder een spier te vertrekken ter dood laten veroordelen. De martelaarsdood was, wist hij, het summum, de kroon op een leven van ascese en de snelste weg naar de hemel, naar de vereniging met God.
Ongetwijfeld waren, terwijl de rechtszitting nog aan de gang was, nijvere geloofsgenoten al bezig om buiten, op de begraafplaats aan het eind van de Szent Márton utca, die ook toen al een begraafplaats was, een krypte te graven voor deze dode, een bouwsel dat een beetje moest lijken op een Romeinse catacombe, en waarin je, als christenen van Savaria, ’s zondags rond het heilige lijk stilletjes bijeen kon komen. Het vroege christendom was nu eenmaal een cultus rond heilige lichamen en daarom werd dit niet veel later, toen het christendom opeens staatsgodsdienst was, ook de plek van de eerste kerk (eind 4de eeuw), de bovengrondse overkapping van het eigenlijke heiligdom met het altaar vlak boven de sarcofaag.
Het kerkje stortte in 456 in en bleef een ruďne, totdat in de 9de eeuw op precies dezelfde plek opnieuw een kerk verrees. Dat heiligdom werd in 875 door de aartsbisschop van Salzburg aan St. Maarten mgewijd. Een wonderlijk toeval, want deze Martinus was net zo’n christen geweest als Quirinus. Martinus was in Savaria geboren als zoon van een hoge militair. Hij was in Gallië verzeild geraakt, had daar naam gemaakt als theoloog en werd er uiteindelijk bisschop van Tours. De martelaarsdood was Martinus niet vergund. Hij stierf vermoedelijk in 397 op bed.
Na zijn bekering maakte Martinus in 357 als asceet een reis vanuit Gallia over Italië naar Pannonia en weer terug. Volgens een oud volksgeloof bediende Martinus bij die gelegenheid in Savaria het sacrament van het doopsel aan zijn oude moeder. In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest! De scčne staat sinds 1938 afgebeeld op de put voor de kerk. Dat het waar gebeurd is, is niet zo waarschijnlijk.
De stoffelijke resten van de H. Quirinus waren in 875 al hoog en breed weg en de krypte leeg. Al tegen het eind van de 4de eeuw hadden de leiders van de belangrijke christelijke gemeente van Savaria besloten dat het niet verantwoord was om te blijven. Met medeneming van het lichaam van hun martelaar waren zij naar Aquileia afgereisd. Sindsdien was de bisschop van de havenstad aan het zuideinde van de barnsteenroute, althans in naam, de baas over de kerk van het nu snel verbarbariserende Pannonië.
De Sint Maarten kwam in 1668 in het bezit van de Dominicanen, die de kerk op kosten van gravin Erzsébet Batthyány in barokke stijl herbouwden. De broeders kregen er een nieuw klooster en ook nogeens een armenhuis bij. In de krypte van het steenoude heiligdom rusten nu gravin Erzsébet en haar echtgenoot, graaf György Erdődy.
Szombathely was geen strategische plek, maar dankte zijn betekenis aan het feit dat er zich twee wegen kruisten. Opgravers legden de kruising, zoals hij er in de Romeinse tijd uitzag, ook bloot (in de tuin achter de kathedraal). Aan de kruising lag in die tijd een aan Mercurius gewijd heiligdom.
Archeologische vondsten zijn te zien in het Savária Múzeum. Het museum toont ondermeer een reeks grafstenen die aan de Keltische bevolking van de stad herinneren. Er is ook een uit het eind van de 2de eeuw daterend altaartje voor de Fatae, Keltische godinnen van het lot. Aan het vroegchristelijke Savaria herinnert een van de St. Maartenbegraafplaats afkomstig grafsteentje. Het museum bewaart ook de grafsteen van een man die in leven de bewaker van de begraafplaats was.
Voorwerpen die naar de Avaren verwijzen, zijn in Szombathely niet gevonden. Het lijkt erop dat het door de Avaren bewoonde gebied noordelijker lag. Archeologen vonden benoorden Szombathely, bij Vasasszonyfa en Lukácsháza, wel twee begraafplaatsen van de Avaren. De in Vasasszonyfa gevonden graven dateren uit de tweede helft van de 7de, uit de 8ste en uit de 9de eeuw.
Het Schmidt Múzeum toont een privé-collectie. Het meest bijzondere voorwerp daaruit is een Skythisch kruisvormig gietsel met dierfiguren. Het museum toont verder bronzen riemversiering uit de Avaarse tijd, Keltische zwaarden en aardewerk en glas uit de Romeinse tijd.

Het Köztársaság tér in het centrum is een sfeervol winkelplein met nog verschillende aardige gevels. Let op het art-deco-gebouw van Centrum Aruház. De gevel is strikt symmetrisch, maar met het torentje aan de zijkant haalde de architect de symmetrie toch weer overhoop. Als u even naar binnen loopt, ontwaart u de prachtige koepel van glas-in-lood.
Het eigenlijke centrum van de stad is het Berzsenyi Dániel tér. Het barokke gebouw op nr 3 is het bisschoppelijk paleis. Ernaast, op nr 1, staat het stadhuis. Aan het begin van de vorige eeuw kreeg Szombathely een nieuw stadhuis. Het is het neo-classicistische gebouw links. De bouw van de kerk begon in 1791, in de nadagen van de barok en werd in 1815 voltooid, vandaar het mengsel van barok en classicisme.

In Szombathely werd ook een heidens heiligdom uit de Romeinse tijd gevonden. U vindt de resten van die tempel van Isis aan de Rákóczi utca 2. De tempel lag in zijn tijd buiten de stad, aan de uitvalsweg naar het zuiden.
Tegenover de ruďne van de Isis-tempel ligt de monumentale synagoge, een romantisch gebouw vol torentjes, dat in 1880 door een Weense architect gebouwd werd. In de zomer van 1944 werden vanaf deze synagoge vierduizend mensen naar Auschwitz weggevoerd.
Het Majakovszkij tér naast de synagoge is een sfeervol fin-de-sičcle pleintje. Een fraaie straat is de Alkotmány utca, waar nog heel wat woonhuizen uit het begin van de 19de eeuw staan.
Uit Szombathely neemt u weg nr. 89 in westelijke richting. U rijdt over Bucsu en Bozsok naar Velem.

Velem

Hoe moeilijk de bedevaartganger of ook maar de profane wandelaar het kan geloven als hij de steile klim heeft voltooid en uitrustend op een omgevallen boom luistert naar een specht of een verre uil: boven Velem, op de doodstille St. Vitusberg, lag drieduizend jaar geleden een heuse stad. Opgravers die uit hun vondsten een tentoonstelling inrichtten in het Savaria Múzeum van Szombathely, vonden op deze hoogte namelijk een grote nederzetting uit de late bronstijd, die geheel in het teken stond van de winning van metalen, de produktie van brons en de vervaardiging van eindprodukten.
Vergeleken met de neolitische nederzettingen in dit gebied en met de dorpen uit de oude bronstijd (Dozmat, Vasasszonyfa, Csepreg en misschien ook Szombathely, waar op verschillende locaties voorwerpen uit de oude bronstijd zijn gevonden) was het nieuwe dat deze een stedelijk karakter had en dat ze sterk hiërarchisch was georganiseerd. De nederzetting bestond namelijk uit drie opeenvolgende, door mensenhanden aangelegde terrassen. Op het bovenste terras leefden de bazen, een krijgerselite, op het middelste terras waren de metaalsmelters en de metaalbewerkers werkzaam en daar huisden ook de handelaars. Op het onderste terras tenslotte leefden de boeren, de mensen dus die de gehele nederzetting van levensmiddelen en grondstoffen voor textiel moesten voorzien.
Net als de know-how die nodig is om brons te kunnen maken en bewerken was ook de stedebouwkundige kennis afkomstig uit het Middellandse Zeegebied en speciaal uit het oostelijke deel ervan, waar de stedelijke manier van leven al lang bestond. Ook elders in Europa ontstonden in de late bronstijd steden. In het gebied van de Etrusken, dat in de late bronstijd en de vroege ijzertijd een periode van enorme bloei doormaakte, waren zelfs heel wat steden (Tarquinia, Cere, Vulci, Veluttonia, Volterra en het belangrijkste metaalcentrum van de Etrusken: Populonia). In de vroege ijzertijd breidde het aantal stadachtige nederzettingen zich in Italië nog flink uit. Ook Rome werd in die tijd trouwens een stad. Binnen de stedelijke nederzettingen in Italië werden in de vroege ijzertijd versterkte residenties gebouwd voor de heersende laag.
De ontwerpers van de stad op de St. Vitusberg moeten met de stedebouw in het zuiden bekend zijn geweest. Op basis daarvan vormden zij zich een voorstelling die zo concreet was, dat ze in staat waren een stad die zich uitstrekte over een terrein van maar liefst 50 hektare, binnen een beperkte periode uit de grond te stampen. Er zijn echter ook allerlei details die op Klein-Azië en het Midden-Oosten als inspiratiebron wijzen. Eén ervan is de prachtige diadeem die bij de opgravingen aan het licht kwam en die door een ‘koningin’ moet zijn gedragen. Ook het gebruik van bouwstenen van ongebakken leem, niet erg voordehandliggend in een bosrijke omgeving, verwijst naar de wereld van de Middellandse Zee.

Patroclus in het Karpatenbekken

Nog frappanter is wat dat betreft misschien de manier waarop hooggeplaatste vertegenwoordigers van deze gemeenschap een laatste rustplaats vonden. De grafheuvels die bij het 20 km ten zuiden van Velem gelegen grensplaatsje Vaskeresztes zijn gevonden, geven daar een duidelijk beeld van. De dode werd op een brandstapel gelegd en zo gecremeerd. Rond de brandstapel werd van natuursteen een grafkamer gebouwd. De grafkamer werd voorzien van een lange corridor die als toegang diende. De resten van de dode werden in een grote urn verzameld, die een plaats kreeg in de grafkamer. Bij de urn werden schalen geplaatst met eten en drinken. En tenslotte werd boven de grafkamer een heuvel opgeworpen. Deze manier van ter aarde bestellen, die we trouwens ook bij de Etrusken vinden, lijkt sterk op het begrafenisritueel dat Homerus in het begin van hoofdstuk XXIII van zijn Ilias beschrijft. In die passage is het Achilles die de taak op zich neemt Patroclus te begraven. Het ritueel begint met een rit van de strijders rond het lijk, terwijl ze rouwklachten uiten. Daarna was het tijd voor het dodenmaal, dat bestond uit het vlees van ter plekke geslachte en bereide dieren.
‘s Nachts kwam de ‘schim’ van Patroclus Achilles in zijn droom manen om hem te begraven. De gesneuvelde strijder legde zijn slapende lijkbezorger uit dat hij ‘doelloos dwaalde’en dat hij pas als zijn lichaam zou zijn verbrand, tot de Hades zou worden toegelaten.
‘s Anderendaags werd een brandstapel opgericht. Voor de brandstapel werden opnieuw dieren geslacht. Met het vet van die dieren smeerde Achilles het lichaam van Patroclus in. De gevilde dieren stapelde hij rond het lijk. Daarbij kwamen nog kruiken met honing en olie, paarden, honden en een mensoffer: twaalf jonge Trojaanse krijgsgevangenen.
Achilles waakte de hele nacht bij de brandende brandstapel. Hij liep om het vuur heen en goot wijn in het zand. ’s Ochtends pas liet hij het nog almaar smeulende vuur met wijn doven. De deelnemers aan de plechtigheid verzamelden nu het gebeente van Patroclus, waarbij ze er wel op letten dat er geen botten van de dieren of van de Trojanen tussen kwamen. De beenderen van Patroclus kwamen in een gouden urn, in een dubbele vetlaag. Vervolgens bakenden de deelnemers ‘een grafheuvel af door een kring van stenen om de brandstapel te bouwen en losse aarde erover te storten’. Maar alvorens de grafheuvel af te bouwen en de urn bij te zetten, hielden de deelnemers aan het ritueel eerst nog sportwedstrijden ter ere van Patroclus.

De stad op de St. Vitusberg was geen eenzaam eilandje van beschaving in de late bronstijd, maar maakte deel uit van een dynamische samenleving, waartoe onder andere ook nederzettingen in Gór aan de Répce, het vlakbij Szombathely gelegen Olad en verder bijvoorbeeld de Sághegy, Zalaszentistván en Somló behoorden.
De bergstad uit de late bronstijd lag zo goed, dat ze ook in de eeuwen erna bewoond bleef. Van belang was daarbij uiteraard ook, dat in de omgeving niet alleen koper, antimoon en goud, maar ook ijzer werd gevonden. In de vroege ijzertijd, hier gedateerd van 750 tot 400 voor Christus, werd het opnieuw een belangrijk centrum. Vertegenwoordigers van de Halstatt-cultuur bouwden in die tijd op de fundamenten van de oude burcht een nieuwe versterking.
In de jonge ijzertijd was de berg opnieuw bewoond. Mogelijk waren het uit Italië terugkerende Boďers die zich in dit gebied vestigden. Opgravers vonden op de berg van Velem een oppidum uit die tijd. Maar ook in het vlak in de buurt gelegen Bozsok kwamen de resten van een versterking uit de jonge ijzertijd tevoorschijn.
De Romeinen waren in zulke strategisch gelegen plekken niet meer zo geďnteresseerd. Zij gingen naar Velem voor het water uit de bergen, dat ze met een kunstig aquaduct helemaal naar Savaria brachten.
In de 9de eeuw, de tijd dus dat de karolingische renaissance zich in deze contreien verbreidde, was de berg weer bewoond. In die tijd werd er de eerste kerk gebouwd. Het heiligdom werd aan de beschermheilige van het aartsbisdom van Salzburg, St. Vitus, gewijd. Archeologen vonden ook in de rots uitgehakte graven uit de 9de eeuw. In de 10de eeuw, ruim voordat Stefanus in het Karpatenbekken zijn koninkrijk stichtte, kreeg de nederzetting ook weer een omwalling. Vondsten uit Velem zijn ook te zien in het Schmidt Múzeum in Szombathely.

Kőszeg

Van Velem rijdt u naar Kőszeg.
Kőszeg was in de Turkse tijd een grensvesting. De Turkse legers zijn er nooit in geslaagd haar in te nemen en daaraan is het te danken dat het 14de-eeuwse kasteel zo mooi bewaard is gebleven. U kunt er komen via het straatje in de knik van de Chernel utca. Het centrum van de oude stad was het Jurisich tér. De kerk is een zeer fraai exemplaar van de Hongaarse gotiek, een stijl die al in een vrij vroeg stadium naar Hongarije overwaaide. Het gebouw op nr 8 was het stadhuis. Het is van middeleeuwse oorsprong, maar in de 18de eeuw in de barokstijl herbouwd.
Hoewel hier ook in de middeleeuwen joden gewoond hebben, is er geen synagoge uit die tijd bewaard gebleven. Even buiten het centrum staat wel een synagoge uit de 19de eeuw. U loopt vanaf het Jurisich tér rechtsaf de Rájnis József utca in, gaat rechtsaf de Várkör op en dan linksaf de Zrínyi Miklós utca in. De synagoge hier werd in 1859 gebouwd. Fülöp Schey, een van de rijkste inwoners van de stad en de man die de kosten voor de synagoge op tafel legde werd in het jaar van de bouw ervan als eerste Hongaarse jood door Frans Jozef in de adelstand verheven. De synagoge heeft naar het voorbeeld van de christelijke kathedralen twee torens, maar hier hebben ze de vorm van kasteeltorens. Het gebouw kreeg, ook al op katholiek voorbeeld, drie absissen. Na de tweede wereldoorlog kwam het leeg te staan.

Vanuit Kőszeg neemt u de weg naar het Servische dorp Horváthzsidány en zo verder richting Fertőszentmiklós. Tussen Peresznye en Répcevics ziet u links in de verte de wachttorens van het voormalige ijzeren gordijn. Even voorbij Völcsej neemt u weg nr. 84 in noordelijke richting. De weg brengt u naar het eindpunt van deze route: Sopron.