Kees Bakker, Op zoek naar “een moderne kunst met Hongaarse wortels”. Bron: www.keesbakker.com

Op zoek naar “een moderne kunst met Hongaarse wortels”

door Kees Bakker

Verlost van het isolement van de Horthy-jaren raakte de wereldstad Boedapest al heel snel na de tweede wereldoorlog in een nieuw internationaal isolement.
Was het voor de oorlog de eigen-Hongaarse pathetiek die velen van de internationale cultuur had vervreemd, na de oorlog ging tragischerwijs een met de mond beleden internationalisme eenzelfde rol spelen.
De Koude Oorlog en de hardhandige Stalin-tijd wierpen voor de naoorlogse generatie onoverkomelijke blokkades op en zo zou het de taak worden van de wat ouderen, van mensen met een vooroorlogs verleden om de deur naar de grote cultuur op een kier te houden.
Op het gebied van de beeldende kunst zou Dezsö Korniss (1908-1984) die taak op zich nemen.

Korniss leerde het schildersvak aan de akademie aan de Andrássy út, een prachtig, uit 1871 stammend renaissancistisch gebouw, schuin gelegen tegenover Andrássy út 60, waar tot 1945 de Hongaarse fascisten zetelden en dat nadien het hoofdkantoor werd van de ÁVH, de politieke politie uit de Stalintijd.
Toen Korniss er zich in 1925 aanmeldde had hij al een heel aparte en persoonlijke kennismaking met de internationale schilderkunst achter de rug. Na het eind van de eerste wereldoorlog namelijk was hij met zijn ouders min of meer vluchtenderwijs uit Erdély naar Boedapest getrokken. In de hoofdstad van het eerst als koninkrijk en daarna nogeens als radenrepubliek verslagen land was de toestand zo slecht en de nood zo schrikbarend dat zijn ouders hem in 1923 graag meegaven aan het Rode Kruis. In een door twee en bij tijden zelfs door drie stoomlocomotieven voortgesjorde trein vol kinderen reisde Dezsö naar Nederland. In ons land spijkerde hij bij, maar bovendien maakte hij er kennis met de Hongaarse Hollander Vilmos Huszár. In diens atelier zag hij werk van Huszár zelf, maar ook van Doesburg en andere leden van de Stijl-groep.
Zo raakte Korniss dus in Nederland op de hoogte van het nieuwe constructivistische begin in het decennium na de eerste wereldoorlog.
Het is ongetwijfeld mede aan deze Hollandse bagage te danken geweest dat Korniss, terug in Boedapest, in het gezelschap raakte van een man die juist dezelfde rol vervulde, die Korniss zelf na de volgende oorlog te spelen zou krijgen. Lajos Kassák vertegenwoordigde in werkelijk alle opzichten de idealen en de levenshouding van de jaren vlak voor de eerste wereldoorlog. Na een Weense ballingschap van wat jaren, was hij in 1926 opeens weer terug in de stad, een steile, radicale internationalist, iemand die niet alleen schilderde maar ook dichtte en schreef en die in alles wat hij deed socialist was.
In de laatste jaren ’20 heerste er in Boedapest een optimisme, waarvan moeilijk te zeggen is waarop het eigenlijk gestoeld was. Er zat verandering in de lucht en toen in 1930 werklozen vanaf het Hösök tere in optocht de stad introkken, dachten velen bij zichzelf: dit is het begin. De demonstratie liep uit op een geweldige vechtpartij met barricades her en der. Tot in de arbeidersbuitenstad Pestszenterzsébet, waar Korniss woonde, ontruimden onderwijzers de aan de straat gelegen lokalen van de Polgári, de bovenbouw van de lagere school, en moesten de kinderen in de gang het eind van de ongeregeldheden afwachten.
De politie en het regiem sloegen keihard terug. Onder de jonge socialistische kunstenaars en academiestudenten die kort tevoren bij gelegenheid van een expositie in de academie al een enorme rel over zich heen hadden gekregen, achtte meer dan één het raadzaam om een tijdje te verdwijnen. Een van hen was Dezsö Korniss die een nu uit politieke nooddruft ondernomen reis gebruikte om zich dit keer in Parijs op de hoogte te stellen van de stand van zaken in de internationale cultuur. In Parijs deed Korniss een ontdekking die van enorme invloed zou blijken op zijn latere werk. In een antikwariaat struikelde hij over een boekje, door een Hongaar geschreven, over Bartók. Het programma van de Hongaarse componist, de synthese van avantgardistische muziek met de oude tonen van het volkslied, maakte diepe indruk op hem.
Na zijn terugkeer in 1931 werd Korniss een trouwe bezoeker van het deftige volkenkundige museum tegenover het parlementsgebouw. Heen en weer wandelend tussen het museum en zijn atelier filosofeerde hij over “een moderne kunst met Hongaarse wortels”, zoals hij zelf later schreef (manuscript uit 1931 bij Johan van Dam).
In de Hongaarse hoofdstad aardde Korniss intussen niet meer. Wijzer geworden door de dramatische ups en downs van rond 1930 en door zijn Parijse verblijf kon hij ook met het steriele internationalisme van Kassák niet meer uit de voeten en bovendien was het hele klimaat er hem te kil. In 1934 trok hij zich terug in een binnenlandse ballingschap, naar het schilderachtige plaatsje Szentendre om er in nauwe samenwerking met Lajos Vajda en geďnspireerd door het voorbeeld van Bartók en Kodály het boeiendste hoofdstuk uit zijn vooroorlogse kunstenaarschap te openen. Samen ontwikkelden Korniss en Vajda een programma, waarin zij het constructivisme nieuw leven wilden inblazen door het met de nieuwe mogelijkheden van het surrealisme te verrijken.
In een tijd van drie, vier jaar ontstonden schilderijen, waarop geometrische en aan de concrete omgeving ontleende vormen in één compositie met elkaar geconfronteerd werden en ontwerpen waarin het abstraherende vernuft als het ware terug naar af ging, alsof het contact met de werkelijkheid in de vorige ronde, die van het oude constructivisme, die van Kassák, geheel verloren was gegaan. De onderwerpen zijn weer landschappen, stillevens, soms ook gecombineerd, een bord met een stuk brood, een appel, een ui, een mes, een waterkruik, composities met vormen uit het gewone leven.
1938 is in de geschiedenis van de hoofdstad een rampjaar. Hongarije haastte zich naar de oorlog, die het herstel van het koninkrijk van voor 1918 moest brengen. Nazisme werd modieus, het culturele leven kwam in de ban van een zwaaropdehandse romantiek, het perspectief van de avant-garde, van het socialisme raakte volledig geblokkeerd.
Korniss’ vriend en strijdmakker raakte in de ban van de bioromantiek en ging werk maken waarvan Korniss gegruwd moet hebben. Zelf was hij niet in staat om nog iets zinnigs te produceren. In ieder geval is er geen enkel werk van hem uit die periode bekend. Weldra volgde de oorlogsverklaring. Korniss moest onder de wapenen en naar het front.
In de slag aan de Don werd het tweede Hongaarse leger begin februari 1943 verslagen en vernietigd. Korniss hoorde tot de frontsoldaten die de oorlog overleefden. Hij raakte krijgsgevangen, maar in 1945 was hij weer terug in de stad. Uit 1944 en 1945 dateren werken met titels als ‘afscheid’, ‘doden’, ‘de dode soldaat’, ‘rouw’. Korniss schilderde de oorlog van zich af.

Op 12 februari 1945 werd het restant van de Duitse bezettingstroepen bij de uitbraak uit het totaal in puin geschoten burchtkwartier door het Rode leger vrijwel geheel vernietigd. Boedapest was vrij. Nog maanden lang vielen stukken kalk en puin uit de zwaar toegetakelde gevels. Bij een wandeling was de nodige voorzichtigheid geboden. Voor Korniss kwam daar nog bij dat hij als oud-soldaat de kans liep om van straat gehaald en als krijgsgevangene gearresteerd te worden.
Toch hoorde juist hij tot degenen die van de bevrijding erg veel verwachtten. Hoezeer ook geruďneerd was de stad verlost niet alleen van de Duitsers en van de Hongaarse fascisten, maar de oorlog had ook een eind gemaakt aan het Horthy-regiem en aan het dodelijke provincialisme van die tijd.
Boedapest stond voor een nieuw begin. In een boekwinkel aan de Ullöi út 11, de uitvalsweg uit het centrum naar de drukbevolkte arbeiderswijken aan de zuidoostkant van de stad, begon hij de ‘Europese School’, een poging het contact met de internationale avant-garde te herstellen. Het zal hem genoegen gedaan hebben dat de goede oude Kassák ondanks de voor de oorlog al aan het licht gekomen verschillen af en toe een lezing kwam houden. Van de partij was ook Béla Czóbel, een oude avantgardist uit de tijd voor de eerste wereldoorlog nog, een grote naam en een nuttige verbindingsman omdat hij in Parijs werkte. Maart 1946 opende de eerste tentoonstelling. Het jaar erop was er een grote Frans-Hongaarse tentoonstelling met werk van onder anderen Braque, Matisse en Picasso. Westeuropeanen kregen de kans om hun werk in puinruimend Boedapest te laten zien en Hongaarse kunstenaars trokken met hun werk naar andere, door dezelfde oorlog geteisterde Europese hoofdsteden. In het kader van de Europese school verschenen boekjes over Baudelaire, André Breton en alweer Picasso. In zijn eigen werk nam Korniss de vooroorlogse draad, de synthese van constructivisme en surrealisme, weer op met onder meer thema’s ontleend aan Bartók.
De Europese School heeft zo’n twee jaar kunnen functioneren. De Nederlandse schilder Corneille hoorde tot de laatsten die nog in Boedapest kwamen exposeren. Daarna was het opeens voorbij. Met het begin van de Koude Oorlog gingen de deuren naar West-Europa dicht. In het ‘jaar van de wending’, 1948, kreeg de communistische partijtop de touwtjes in handen. Behalve het monopolie op de landspolitiek claimden de partijleiders ook het monopolie op het socialisme. Van socialisten van het type van Korniss en van Kassák meenden zij meer te vrezen dan te hopen te hebben.
Korniss werd net als Kassák op een zijspoor gezet. Veel collega’s uit de Europese School vertrokken, omdat ze in Hongarije geen mogelijkheden zagen. Korniss verloor zijn docentenbaan aan de academie, verloor de mogelijkheid om te exposeren en hij werd niet voorzien van bonnen die nodig waren om in een schilderswinkel verf en doek te kopen. Maar het destijds in Szentendre ontwikkelde programma, een in Hongarije gewortelde moderne kunst, was hem zoveel waard dat hij besloot de tegenwind te trotseren. Korniss bleef.
Vooral de problemen met het materiaal hebben Korniss geweldig gehinderd. Maar de wending van 1948 leidde er niet toe dat hij het contact met het buitenland verloor. In eigen land werd hij door de autoriteiten geďsoleerd, maar de eenzame kunstenaar bleef middelen en wegen vinden om zich van de internationale ontwikkelingen op de hoogte te stellen.
Overdag werkte Korniss voor het poppentheater, waarvoor hij poppen beschilderde en posters maakte. Zijn eigen kunst werd vrijetijdsbesteding. Uit die tijd dateren fotomontages en kleine surrealistische schilderijen, soms op de kaft van een boek.
Vanuit de inwendige ballingschap, waarin hij ten tweede male verzeild was geraakt en die van 1949 tot 1956 zou duren, signaleerde hij de pogingen, in het Westen, om de weg terug te vinden naar een ‘spontane’ kunst. Korniss reageerde daarop vanaf 1956 met een reeks kalligrafieën, die wel aan het werk van Pollock doen denken en waarin de spontane hand en de overwogen compositie een soms verbluffende synthese aangingen: gecalculeerde spontaniteit.
Zo overleefde Korniss de Stalintijd en de bijbehorende kunst, het socialistisch realisme, en was hij een van de eerste Hongaren die na de opstand van 1956 in het buitenland te zien waren: in 1958 hing werk van Korniss op een tentoonstelling in Amersfoort.
Officiële erkenning in eigen land bracht het hem niet. Want het socialistische realisme was dan rond 1956 wel een roemloze dood gestorven, maar de autoriteiten waren niet vergeten wie hun gezag in die tijd genegeerd had. In de jaren ’60 hanteerde de kunstpolitiek drie categorieën: er waren verboden, verdragen en gesteunde kunstenaars. Korniss kwam in de middelste groep terecht. Zo bleef hij ook in de Kádártijd problemen houden met de aanschaf van materiaal en bleven de officiële tentoonstellingsruimten voor hem gesloten. Via collega’s of buitenlandse contacten slaagde Korniss er bij tijden in om de hand op echte olieverf te leggen. Opvallend is in deze periode een soms uitbundig materiaalgebruik. In de Nemzeti Galéria hangt een kalligrafie die hij maakte met rechtstreeks uit de tube gedrukte verf. Met zulk werk vierde hij de plotselinge overvloed. Maar in dezelfde tijd was hij ook gedwongen om zijn toevlucht te nemen tot emailleverf of andere huis-tuin-en-keukenprodukten.
In zijn schilderijen in de jaren ’30 en ’40 had Korniss geometrische en meer concrete, historische vormen met elkaar geconfronteerd. In de jaren ’70 nam hij die thematiek weer op, zij het dat hij deze keer veel uitdrukkelijker koos voor folkloristische motieven. Uit deze periode dateert ‘Allegro barbaro’ een van zijn belangrijkste werken met een titel die naar Bartóks gelijknamige werk verwijst.
Het streven naar een synthese van de internationale vormentaal met symbolen uit de eigen omgeving maakte veel indruk op een jongere generatie kunstenaars. De prille jaren ’70 zijn de tijd van de ‘Hongaarse beat’. Musici, maar ook beeldend kunstenaars hadden behoefte om op een herkenbare manier aan de internationale trends bij te dragen. Mensen als Imre Bak en Tamás Hencze vonden hun weg naar het atelier van een vrij ongenaakbare Korniss om daar het hunne van zijn vaak strenge oordelen wijzer te worden.
Dezsö Korniss zou nog een laatste synthese beproeven. Zijn werk van rond 1980 werd weer zuiver geometrisch. Verwijzingen van historische aard waren er ook dit keer, maar nu waren ze subtieler. Ze gingen schuil in de patronen zelf en in de kleuren die herinneren aan het constructivisme uit de jaren na de eerste wereldoorlog. Korniss was weer terug bij het begin en terug bij zijn leermeester Kassák.
In 1980 kreeg hij eindelijk zijn grote tentoonstelling in de Nemzeti Galéria. Eindelijk was er erkenning voor een kunstenaarschap dat van het begin af aan in het teken had gestaan van het overbruggen van breuken en kloven, voor een kunstenaar die er met zijn eigen levenswerk voor zorgde dat de continuďteit in de 20ste-eeuwse Hongaarse beeldende kunst bewaard bleef. Vier jaar later overleed hij.

Noot: voor dit hoofdstuk voerde ik een lang gesprek met Johan van Dam, Korniss-kenner en kunsthandelaar in Szentendre.