Kees Bakker, Van Mohács naar Szekszárd (2005).Bron: www.keesbakker.com

Van Mohács over Pécs naar Szekszárd

Door Kees Bakker

Siklós

Vanuit Mohács rijdt u een eindje in de richting van Pécs, maar bij Szajk gaat u linksaf de weg af. U rijdt naar Bóly. Op de begraafplaats van dit dorpje zijn de resten gevonden van een Romeinse versterking en langs de weg naar Kiskassa de resten van een Romeinse weg. Uit Bóly rijdt u over Borjád naar Villány. Het Villánygebergte is vanouds een wijnstreek.
Van Villány rijdt u naar Nagyharsány. De middeleeuwse kerk van dit dorpje heeft de Turkse periode overleefd, ongetwijfeld als hervormde kerk. Op het eind van de 18de eeuw werd het schip vervangen. Het gotische koor bleef staan. Van Nagyharsány rijdt u naar Siklós. De burcht van dit stadje dateert uit de jaren onmiddellijk na de inval van de Mongolen in 1241. De nederlaag tegen deze krijgers en de verschrikkelijke verwoestingen die zij aanrichtten, waren voor koning Béla IV aanleiding om de bouw van stenen burchten te stimuleren.
De burcht werd later in renaissance- en nog weer later in barokstijl gerenoveerd. In het stadje vindt u verder een gotische kerk uit de 15de en een Servisch-orthodoxe kerk uit de 18de eeuw. Serviërs verhuisden in de Turkse periode op vrij grote schaal naar dit gebied. Zij namen hun geloof natuurlijk mee. De contrareformatie richtte zich in deze contreien ook tegen de Servisch-orthodoxe kerk. De Jezuďeten probeerden de Servisch-orthodoxe kerk tot aanvaarding van het pauselijk gezag te dwingen. Toen dat niet lukte, ondernamen ze pogingen om dit geloof in ieder geval uit de steden te verbannen. Onder druk van onder andere Maria Theresia hief de paus de orde van de Jezuďeten in 1773 op. Pas daarna kwam er meer vrijheid voor onder andere de Servisch-orthodoxen. De kerk stamt uit die tijd.
Van Siklós rijdt u naar het badplaatsje Harkány. Het water dat hier uit de aarde opwelt, is zwavelhoudend.

Pécs

De Ormánság, het gebied ten westen van de weg naar Pécs en ten noorden van de Dráva, heeft een heel eigen karakter. Het is een mooi kleinschalig laagland, getekend door de aanwezigheid van de rivier. Een bezoek aan dorpjes als Sellye en Vajszló is de moeite waard. Van Harkány rijdt u naar Pécs.
De geschiedenis van Pécs gaat terug tot in de Romeinse tijd. Het is een van de mooiste provinciesteden van het land, maar behalve dat is het ook een aparte stad, een buitenbeentje. Typisch Hongaars, maar ook een beetje anders, een beetje eigenzinniger misschien, een stad die in het Hongaarse culturele leven een eigen rol voor zich opeist.
Het verleden helpt daarbij. De Hongaarse geschiedenis is er een van scherpe breuklijnen, vernietiging die telkens weer gevolgd werd door een nieuw begin. In Pécs lijken die breuken minder scherp, valt de continuďteit eerder op. In ieder geval bleef er veel meer bewaard.

In de Romeinse tijd was Pécs een belangrijk christelijk centrum. In de middeleeuwen was het een pleisterplaats op de route van Byzantium naar Regensburg, een verbindingsschakel dus tussen Oost en West. Terwijl andere stadjes toch min of meer verpieterden, bleef Pécs ook in de Turkse tijd een bloeiend handelscentrum. Vooral de handel in textiel was belangrijk. In de stad zelf, die nu eenmaal ook militair-strategische betekenis had, woonden alleen Turken. Maar buiten de muur lag een ‘christelijke’ wijk, die overigens hoofdzakelijk Duitstalige inwoners had. In Pécs waren in die tijd ook Joodse kooplui gevestigd.
In de 18de en vooral de 19de eeuw was het een rijke stad en na de tweede wereldoorlog werd Pécs opnieuw belangrijk, dit keer als centrum van de mijnstreek.
Het is ongetwijfeld in hoge mate aan de mijnbouw te danken dat de stad-van-nu er zo uitziet, als ze eruitziet. De in de jaren ’80 in de rode cijfers geraakte en uiteindelijk in de jaren ’90 gesloten mijnen waren lange jaren de trots van het socialistische Hongarije. De mijnen brachten hier mensen en geld en de mijndirectie was niet krenterig. Er kwam, zeggen ingewijden, in die tijd in Pécs geen steen op de andere zonder dat de mijn er iets mee te maken had.
Wie in de stad rondkijkt, vindt uit alle perioden van de geschiedenis van deze plek wel een aandenken terug. Meestal, en ook dat is tekenend, niet in museale staat, maar bewerkt, ingepast, opnieuw vormgegeven. Kerken werden moskeeën, moskeeën kerken. Een romaans heiligdom werd ingepast in een neoromaanse kathedraal, het fin-de-sičcle theater kreeg een 20ste-eeuwse vleugel.
Vooral van de 19de-eeuwse architectuur is veel bewaard gebleven. Binnen de ring van de Vak Bottyán utca, de Aradi Vértanuk útja achter de kathedraal, de Landler utca, de Rákóczi út en de Felső Malom utca, die langs de oude stadsmuur loopt, is Pécs nog hoofdzakelijk de stad uit die tijd. De periode rond 1900 is maar beperkt vertegenwoordigd. De stijlen uit die tijd vindt u vooral aan het Széchenyi tér. Fraai is met name het monumentale pand uit 1898 op nr 9. Het is versierd met keramiek uit de Zsolnay fabriek.
Een hoogtepunt vormen de voorbeelden van romantische bouwkunst uit de jaren 60 van de 19de eeuw, het hotel Palatinus aan de Király utca, het huis aan de Ferencesek utcája op nr 14 en de synagoge (1865) op het Kossuth Lajos tér.
De synagoge is vooral zo mooi omdat hij een stuk zuiniger uitviel dan aanvankelijk de bedoeling was geweest. Zo hadden er ter weerszijden van de klok twee torens moeten staan. Zoals zoveel Hongaarse synagoges heeft ook deze een constructie met gietijzeren zuilen, die de twee etages gaanderijen en de dakconstructie dragen.
Frappant is overigens de overeenkomst met het kerkinterieur. De synagoge heeft een absis-achtige ruimte met daarin een aan een roomskatholiek altaar herinnerend bouwsel, waarin de wetsrollen staan. De synagoge had ook een orgel, maar dit muziekinstrument was in religieus-joodse kring zo omstreden dat het een beetje uit zicht werd geplaatst. Net als in de hervormde kerken hingen er bordjes waarop de gezangen werden aangegeven. De synagoge die in 1865 werd gebouwd, kwam een voorganger vervangen die uit 1843 dateerde en op dat moment dus nog geen kwarteeuw oud was. Het aantal joodse inwoners van de stad was na de Turkse tijd lang uiterst beperkt gebleven. Pas in de jaren ’40 van de 19de eeuw kwam er echt verandering in het toelatingsbeleid van het stadsbestuur. Joden die in dorpen in de omgeving woonden, konden eindelijk naar de stad komen. Een gevolg daarvan was uiteraard dat het aantal joodse stadsbewoners snel toenam. In de tijd van de bouw van de tweede synagoge woonden er zo’n 1500 joden in de stad. Dit aantal zou oplopen tot 4000 ten tijde van de eerste wereldoorlog. Eind juni 1944 verbleven in het getto van Pécs 2711 personen. Samen met de bewoners van het getto van Mohács en van enkele kleinere getto’s uit de streek, in totaal 4000 personen, zijn ze begin juli van dat jaar op het station van Pécs in de wagons naar Auschwitz gestapt. Aan de deportatie ontsnapte slechts een enkeling: een gezin waarvan het gezinshoofd oorlogsinvalide was, mocht thuis blijven, twee oudere echtparen, een man en een meisje vluchtten tijdig naar Boedapest en drie kinderen vonden in de stad een onderduik-plek. Ook de 775 mannen die in de Arbeidsdienst zaten, ontkwamen aan de gang naar Auschwitz. Uit Auschwitz keerden slechts enkelen terug. Van de mannen die naar Mauthausen waren afgevoerd, kwamen er wat meer terug. Op 15 april 1945 waren uit de kampen en uit de Arbeidsdienst in totaal 267 personen teruggekeerd.

In Pécs heeft zich in de jaren ’80 een eigen bouwkunstige school ontwikkeld, waarvan de produkten her en der in de stad te zien zijn. De architecten van deze school gebruiken graag traditionele bouwmaterialen en zeggen terug te grijpen op het werk van mensen als Károly Kós. De wat oudere gebouwen in deze stijl bewegen zich op of zelfs over de rand van de kitsch en maakten ook in Hongarije nogal wat kritiek los. Wat een slecht idee, aldus die kritiek, om met oude vormen en oude materialen en nieuwe laat-20ste eeuwse stedelijke omgeving te willen bouwen. Maar intussen bleken de bouwers hier voorlopers van een trend, het postmodernisme, en heeft tegelijk de school van Pécs zich verder ontwikkeld. Het is een bouwkunst geworden, die op een heel eigen manier voortbouwt op de stijlen van rond 1900. Eigen oplossingen worden gemengd met citaten, soms worden die ontleningen vervormd, in een haast karikaturale vorm gepresenteerd.
Het mooiste vond ik het hotelletje op de hoek van de József utca en het Széchenyi tér. Aan de andere kant van dat plein, aan het begin van de Ferencesek utcája, staat nog een werk van deze school. Op de Rákóczi út, tussen de Szabadság út en de Bajcsy-Zsilinszky út vindt u nog twee van die gebouwen.
Ook op het gebied van de beeldende kunst ten slotte is Pécs een stad die er zijn mag. Het is opvallend dat met name de avant-garde uit de jaren ’70 en ’80 zo snel zijn weg naar deze provinciestad vond. Twee kunstenaars uit die groep wonen en werken hier ook. Het zijn Ilona Keserű en Sándor Pinczehelyi die tevens de Pécsi Galéria aan de Ciszterci köz beheert.

Het centrum van Pécs is het Széchenyi tér. Daar vindt u de grootste moskee. Het islamitische heiligdom werd indertijd gebouwd van de stenen van een christelijke kerk die op die plek stond. Aan het eind van de 17de eeuw werd de moskee onder het regiem van de Jezuieten weer kerk. Zo veranderde deze plek tweemaal van geloof, maar bleef het, tot op de dag van vandaag een heilige plaats. In 1773 werd de orde van de Jezuieten verboden en kwam het godshuis in handen van de Cisterciënzers. In de jaren ’30 werd de kerk uitgebreid met een mooie vleugel in moderne stijl. Let op de originele verlichtingselementen en de prachtige gebrandschilderde ramen in de sacristie. Ook het meubilair in de sacristie en de biechtstoelen zijn nog authentiek.
Het enige stukje Jugendstil in de stad staat ook op dit plein. Het is de bron in het midden, die er in 1892 werd neergezet. Het Zsolnay-porselein, waarmee de bron versierd is, werd ook elders door Jugendstil-architecten graag toegepast. Het werd hier in Pécs geproduceerd. Aan de Káptalan utca 2 vindt u het Zsolnay-museum.
Als u voorbij de moskee linksaf gaat, komt u in de János Pannónius utca en zo op het Dóm tér. Rechts op de hoek in het keldergewelf is een kroegje. Het is de plek waar onder anderen de vrouwen die het park bijhouden, komen eten. Het beeld aan het begin van het park stelt de schilder Csontváry voor. Het staat precies tegenover het aan hem gewijde museum. Achter het park, op het plein staan de kathedraal en het bisschoppelijk paleis. De oudste fragmenten van de kerk stammen uit de 11de eeuw. Veel van die fragmenten zijn overigens niet hier te zien, maar in de Nemzeti Galéria in Boedapest. Zijn huidige gedaante kreeg het gebouw op het eind van de 19de eeuw toen het in neoromaanse stijl werd gerenoveerd. In de toegang tot de krypte bevinden zich kostelijke neoromaanse reliëfs met taferelen uit het leven van Simson. Erboven wordt de geboorte van Jezus in beeld gebracht vanaf de aankondiging tot de vlucht naar Egypte.
Rond de kathedraal en het bisschoppelijk paleis staan nog flinke stukken van een middeleeuwse muur, die van dit gebied een vesting maakte binnen de stad.
Loop vanaf het plein even rechts de Esze Tamás utca in om naar het houten gevelbeeld van St. Joris te kijken. Aan het eind van de straat ziet u de buitenmuur van Pécs.
De Ferencesek utcája en de Király utca aan de andere kant van het Széchenyi tér zijn alletwee gezellige winkelstraten met veel bezienswaardige pandjes.
Pécs heeft behalve verschillende hotels ook een camping. Wilt u op enige afstand van de stad uw tent opslaan dan kunt u in Orfű of in Abaliget terecht. In Abaliget vindt u bovendien een druipsteengrot. Bij Orfű ligt een groep meertjes.

Vanuit Pécs neemt u de weg naar Szekszárd. Fietsers kunnen de oude weg nemen, die iets buiten Pécs links van de hoofdweg begint. Pécsvárad is een goed vertrekpunt voor wie de Zengő, een berg van 682 meter, wil beklimmen. In Pécsvárad bevond zich een van de oudste abdijen van het land. De kloosterlingen vestigden zich hier in 1015. De abdij werd in de 15de eeuw omgebouwd tot burcht.
De naam van het dorpje Zengővárkony herinnert eraan, dat hier ooit Avaren woonden.

Ófalu, Bonyhád

Bij dit dorp neemt u weg nr. 6 in noordelijke richting. U gaat linksaf richting Óbánya. Links van de weg ligt een krypte uit de 11de eeuw. Even verder ligt de ruďne van een 11de eeuwse burcht. U zoekt de weg nr. 6 weer op en gaat even noordelijker rechtsaf naar Ófalu, een van oorsprong Duits dorp. Aan de boerderijen kunt u zien dat Duitse boeren vaak vrij welvarend waren. In de eerste jaren na de tweede wereldoorlog hebben de regeringen van verschillende Middeneuropese landen geprobeerd om door middel van massale volksverhuizingen de etnische en de nationale grenzen wat meer met elkaar in overeenstemming te brengen. In Hongarije waren de etnische Duitsers de bevolkingsgroep die het hevigst door dit beleid getroffen werd. In Ófalu wisten heel wat inwoners onder de gedwongen verhuizing uit te komen. Veel mensen spreken er nog altijd een woordje Duits.
De boerderijen hebben veranda’s met zuilen. Op het erf is de bergplaats voor de maďskolven, een schuurtje met een paar varkens en in de berg een kelder voor de wijnvoorraad. Midden in het dorp ligt de houtfabriek, waar vroeger de zuiltjes voor de boerderijen werden gemaakt. Die zuiltjes, vaak kunstig bewerkt, zijn intussen weer in de mode. In de boerderij tegenover de kerk is een museum ingericht.

Vanuit Ófalu rijdt u terug. U gaat rechtsaf de weg naar Szekszárd weer op en rijdt naar Hidas.
Hidas is een dorp, dat de meeste van zijn inwoners zag vertrekken. Op een paar Sloveense families na, die hier ook een eigen begraafplaats hadden, woonden hier uitsluitend Duitsers. Hun plaats werd hier ingenomen door Csángó’s, Hongaarssprekende boeren, die eeuwenlang een geďsoleerd bestaan hadden geleid in Moldavië. Zij bleken na 1945 in hun vaderland opeens niet meer gewenst. Velen van hen weken eerst uit naar Joegoslavië, waar ze van Tito opnieuw een schop kregen. Zo kwamen ze uiteindelijk in Hongarije terecht.
Van de 2500 inwoners die het dorp in 1945 telde, bleven er na de deportaties niet meer dan 250 over, vertelde een Duitse dorpsbewoner me, terwijl hij me rondleidt in de vroegere school van de evangelische kerk die als dorpsmuseum is ingericht. Het is een aandoenlijke verzameling: gebruiksvoorwerpen van overleden en verdwenen mensen, instrumenten voor de honingbereiding (een belangrijk produkt van het dorp), een wijnpers, een kast met het linnengoed er nog in.
De houten gereedschappen zijn afkomstig uit het naburige dorpje Óbánya, waar de houtbewerkers van de streek gevestigd waren. De trots van de collectie is een weefgetouw, dat uit een Csángó-huishouden stamt. Het museum staat aan de Petőfi Sándor utca 23.

Van Hidas rijdt u naar Bonyhád. Ook in dit plaatsje woonden veel Duitse boeren. U vindt er nog heel wat rijke 19de-eeuwse boerderijen.
Bonyhád was een belangrijk Joods centrum. De joodse inwoners werden door de landheren vooral uit Duitsland hierheen gehaald. Als u vanaf het Templom tér de Zárda utca inloopt, ziet u rechts een synagoge uit 1795. Het gebouw wordt nu door de plaatselijke schoenenfabriek als pakhuis gebruikt. Naast de synagoge staat nog het gebouwtje van de matzes-bakkerij. Ook de orthodoxe synagoge bleef bewaard. Hij staat aan de Fürdő utca, een zijstraat van de Rákóczi Ferenc utca. Van Bonyhád rijdt u naar Szekszárd.

Szekszárd

Net als zoveel steden is Szekszárd in de Turkse tijd geheel ontvolkt geraakt. Nadien zijn het Duitse kolonisten geweest die het nieuw leven inbliezen. Zij pakten ook weer de wijnbouw aan, die hier van oudsher beoefend wordt.
De belangrijkste bezienswaardigheden staan rond het I. Béla tér. Opmerkelijk is vooral het provinciehuis, in het begin van de 19de eeuw gebouwd door bouwmeester Mihály Pollack, dat op het eind van die eeuw een nieuwe voorgevel kreeg in Jugendstil. Het is een teken dat de provinciale overheid hier in die tijd niet bang was voor iets nieuws. Over het algemeen was de Jugendstil bij de Hongaarse gezagsdragers van toen niet erg populair. Het provinciehuis staat in het oude centrum. Wanneer u langs de Hunyadi út naar beneden loopt, komt u in het nieuwe stadscentrum dat in de tweede helft van de 19de eeuw gebouwd werd. Daar staat ook de synagoge, een gebouw in romantische stijl. De Oostenrijkse architect die het in 1896 bouwde, gaf het aan de achterzijde een absis.

Het gebied ten oosten van Szekszárd, tussen de Sió en de Donau, staat bekend als de Sárköz, de Modderhoek. De dorpjes hier hebben een heel eigen karakter. In het centrum van Decs vindt u een klein museum. Het bos dat zich vanaf de Sió tientallen kilometers in zuidelijke richting langs de Donau uitstrekt, is een natuurreservaat.
Een aantrekkelijke plek voor een wat langer verblijf is Fadd, een kilometer of tien benoorden Szekszárd.