Kees Bakker, Hoe het de Hongaarse zigeuners in de voorbije eeuw verging. Bron: www.keesbakker.com

Hoe het de Hongaarse zigeuners in de voorbije eeuw verging

door Kees Bakker

In de nacht van 12 op 13 februari 1945 verliet het restant van de Duitse troepen stilletjes zijn laatste positie in de Hongaarse hoofdstad Boedapest: het te pletter geschoten Burchtkwartier. Volgens plan verdwenen de moegestreden soldaten in de Duivelsgracht, een ondergrondse waterloop, die hen tot achter de Sowjet-linies moest brengen. Maar toen ze hoog in de bergen van Buda tevoorschijn kwamen, bleek het slimme plan bij de tegenstander bekend en werden ze vrijwel tot de laatste man neergemaaid.
De bittere en beslissende slag om Boedapest, die met de kerstdagen begonnen was, was eindelijk gestreden. Toch duurde het nog tot 4 april eer de laatste Rode soldaten op Hongaars grondgebied waren gesneuveld en eer de laatste Duitsers ervan waren verdreven.
Maar terwijl in West-Hongarije de mitrailleurs nog ratelden, werd het naoorlogse Hongarije alvast in de steigers gezet. De eerste beleidsdaad was de afschaffing van het grootgrondbezit. Op 17 maart gaf de communist Imre Nagy er in zijn hoedanigheid van minister van landbouw het sein toe. Functionarissen van de communistische partij zwermden uit over het platteland om de verdeling van het land onder de boeren ook daadwerkelijk ten uitvoer te leggen.
De grootste verliezer was de Roomskatholieke kerk, die de helft van het grootgrondbezit in eigendom had, en de grootste winnaars waren de arme, landloze boeren. Tot het oorlogseind aan toe waren zij de verworpenen van het platteland geweest, door landheren en gezagsdragers gekoeioneerde paupers die in de ogen van de boven hen gestelden amper mensen en al helemaal geen staatsburgers waren. Nu mochten ze er opeens zijn.
Dat het uitdelen van land aan de armen zo hoog op de agenda stond, had onder meer te maken met het feit dat kunstenaars en politici in de jaren ’30 de aandacht op de dorpsarmoede hadden gevestigd en kans hadden gezien om het tot een politieke kwestie te maken.
De fotografen die naar het platteland waren getrokken om er aangrijpende foto’s te maken en de schrijvers die hetzelfde hadden gedaan om er pakkende reportages te schrijven, hadden zich in hun onderwerpkeuze echter beperkt tot de boeren. Dat de zigeuners, die vaak net als de boeren als dagloners de kost bijelkaar scharrelden, in net zulke of nog slechtere omstandigheden leefden, was hun niet als onmenselijk opgevallen.
Het is ongetwijfeld mede aan de kortzichtigheid van de vooroorlogse partijgangers van de armen te danken dat de zigeuners bij de grondverdeling werden gepasseerd. De desbetreffende verordening bepaalde dat alleen knechts en landarbeiders en verder keuterboeren en getrouwde zoons van kleine boeren rechten op grond konden doen gelden. Zo had de landhervorming in Hongarije een tegenstrijdig gevolg. De landloze boeren werden eindelijk als mensen en als Hongaren erkend, maar voor de zigeuners had diezelfde gebeurtenis het tegenovergestelde effect: het werd een etappe in hun uitstoting.

Het proces van uitstoting van de zigeunerbevolking uit de samenleving was al op het eind van de 19de eeuw op gang gekomen. Een eeuw later, in de jaren na de ineenstorting van het socialisme, raakte het voltooid.

In Hongarije, dat na het vertrek van de Turken op het eind van de 17de eeuw opnieuw was gefeodaliseerd en waar progressieve en revolutionaire stromingen telkens weer het onderspit hadden gedolven, waren de met de Franse Revolutie verbonden waarden slechts traag en gefilterd doorgedrongen. Hongarije was en bleef een samenleving van rangen en standen. De angstvallig in stand gehouden etnische waterschotten droegen daar het hunne nog toe bij en zo ontwikkelden de Hongaren een gevoel voor hiërarchie waarin zij mogelijk slechts door de Engelsen worden geëvenaard. In deze ingewikkelde maatschappij hadden ook de zigeuners hun eigen vaste plaats, helemaal onder aan de ladder. Maar hoe laag gewaardeerd ook en hoezeer ook geminacht, ze hoorden er toch bij.
In die situatie kwam op het eind van de 19de eeuw verandering. De modernisering van het land, die net als elders in Europa ook hier in de jaren ’90 op gang kwam, maakte het traditionele zigeunerbestaan onmogelijk. Industriële waren verdrongen het ambachtelijke produkt, wie zich in de handel staande wilde houden moest belangrijke sommen kunnen investeren, in het nieuwe Hongarije verschoof het economische accent naar de steden en de dorpsadel, de traditionele werkgever van de zigeunermuzikanten, trok naar de stad of verarmde, voorzover ze bleef.
In deze omstandigheden vonden de zigeuners nieuwe overlevingsmogelijkheden in hand- en spandiensten aan de meer welgestelde boeren. Ze boden zich in het seizoen als dagloners aan, maar ze deden ook allerlei klusjes rond de boerderij. Rijke boeren hielden er vaak enkele privé-zigeuners op na die de hele dag in de buurt waren en zo nodig voor een karweitje konden worden ingezet. In ruil daarvoor kregen ze een beloning in natura. Zwervende zigeuners waren er tegen die tijd al amper meer. Een officiële telling uit 1893 raamde het totaal aantal zigeuners in het grote Hongarije van toen op 274.940. Daarvan leefden er slechts 8.938 een zwervend leven.
Dat de zigeuners hun traditionele eigen rol kwijtraakten, had ook gevolgen voor hun levensstijl, die steeds meer ging lijken op die van de andere paupers van het platteland. Zo kwam met het proces van uitstoting ook een proces van gelijkschakeling op gang. Ook deze verandering zou zich in de loop van de 20ste eeuw ten volle uitkristalliseren.

Hoe verstrekkend de gevolgen waren van het feit dat de zigeunerbevolking buiten de landhervorming bleef, begon zich pas enkele jaren later af te tekenen, toen de collectivisatie op de agenda kwam. De Hongaarse landbouw werd gereorganiseerd tot grootbedrijf en de boeren werden werknemers van hun ‘eigen’ coöperatie. In deze wereld was voor de informele arbeid van de zigeunerbevolking amper nog een plaats. Zo kwam er een eind aan de eeuwenlange symbiose van zigeuners en boeren. De zigeuners waren in het Hongarije van de jaren ’50 voor het eerst niet meer nodig, een overbodige bevolkingsgroep, waarvoor ook de politiek in die tijd geen enkele belangstelling had.
De gezinnen van de gewezen landarbeiders leverden meer dan genoeg jongeren om de behoefte aan ongeschoolde arbeid te dekken. In 1961 had nog altijd maar eenderde van de zigeuners een officiële baan. Het regime van partijleider Mátyás Rákosi, dat erop uit was de Hongaarse samenleving totaal te beheersen, negeerde de zigeunerbevolking volkomen.

In de jaren ’60 kwam daar verandering in. Onder partijleider János Kádár nam Hongarije op haar manier deel in de snelle economische groei van dat tijdvak. Net als hun collega’s in West-Europa liepen de Hongaarse captains of industry tegen een tekort aan arbeidskrachten op. Zij konden het probleem niet, zoals hun Westerse collega’s de baas door arbeidskrachten van elders aan te trekken en zo ontdekten ze als vanzelf de enorme arbeidsreserve van de zigeuners in eigen land.
Tegelijkertijd werden de zigeuners ook door de politiek ontdekt. János Kádár was in 1956 door de Sowjet-Unie in het zadel geholpen nadat het Rode leger een eind had gemaakt aan een gewapende opstand, die in het najaar van dat jaar de gehele wereld in haar ban had gehouden. Na het nodige gedoe had Kádár uiteindelijk ingestemd met de gerechtelijke moord op Imre Nagy, de landbouwminister van weleer, die tijdens de opstand premier was geweest. Vanaf het begin van de jaren ’60 probeerde Kádár de vertrouwensbreuk die het gevolg was van de neergeslagen opstand, te herstellen. Hij zag de uitweg uit de politieke crisis, die het gevolg was van de neergeslagen opstand, in een van stalinistische smetten en vooral ook van de eeuwige tekorten en rijen wachtenden gezuiverd socialisme, dat niet alleen zou steunen op de arme boeren en de arbeiders, maar waar ook de andere groepen van de bevolking min of meer van harte de schouders onder konden zetten.
Economische groei werd zo in de Kádár-tijd ook in de politiek het eerste en grote gebod. Het was de hoeksteen onder het compromis, waarop het regime van Kádár gebaseerd was en het was de kortste weg naar de klassenloze maatschappij en het eind van de sociale tegenstellingen die de politieke leiders in het Oost-Europa van toen zo op de zenuwen werkten.
Voor de zigeuners betekende dit dat ze -voor het eerst in de landsgeschiedenis misschien wel- een politiek agendapunt werden. Ze werden, van overheidswege nog wel, opgeroepen om te helpen de maatschappij van de overvloed naderbij te brengen. De politiek van haar kant beloofde de ‘zigeunerkwestie’ op te lossen. De zigeuners zouden ten langen leste en als allerlaatste bevolkingsgroep in de moderne Hongaarse samenleving worden geďntegreerd. In het klimaat van de jaren ’60 was het vanzelfsprekend dat de zigeuners dan ook af zouden leggen waarin ze nog anders dan anderen waren. De overheid nam daar een voorschot op door in haar beleidsstukken het woord zigeuner zoveel mogelijk te vermijden. In 1961 stelde de communistische partij per besluit vast dat de zigeuners geen etnische groep vormen. Tegelijk werd het Culturele Verbond van Hongaarse Zigeuners opgeheven. Net als dat gebeurd was met woorden als jood, Slowaak of Roemeen, raakte nu ook het woord zigeuner taboe.
Het gezicht van Hongarije veranderde in de Kádár-tijd sterk. De infrastructuur werd gemoderniseerd. Overal in het land waren arbeiders aan het werk om stoffige en hobbelige verbindingswegen van een laag asfalt te voorzien. In de landbouw werd de schaal opnieuw belangrijk groter, de verwerkende industrie werd uitgebreid en in de steden kregen de in de Stalin-tijd verguisde en verdachtgemaakte modernistische architecten de kans om de klassenloze maatschappij in beton alvast vorm te geven. Nieuwe veranderingen brachten de jaren ’70, toen met Westers geld sectoren als de chemische en de kunstmestindustrie gemoderniseerd werden.
De zigeuners kregen in dit nieuwe Hongarije inderdaad een taak, maar Hongarije zag kans hen zo te moderniseren, dat ze wel veel van de hun nog resterende traditionele eigenaardigheden verloren, maar dat hun traditionele ‘apartheid’ in stand bleef en zelfs nog werd versterkt.
Zo werden de zigeuners uitsluitend ingezet voor zwaar, ongezond en dom werk, arbeid waaraan ze geen enkel prestige konden ontlenen en waarin ze amper nieuwe vaardigheden ontwikkelden. Sectoren als de mijnbouw, die in het socialistische Hongarije wel hoog stonden aangeschreven, bleven voor de zigeuners potdicht en voorzover ze in fabrieken tewerk werden gesteld, kregen ze zonder mankeren het minste werk toegewezen.
De autoriteiten van het socialistische Hongarije waren er niet van gediend, dat de zigeunerbevolking zich in de industriële centra zou concentreren. Geholpen door de woningnood zorgden zij ervoor, dat de zigeuners zich niet in de steden konden vestigen. Zo kwamen zij in de positie dat hun werk wel verhuisde, maar hun woning niet. Door de week waren ze arbeiders, stedelingen, maar zonder de kans om er te aarden, en in het weekend waren ze opeens weer dorpelingen. Ze woonden op een plek waar ze niet meer hoorden en ze werkten op een plek waar ze als inwoners niet werden aanvaard. In 1971 had driekwart van de zigeuners een vaste baan (belangrijkste bedrijfstakken waren de bouw en de wegenaanleg), maar 78 procent van de zigeuners woonde toen nog altijd in een dorp. 210.000 van de toen in totaal 320.000 zigeuners woonden toen in eenkamerige woninkjes, in omstandigheden die in het socialistische Hongarije voor arbeiders als volstrekt onaanvaardbaar golden.
Aan deze situatie veranderde weinig toen de landsoverheid met een subsidieregeling kwam die het mogelijk moest maken de kolonies, zoals het heette, ‘op te ruimen’. Plaatselijke regenten en notabelen zorgden er feilloos voor dat het assertieve jargon van de partijtop een hun welgevallige vertaling kreeg. De zigeuners bleven buiten het dorp, ook als dat betekende dat ergens anders voor duur geld een spiksplinternieuwe betonnen en bakstenen kolonie gebouwd moest worden.

De Kádár-tijd liep op het eind van de jaren ’70 vast in een chronische crisis. Met de idealen en het optimisme van de Kádár-tijd was het echter al veel eerder gedaan, in het begin van de jaren ’70 namelijk, toen de partijtop de in 1968 op de rol gezette hervormingen afblies. Hongarije begon afscheid te nemen van het socialisme. En terwijl benauwde partijleiders hier en daar een klap uitdeelden, kwamen nieuwe waarden de plaats van de oude leuzen innemen. Het nationale verleden kwam in de belangstelling en er ontsponnen zich -grotendeels ondergronds en in binnenkamertjes- debatten over de Stalinistische terreur en over een herwaardering van de opstand van 1956, die officieel nog altijd als ‘contrarevolutie’ te boek stond.
Gaandeweg raakte de oude, uit de periode tussen de wereldoorlogen stammende mythe weer in zwang, volgens welke de Hongaren een klein en aan alle kanten door vijanden omgeven volk zijn, dat alle zeilen moet bijzetten om niet te verdwijnen.

In de jaren ’70 en ’80 werden de perspectieven van het socialistische Hongarije van jaar tot jaar somberder. In de kantoren van het Witte Huis aan de Donau, toen de zetel van de communistische partij, was de stemming om te snijden. Tot beleidsdaden van enige importantie brachten de daar verzamelde functionarissen het echter niet. Dat kon ook niet. De sluiting van zwaar verliesgevende bedrijven en bedrijfssectoren, de enige manier om de economie van het land uit de klem te halen, zou immers direct tot een politieke crisis hebben geleid.
Voor de zigeunerbevolking was dit gebrek aan daadkracht gunstig. Tot ver in de jaren ’80 kende Hongarije volledige werkgelegenheid. Het tekort aan eenvoudige fysieke arbeidskracht bleef kunstmatig in stand. Ook de migratie naar de steden bleef doorgaan. De zigeuners namen daar amper aan deel, maar het betekende wel dat zij de arbeidsplaatsen die bij de landbouwcoöperaties vrijkwamen, in konden nemen.

In het voorjaar van 1989 werden de anoniem begraven stoffelijke resten van Imre Nagy gelicht en netjes gekist en op 16 juni vn dat jaar vond onder overweldigende belangstelling zijn herbegrafenis plaats. Vriend en vijand begreep dat de publieke teraardebestelling van deze communist het eind van het socialisme inluidde. De communistische partij begon zich op de overdracht van de macht voor te bereiden.
Met de politieke crisis kwam ook de economische. De verliesgevende sectoren, waartoe intussen ook belangrijke delen van de landbouw waren gaan behoren, stortten als op commando in. Praktisch van de ene dag op de andere verloren vele tienduizenden mensen hun werk. De zigeuners die vooral werkzaam waren in de meest kwetsbare bedrijfstakken, werden er als groep het slachtoffer van.
Voor de zigeunerbevolking begonnen de jaren ’90 zo met een catastrofe, die zijn weerga in de geschiedenis van deze bevolkingsgroep niet heeft. Nu, zes jaar na dato, blijkt dat deze ramp een
chronisch karakter heeft aangenomen. De werkloosheid onder de zigeuners is nog altijd algemeen. In regio’s waar veel zigeuners wonen, zoals in Noordoost-Hongarije, is er voor zigeuners geen enkele reguliere arbeid en zijn ze voor hun overleven aangewezen op een uitkering en informele en zwaar onderbetaalde klusjes. In steden als Boedapest en Miskolc ontstaan zigeunergetto’s.
Er is geen enkele aanwijzing dat het nieuwe, post-socialistische Hongarije bereid of in staat is de zigeuners een nieuwe sociale rol te geven en hen daarvoor toe te rusten. De zigeuners zijn overbodig geworden.

Met het woord zigeuner raakte in de Kádár-tijd ook de traditionele minachting van zigeuners taboe. Ze verdween niet, integendeel, het taboe leidde er eerder toe dat deze houding werd geconserveerd, maar ze kon niet meer in het openbaar geuit worden. Naarmate het socialisme zijn greep op de Hongaarse samenleving verloor, en gevoelens van Hongaarse nationale superioriteit ook als het gaat om Roemenen of Slowaken weer in het openbaar geuit konden worden, kreeg ook de minachting van zigeuners weer een stem.
Met name voor jongere Hongaren was deze ouderwetse, in lang vervlogen tijden wortelende houding echter veel te goedmoedig. En zo ontwikkelde zich sedert de jaren ’80 een nieuw en veel agressiever type zigeunerhaat. De zigeunerhaat werd gemoderniseerd. Ze verloor haar specifieke Middeneuropese kleur en werd ‘Europees’, de Hongaarse tegenhanger van het Westeuropese racisme.
Aanknopend bij de mythe, dat de zigeuners uit India afkomstig zijn, verklaren jonge (en niet zo jonge) Hongaarse racisten de overbodigheid van de zigeuners uit hun veronderstelde roots: het zijn ‘vreemdelingen’ die in de Hongaarse samenleving niet thuishoren en dus maar beter kunnen verdwijnen.

De zigeuners zijn niet alleen de verliezers van de omschakeling van 1989, ze zijn de verliezers van de eeuw.
Ook in Hongarije begon de 20ste eeuw met grote beloften. In de ‘nieuwe tijd’, die op het eind van de 19de eeuw aanstaande werd geacht, zouden de mensen elkaar eindelijk leren vertrouwen en liefhebben en zouden ze zo samen een hemel op aarde stichten. Wie daar deel aan wilde hebben, hoefde alleen maar een ‘nieuw mens’ te worden door zich los te maken van zijn verleden en groepseigenaardigheden. Op verschillende momenten in de nu bijna voorbije eeuw werden deze beloften en de bijbehorende opwekkingen en vermaningen herhaald, het laatst in het begin van de Kádár-tijd.
Door omstandigheden buiten hun wil gingen de zigeuners in de loop van de eeuw steeds beter aan de toelatingseisen voldoen. Ze leverden hun traditionele beroepen in, ze lieten toe dat de traditionele kolonie-gemeenschappen ontmanteld werden, ze vergaten hun eigen cultuur. Maar toen het erop aankwam, bleek dat ze in ruil voor dat alles toch geen positie in de Hongaarse samenleving konden claimen. Ze kregen hun identiteit als zigeuners toch weer opgedrukt, maar nu ontdaan van alle positiefs van weleer.