Kees Bakker, Kelten in het Karpatenbekken. Bron: www.keesbakker.com

Kelten in het Karpatenbekken

door Kees Bakker

Het vaak grillige en wilde berglandschap van de Karpaten lijkt het ten westen ervan gelegen gebied effectief van de Zuidrussische steppe af te sluiten. Toch is er van oudsher contact tussen de beide gebieden geweest. Blijkbaar wisten reizigers of migranten te paard zich toch tussen de hoge toppen door te wringen. Het ligt zelfs voor de hand dat er min of meer bekende routes waren. En in de loop der eeuwen waren de Karpaten heel wat keren het decor, waarlangs hele volksstammen of volkeren bepakt en bezakt een nieuwe toekomst tegemoet trokken, of dat althans hoopten. Vaak waren ze afkomstig van de steppe en was het Karpatenbekken hun reisdoel, maar meer dan eens waren er ook volksverhuizers in omgekeerde richting onderweg.
Behalve met de steppe was er van oudsher ook contact met het Middellandse Zeegebied. Op dat laatste wijzen de vondsten van ijzeren voorwerpen uit de periode van de 13de tot de 8ste eeuw voor Christus. Ze werden gevonden in graven in de omgeving van de Maros. De kennis over de vervaardiging van ijzer moet vanuit het gebied van de EgeÔsche Zee naar het Karpatenbekken overgewaaid zijn.

Rond het jaar 1000 voor Christus maakte het Karpatenbekken deel uit van de zogenaamde urnenvelden-cultuur, een beschaving die in die tijd over grote delen van Midden-Europa verbreid was, maar waarvan archeologische vondsten het bestaan ook documenteren in ItaliŽ en, helemaal aan de andere kant van Europa, in Nederland. Het is waarschijnlijk dat de bevolking van het Karpatenbekken in die tijd een sedentair leven leidde. Grafvondsten uit de late bronstijd (1300-700 voor Christus) leverden namelijk heel wat sikkels op, een aanwijzing dat landbouw en met name de teelt van granen, er in deze tijd ingeburgerd was.
Het jaar 1000 valt in een periode waarin zich in het Middellandse Zeegebied en in Europa ingrijpende sociaal-economische veranderingen voltrokken. Oudheidkundigen dateren die periode van 1300 tot 700 voor Christus, de late Bronstijd. Een ‘vroege cyclus van voedsel-producerende economieŽn’ (Cunliffe, The ancient Celts. Londen 1999, 39), die met het Neoliticum begonnen was, liep op zijn eind en er begon een nieuwe periode, waarin sprake was van een intensivering van produktie en handel, van bevolkingsgroei en van grotere stabiliteit in het vestigingspatroon.
De veranderingen volgden op het verdwijnen van de Myceense cultuur in de EgeÔsche Zee en de ineenstorting van het Hethietische rijk in Klein-AziŽ. In het Middellandse Zeegebied ontstonden in die tijd de Phoenicische handelssteden en op de Zuidrussische steppe kwam het tot omvangrijke migratiebewegingen.
De migratiestroom op de steppe raakte ook de Magyaren. Het is namelijk juist in deze tijd dat zij zich volgens taalkundigen van de in taal verwante Wogoelen en Ostjaken losmaakten en in zuidwestelijke richting trokken.
De Magyaren zouden het nog een kleine twee millennia op de steppe uithouden. In deze tijd was het een ander ruitervolk, dat van de Cimerii, zoals klassieke schrijvers het noemen, dat over de bergen trok en in het Karpatenbekken neerstreek. Sporen van hun aanwezigheid menen archeologen ook gevonden hebben. De Cimerii zouden de gebruikers kunnen zijn geweest van typisch ‘oosters’ bronzen paardetuig dat opgravers verspreid over heel Hongarije aantroffen en dat zij in de 8ste en 7de eeuw voor Christus dateren. Ook de graven die in de omgeving van MezőcsŠt werden blootgelegd, zouden ooit voor en door migranten van de Zuidrussische steppe gedolven kunnen zijn.

In Midden-Europa zijn de veranderingen van rond het jaar 1000 voor Christus verbonden met de opkomst van de Keltische cultuur.
De oorsprong van de Keltische beschaving ligt in het gebied waar de Rijn, de Donau, de Seine en de Rhone elkaar ontmoeten, in termen van de huidige politieke kaart van Europa in het zuiden van Duitsland, het oosten van Frankrijk en het noorden van Zwitserland. Dit was het gebied waar de grote verkeersroutes door het toenmalige Europa, die van de Atlantische kust naar Oost-Europa en die van de Baltische Zee naar het Middellandse Zeegebied, elkaar kruisten.
Tegen het eind van het tweede, of in het begin van het eerste millennium voor Christus ontwikkelde zich het Keltisch hier tot een afzonderlijke, van de andere Indo-Europese talen te onderscheiden taal.
Vanuit deze regio verbreidde de Keltische cultuur zich in het eerste millennium voor Christus over grote delen van Midden- en West-Europa om er de beschaving te worden van een groot aantal verschillende etnische groepen. Wat hen bond was de taal, het Keltisch, dat in verschillende varianten over dit gebied verspreid raakte, een nieuwe godsdienst, waarin meer aan de aarde en aan het seizoen gebonden goden de plaats van de oude hemelgoden innamen, de produktie van brons, het vervaardigen van bronzen voorwerpen en de handel daarin en in de tweede helft van dit millennium ook een materiŽle cultuur met een vormentaal, die als typisch Keltisch onderscheiden kan worden (oudheidkundigen hebben die naar een belangrijke vindplaats in Zwitserland de La TŤne-cultuur (450-0) gedoopt).

De ontstaansperiode van de Keltische beschaving wordt als afgesloten beschouwd als zich vanaf 750 ‘early chiefdoms’ (Cunliffe, a.w., 274) gaan vormen. Dit gebeurde behalve in het oude Zuidduitse/Oostfranse centrum ook in Spanje. Beide centra dankten hun positie aan het feit, dat ze een bemiddelende rol speelden tussen de metaalrijke Atlantische kust en aan de andere kant het Middellandse Zeegebied.
Het Karpatenbekken lag onmiskenbaar aan de periferie van het Zuidduitse/Oostfranse centrum. Toch sijpelde er iets van deze oude Keltische cultuur in dit gebied door. Daarop wijzen althans de graven uit deze tijd (de z.g. Hallstatt-periode) die in West-Hongarije (op de Kleine Hongaarse Laagvlakte, ten westen van Veszprťm), maar ook in het oosten, op de plek waar de KŲrŲs in de Tisza uitmondt, gevonden zijn. In het westen van Hongarije, in Sopron en in Velemszentvid (even bezuiden Kőszeg) zijn trouwens ook versterkte vestigingen gevonden uit de periode van 600 tot 480 voor Christus, die met de Keltische cultuur geassociŽerd worden.
Oudheidkundigen gaan ervan uit dat het westen van het Karpatenbekken, de streek dus tussen de Donau en de Alpen, deel uitmaakte van het gebied van de oude Keltische beschaving, die naar een belangrijke vindplaats, die overigens hemelsbreed zo’n 150 km van Sopron verwijderd is, de Hallstatt-cultuur (750 tot 450 voor Christus) wordt genoemd. Het oosten, het gebied tussen de Donau en de Karpaten, stond in die tijd meer onder Thracische invloed. Het werd bewoond door gemeenschappen, waarin het paard een grote rol speelde, die banden hadden met ruitervolken op de Zuidrussische steppe en die daar mogelijk ook zelf vandaan kwamen.

Tegen het eind van de 5de eeuw voor Christus deed zich in het Keltische cultuurgebied een ingrijpende crisis voor. Het sociale systeem, dat zich in de voorbije eeuwen had ontwikkeld, stortte vrij plotseling in. Over de oorzaken daarvan bestaan alleen speculaties. Duidelijk is wel dat de toestand catastrofaal was. De crisis bracht mensen en zelfs hele stammen ertoe om huis en haard te verlaten. Er kwamen omvangrijke migratiebewegingen op gang in zuidelijke (ItaliŽ) en zuidoostelijke (het Midden-Donaugebied, de Balkan en Klein-AziŽ) richting. De migratieperiode duurde tot 200 voor Christus.
Natuurlijk had ook de oude Keltische wereld een tweedeling gekend met aan de ene kant een sedentaire boerenbevolking en aan de andere kant een elite, die de produktie van brons en de internationale contacten monopoliseerde, die het stamgebied verdedigde maar die in voorkomende gevallen ook tot de aanval overging en die ondertussen meeat van de opbrengsten van het land.
Maar na 450 voor Christus kwam deze tweedeling nog veel scherper te liggen. De sociaal-economische catastrofe en de migratie schiepen een krijgerssamenleving. Het verwerven van oorlogsbuit en het dienstdoen als huurling werden de nieuwe middelen van bestaan van de elite van de op drift geraakte Keltische stammen. De revenuen van het land vielen bij de rijkdommen die dit nieuwe leven met zich meebracht, in het niet.

De stam die zich in het Midden-Donaugebied vestigde, kennen we uit klassieke bronnen als de Scordisci. Het gebied tussen de Donau en de Alpen werd beheerst door de Taurisci. Uit grafvondsten met onder meer aardewerk uit de La TŤne-tijd blijkt, dat er een Keltische bevolking is geweest in West-Hongarije, in een strook langs de Tisza en in Erdťly. Op de Grote Laagvlakte handhaafde de endogene bevolking zich (de Siginni).
Opvallend groot is het aantal vondsten in de omgeving van Sopron. Sopron ligt in een soort corridor tussen de Alpen en de moerassen van de Neusiedler See. Door deze corridor liep een handelsroute van de Baltische Zee naar de Adriatische Zee.
Het Karpatenbekken diende mogelijk ook als uitvalsbasis voor raids in zuidelijke richting. Daarop wijst de vondst van een bronzen kantharos (beker) van Griekse origine in Szob (aan de noordelijke Donau-oever in de buurt van Esztergom).
Maar archeologische vondsten op de Zuidrussische steppe tonen aan, dat iets van de Keltische wereld ook daar terechtkwam. Het is meer dan waarschijnlijk dat Keltische strijders zich de Karpaten over waagden om op de steppe op avontuur te gaan. Mogelijk is er ook sprake geweest van een vestigingspoging. Tot een meer duurzame vestiging van Kelten kwam het echter niet, misschien omdat de strijdbare steppewereld daartoe toch geen mogelijkheden bood en de Balkan of Klein-AziŽ een gemakkelijker buit beloofde. Een rol zal ook hebben gespeeld, dat de steppewereld nu eenmaal op de Griekse havens aan de Zwarte Zee gericht was en niet zat te springen om contacten over de Karpaten heen.
Toch moet er ook wel invloed in omgekeerde richting geweest zijn. De eerste auteurs die geprobeerd hebben een samenvattend beeld te geven van de Keltische kunst, Sir Arthur Evans (1895) en later Paul Jacobsthal (1944) hebben beiden gewezen op oosterse, of Scythische invloeden. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat deze invloeden de Kelten via het Karpatenbekken bereikten. Opmerkelijk is wat dat betreft de vondst van een vat van aardewerk in LŠbatlan (wat ten westen van Esztergom aan de Donau), met de afbeelding van een hert dat door wolven wordt aangevallen. De decoratie is karakteristiek voor de steppe-cultuur.
De Keltische beschaving heeft in het Karpatenbekken een periode van grote bloei gekend. Naast het gebied van de Marne, Zwitserland en de Povlakte was Hongarije, zoals Cunliffe schrijft, in de 4de eeuw voor Christus een van de centra van innovatie (Cunliffe, a.w., 119), een van de plekken waar invloeden uit allerlei richtingen werden omgesmeed tot eigen Keltische cultuur. Zo tonen zwaardscheden die rond de Balaton gevonden zijn een eigen stijl.
Keltisch Hongarije had mogelijk een intermediaire positie tussen Noord-Europa en de bloeiende culturen aan de andere kant van de Karpaten, die van de ThraciŽrs en die van de Scythen in het noordelijk deel van de Zuidrussische steppe.

De dynamiek van de periode die rond 200 voor Christus begon, wordt bepaald door de opkomst van het Romeinse Rijk. In Spanje werd de Keltische bevolking door de Romeinen gepacificeerd. Intensivering van de handel tussen het Romeinse Rijk en de Keltische stammen in Midden-Europa leidde tot belangrijke sociale veranderingen daar. Handel ging de plaats innemen van het verwerven van buit en er ontstond in dit gebied een stedelijke cultuur. Verschillende van zulke Keltische oppida, met aarden wallen versterkte vestigingen, zijn ook in het Karpatenbekken gevonden: bezuiden de Neusiedler See, aan de Balaton, in de Donaubocht, aan de bovenloop van de Tisza en aan de HernŠd.
Het belangrijkste handelsprodukt van de Romeinen was wijn. De Kelten leverden grondstoffen (vooral metalen) en slaven. Opgravingen laten zien dat de oppida bewoond werden door boeren, maar vooral ook door ambachtslieden van allerlei snit. In veel van zulke oppida zullen ook Romeinse zakenlui gevestigd zijn geweest.
Hoe verstrekkend de invloed van de toenemende handel met de Romeinen kon zijn, laten de ontwikkelingen in de 2de en 1ste eeuw voor Christus in het gebied van het huidige Oostenrijk zien. In dit gebied ontstond het Keltische koninkrijk Noricum, dat de handelsroute langs de Donau controleerde en verder ijzer aan de Romeinen leverde. De invloed van dit koninkrijk strekte zich tot ver in het Westen van het huidige Hongarije uit. In 15 voor Christus werd het uiteindelijk door de Romeinen geannexeerd.

De uitbreiding van het Romeinse Rijk over Europa vanuit het zuiden en pressie van Germaanse volkeren in het noordoosten en van de DaciŽrs in het zuidoosten luidden het einde in van de Keltische beschaving in het Karpatenbekken. Van de DaciŽrs maken historische bronnen voor het eerst melding in de eerste helft van de 2de eeuw voor Christus. Vanuit de Walachijse vlakte breidden ze hun gebied in de tweede helft van de 2de eeuw uit tot over de Karpaten en halverwege de 1ste eeuw voor Christus omvatte hun gebied behalve het huidige RoemeniŽ ook de Grote Hongaarse Laagvlakte en strekte het zich tot voorbij het huidige Boedapest uit. De expansie van dit Dacische rijk leidde ertoe dat het licht van de Keltische beschaving tegen het eind van de 3de eeuw in Erdťly doofde. In 60 voor Christus verschenen de DaciŽrs ook in West-Hongarije waar ze de Keltische gemeenschappen (de Boii en de Taurisci) vernietigden en de controle over de handelsroute langs de Donau overnamen. Ook het Keltische oppidum van Bratislava werd door de DaciŽrs bezet.
Ook de Germanen (de Cimbri en de Teutones) lieten zich nog even in het Karpatenbekken zien. Rond 120 trokken ze moordend en rovend ongetwijfeld de Donau stroomafwaarts langs om later de Drava stroomopwaarts volgend weer te verdwijnen.

Met campagnes tegen de DaciŽrs en tegen het koninkrijk Noricum breidde het Romeinse Rijk zijn invloed in de laatste jaren voor Christus in deze regio uit. De Donau werd de grens van het Imperium. In het gebied benoorden ervan, in Bohemen en MoraviŽ, vestigden zich Germaanse stammen. En naar de Grote Laagvlakte kwamen nieuwe kolonisten die afkomstig waren van de Zuidrussische Steppe (de Jazygen, een Sarmatisch volk). Zo ruimden Germanen, Romeinen en ruiters van de steppe de laatste resten van Keltische cultuur in het Karpatenbekken op.