Kees Bakker, In de Duitse club van Gyula. Bron: www.keesbakker.com

In de Duitse club van Gyula

door Kees Bakker

“Mensen die na jaren dwangarbeid uit de Sovjetunie thuiskwamen, kregen te horen dat hun familie naar Duitsland vertrokken was. Hun huis was intussen aan vreemden toegewezen. Dat heeft veel pijn veroorzaakt.”
Ádám Reiss wijst naar het raam. Aan de overkant, in de kerk, staan op een plaquette de namen van de mensen die niet terugkeerden: zestig van de vierhonderdtachtig.
De Duitse club van Gyula kreeg onlangs een nieuwe behuizing. Een paar tafels, stoelen, een bank, afkomstig uit een Duitse boerderij. Verder is het nog leeg. Het pandje staat wat achteraf op de Kun Béla utca, aan het plein dat vroeger het drukke centrum was van de Duitse stad. Het eenvoudige classicistische gebouw ernaast was vroeger het stadhuis. Schuin ertegenover het voormalige verenigingsgebouw van de industriëlen. Achter de kerk staat de school. Een intiem stukje vroege 19de eeuw, waar je aan voorbij zou lopen als er niet midden op het plein die grote kerk stond. “De derde,” vertelt Ádám Reiss. “De eerste was te klein en de tweede brandde af.”
In 1723 kwam hier de eerste groep kolonisten aan, boeren uit Baden-Württemberg, bij elkaar vierentwintig gezinnen. In het niets, in een tijdens de Turkse overheersing verlaten geraakte streek, probeerden ze een nieuw bestaan op te bouwen. De omstandigheden waren zo moeilijk dat de kolonies pas levensvatbaar bleken nadat een tweede en een derde groep boeren gearriveerd was. Organisator van de landverhuizing was generaal Von Harruckern, die in naam van de Oostenrijkse keizer de scepter over dit gebied zwaaide.
Op de boeren volgden handwerkslieden. Zij vestigden zich in Gyula en bouwden er zich hun eigen stad, die op den duur ook werkelijk een eigen burgemeester, een eigen begraafplaats en een eigen school kreeg: de Duitse stad, naast de Roemeense en de Hongaarse stad. De beelden die nu ter weerszijden van de kerk zijn opgesteld, markeerden vroeger de grenzen ervan. In 1857 werden de afzonderlijke steden onder één bestuur verenigd.
De Duitsers waren, vertelt Ádám Reiss, “tanya-boeren”. Dat wil zeggen, ze hadden behalve de boerderij in het dorp een “tanya””, een schuur annex woonruimte in het veld, waar ze in het seizoen meestal woonden. “Ze hadden niet meer land dan ze met hun gezin konden bewerken. Vaste knechts hadden ze zelden.” Grappige bijzonderheid: ze namen uit hun vaderland naar het waterige laagland hier de druiventeelt mee. Een cultuur die hier nog steeds bestaat, hoewel het gebied er eigenlijk niet zo geschikt voor is.
Met bedrijven van zo’n twintig tot dertig hectare vormden ze een soort middenklasse. “Hier in Gyula waren de Duitsers en de Hongaren elkaars gelijken,” aldus Reiss. Anders was het met de Roemenen. Op het platteland waren zij meestal arme boeren, die als seizoenarbeiders hun inkomen aanvulden. In de stad waren zij de knechts.
Tijdens de tweede wereldoorlog werden de verre nazaten van de Duitse kolonisten op een merkwaardige manier aan hun afkomst herinnerd. Het Hongaarse staatshoofd Miklós Horthy gaf toen namelijk de nazi’s toestemming om onder de Duitstalige bevolkingsgroep te werven. Zo ontstond in Hongarije de Volksbund. Hongaarse staatsburgers met een Duitse naam werden onder druk gezet om zich aan te melden bij de SS.
De bevrijding van Hongarije door de Sovjetunie liep voor de Duitse Hongaren, door Horthy aan de nazi’s uitgeleverd, op een catastrofe uit. Uit Elek bijvoorbeeld werd 90 procent van de mannen tussen de 18 en de 45 jaar meegenomen. Per vrachtwagon verdwenen ze naar de Sowjet-Unie waar ze als dwangarbeiders te werk werden gesteld. Veel van hen werden daar bovendien nog eens als oorlogsmisdadigers tot lange vrijheidsstraffen veroordeeld.
De Duitstalige Hongaren waren overigens niet de enigen wie dit overkwam. Hetzelfde gebeurde de Hongaarse krijgsgevangenen, bij elkaar 600 000 personen. Het trof ook mensen die alleen maar een Duitsklinkende naam hadden en het overkwam zelfs Hongaarse joden, die, aan de gaskamer ontsnapt, bij vergissing in dwangarbeiderskampen in de Sovjetunie verzeild raakten. “Het meest schokkende is eigenlijk,” zegt Ádám Reiss, “dat de situatie waarin zij terechtkwamen niet veel verschilde van die van de bevolking daar.”
Terwijl de meegenomen mannen in de Sovjetunie onder de meest bittere omstandigheden de tol van een verloren oorlog betaalden, werden de achtergeblevenen onder druk gezet om te vertrekken en zich in Duitsland te vestigen. “Hiervandaan zijn toen zesenveertig mensen naar Sankt Ilgen gegaan, een dorp in de buurt van Heidelberg.” En zo kon het gebeuren, dat mensen die uit de Sovjetkampen thuiskwamen, te horen kregen dat hun familie verdwenen en hun huis met de complete inventaris door anderen in bezit genomen was.
De koude oorlog trof alle Hongaren gelijkelijk. Aan de gevangenissen en de concentratiekampen van het Rákosi-bewind leverde de Duitse bevolkingsgroep net als de andere haar deel. Mogelijkheden om eigen organisaties op te bouwen waren er niet. Reiss: “Je kon in die periode Duits krijgen op school. Maar dat was dan ook alles.” Pas na de opstand van 1956 zou dat veranderen: “Sindsdien hebben we weer een eigen blad.”
De ellende van de Duitse bevolkingsgroep is tientallen jaren lang een verzwegen hoofdstuk geweest. Vier decennia lang leerde de officiële geschiedenis dat het Hongaarse volk door het heldhaftige Rode Leger was bevrijd om daarna zelf heldhaftig aan de socialistische opbouw te beginnen. Voor de deportaties, de gedwongen verhuizingen en de lange lijsten van overledenen was in die opvatting geen plaats. Lange jaren leefden mensen met herinneringen waarover ze met goed fatsoen niet konden praten.
In het Hongarije van nu komt dat verdrongen verleden weer boven. Wie zijn er weggevoerd? Wie zijn er teruggekomen? Met een vertraging van een halve eeuw gaan mensen op zoek naar de verdrietige feiten en vragen ze erkenning van wat toen is gebeurd als ook een stuk van de geschiedenis van hun land.