Kees Bakker, De barnsteenroute (2005). Bron: www.keesbakker.com

Route 3. Van Olomouc langs de Elbe naar Jutland

Van de Boheemse Poort naar Magdeburg

Door Kees Bakker

Door het Lausitz-gebergte

Alles wijst er op, dat de Elbe-nauwte zelf niet de enige en misschien zelfs niet eens de belangrijkste verbindingsweg tussen Bohemen en Saksen was. Reizigers vonden de Elbe op dit punt misschien wel te gevaarlijk. Ze werd in die tijd immers niet door keurige wegen begeleid, maar vulde de hele engte die daardoor bij hoog water min of meer onbegaanbaar werd. Het razende water bracht zoveel zand en kiezels aan land, dat de oevers van de Elbe tot Pirna aan toe voor bewoning totaal ongeschikt waren. Uit een boomstam vervaardigde boten of vlotten konden de nauwte misschien passeren, maar dan eigenlijk alleen maar stroomafwaarts.
Reizigers konden dus maar beter zien, of ze niet in de bergen boven de Elbe een doorgaande route konden vinden. Inderdaad kozen ze vaak voor het minste van de twee kwaden en zetten ze het liever op een klimmen dan hun leven in het water te wagen. Ongetwijfeld viel de keus op de omweg door de bergen ook vaak, omdat het Lausitz-gebergte een oeroud cultuurgebied was. In de late bronstijd was het een centrum van internationale allure met vele indrukwekkende burchten en snoeirijke heren en met handelaren en ambachtslieden die donders goed wisten wat er elders in Europa te koop was.
De late bronstijd was voor het berggebied bepaald een hoogtepunt. Maar ook in de eeuwen en millennia ervoor en erna was het een streek waar mensen zich snel thuis voelden. In al die jaren was het gebergte dooraderd geraakt met wegen en routes, die verbindingen vormden tussen het gebied rond de bovenloop en de streken langs de benedenloop van de Elbe.
Zo is het bekend, dat er in de middeleeuwen een drukke handelsweg was, die dwars door dit gebergte liep. De route stond lang bekend als de ‘oude zoutweg’ en ook wel als de ‘Boheemse glasweg’ en liep over Rumburk en šluknov naar Neustadt en dan verder naar Stolpen om vanuit dat stadje het dal van de Elbe weer op te zoeken.
Vanuit šluknov was er ook een weg die pal naar het noorden liep en dan vanaf Bautzen over Bischofswerda naar Dresden leidde. Deze weg passeerde de Schafberg die even verderop uitvoerig aan de orde komt. In Bischofswerda zijn ook verschillende archeologische vondsten gedaan.
Hiermee is het aantal prehistorische routes door het Lausitz-gebergte nog lang niet uitgeput. Zo hebben archeologen aanwijzingen gevonden, dat er hoog in de bergen, aan de bovenloop van de Kirnitzsch, de rivier, die even stroomafwaarts van Bad Schandau in de Elbe uitmondt, een jagersnederzetting heeft bestaan. Langs de Kirnitzsch loopt ook vandaag nog een weggetje, vanuit Bad Schandau over Lichtenhain naar Sebnitz en dan verder naar Rumburk. Deze weg moet, zoals blijkt uit vondsten uit deze periode bij Sebnitz, ook in de late bronstijd gebruikt zijn. Het lijkt er echter op, dat deze routes ook al in de vroege bronstijd bekend waren. Een aanwijzing daarvoor leveren twee grote vaten uit die periode, die op plekken in de buurt van deze route stonden. De vaten moeten in het kader van een of ander ritueel de plek hebben gekregen, waar ze vierduizend jaar later door bergbeklimmers werden herontdekt.
In de late bronstijd en de vroege ijzertijd liep er ook een route over de tegenwoordige grensplaats Zittau naar Bohemen. Deze route werd bewaakt door de burcht van Oybin, een imposante nederzetting met een eigen bronsgieterij.
Maar er was nog een andere variant van de noordelijke route. Deze meed Dresden en Meissen en bereikte pas bij Riesa (In Riesa bevindt zich een museum met een archeologische collectie) de Elbe.
In de late bronstijd kan de Wesenitz een rol hebben gespeeld in het verkeer van de Elbevallei naar het Lausitz-gebergte. Daarop wijzen vondsten uit de Lausitz-cultuur aan de benedenloop van de Wesenitz tegenover Pirna en verder in de bocht van de Wesenitz bij Bischofswerda. In de middeleeuwen was dit een weg die van Pirna over Lohmen en Bischofswerda naar Bautzen (Het stadsmuseum van dit plaatsje heeft een archeologische verzameling) leidde.

Op de Schafberg bij Niederkaina, een dorp in de buurt van Bautzen, doen archeologen al jarenlang onderzoek op een plek, die intussen tot één van de grootste prehistorische vindplaatsen van Saksen is uitgegroeid. Ze vonden er een bloeiende mesolitische gemeenschap die ze dateren in de tijd van 5500-4000 v. Chr. Het ging om mensen die echte jagers en verzamelaars waren, maar die bovendien in contact stonden met mensen buiten hun gebied. Dat blijkt uit het feit, dat ze over oker beschikten en nog meer uit het feit dat een lineair-bandkeramisch potje met oker in een dorpje benoorden Dresden (Stetzsch) is gevonden. In het graf met de okerverf troffen archeologen bovendien bijlen aan die een duidelijk neolitisch karakter vertonen. Okerverf werd al in het paleoliticum gebruikt bij grafrituelen. Er waren speciale mijnen waar de grondstof werd gewonnen en voor gebruik als verfstof gereed werd gemaakt. De gewoonte om doden met okerverf te beschilderen of te besprenkelen bleef ook in de mesolitische en in de neolitische periode bestaan. Op het enorme grafveld van Varna bijvoorbeeld, in het 5de millennium v.Chr. een schatrijke neolitische stad aan de westkust van de Zwarte Zee, zijn verschillende van zulke graven gevonden. Oker werd ook gebruikt bij begrafenisrituelen op mesolitische begraafplaatsen in het noorden, zoals die van Skateholm in het uiterste zuiden van Zweden, die uit het eind van de 6de en het begin van het 5de millennium v.Chr. dateert, en die van Strøby Egede aan de oostkust van Zeeland.
De begraafplaats van de Schafberg kwam rond 2800 v. Chr. opnieuw in gebruik en bleef ononderbroken tot 500 v. Chr. doden een laatste rustplaats bieden. Het nieuwe begin op de Schafberg hangt samen met het feit dat zich toen in Oberlausitz voor het eerst een neolitische cultuur verbreidde, die namelijk van de touwbekers (corded ware, Schnurkeramik). Bij deze cultuur hoorden skeletgraven waarop tumuli werden opgericht. Tumulusgraven of resten ervan uit de tijd van de touwbekers werden op de Schafberg zelf gevonden, maar ook op de nabijgelegen Hahnenberg bij Holscha, op de even ten noorden van de Schafberg gelegen dodenstad van Burk en bij Saalhausen. Uit een grafheuvel op de Schafberg kwam een bijltje tevoorschijn dat vervaardigd was van vuursteen uit het Baltische gebied. Ook barnsteen kwam als grafgift voor. Kenmerkend voor de grafgiften in de graven van de touwbeker-cultuur in de grafheuvels hier is, dat er zich veel vuurstenen pijlpunten bij bevonden. Dit is een aanwijzing dat de jacht voor deze mensen nog altijd een voornaam middel van bestaan was. De cultuur van de touwbekers was vooral op de Noordeuropese laagvlakte verbreid. Vandaar verspreidde ze zich langs de Elbe naar het Lausitz-gebergte en verder naar Bohemen en Moravië.

De oudste bronscultuur in Bohemen ontstond in de bergen aan de andere kant van de Elbe. Naar een vindplaats in de buurt van Praag heet ze de Únětice-cultuur. Deze cultuur bepaalde ook het gezicht van de vroege bronstijd in Saksen. Voor de verbreiding van de Únětice-cultuur naar het noorden was er een voordehandliggende route aan de westkant van de Elbe, vanuit het noorden gezien de weg die vanuit Dresden de Rote Weisseritz stroomopwaarts volgde, of de Müglitz, en dan een van de passen door het oostelijk deel van het Ertsgebergte nam en aan de andere kant over Teplice naar Ústi nad Labem leidde.
De Únětice-cultuur raakte echter ook in het Lausitz-gebergte verbreid en verspreidde zich van hieruit verder langs de Elbe. Graven uit de Únětice-cultuur zijn ook op de Schafberg gevonden. Uit zo’n graf kwam een collier tevoorschijn met barnstenen kralen. De vondst demonstreert, dat de barnsteenweg in deze tijd een doorgaande route werd, van zee tot zee.
Niet al te ver van deze enorme vindplaats, op de even ten noordwesten van Niederkaina gelegen Burker Berg vonden archeologen een groot kerkhof met steenkistgraven uit de vroege bronstijd.
In de late bronstijd kende dit gebied heel wat versterkte nederzettingen. Van verschillende bleven de resten bewaard. Bij Löbau, een plaatsje 15 kilometer ten oosten van Bautzen, ligt de Schlackenwall, de rest van een versterkte plaats uit de late bronstijd. Binnen de muren van deze nederzetting bevonden zich werkplaatsen voor het gieten van brons. Een andere vesting uit de late bronstijd bevond zich op de Proitschenberg, gelegen op een paar honderd meter ten noordwesten van Bautzen. Uit dezelfde tijd dateert de in het centrum van Bautzen gelegen vesting Ortenburg.
Graven uit de vroege ijzertijd leverden de karakteristieke dubbelconische urnen met driehoekmotief op. Bijzonder is de afbeelding van menselijke figuren op één van de urnen. In verschillende graven uit deze periode werden mens- en dierfiguren van keramiek gevonden, die samen een soort rammelaars vormden. Deze instrumenten werden waarschijnlijk in bepaalde rituelen gebruikt. Ook in de stad Bautzen zelf werden graven uit de vroege ijzertijd gevonden.
Het gebied rond Bautzen moet ook in de Romeinse tijd een belangrijke rol gespeeld hebben in het noord-zuidverkeer. Uit die tijd zijn verschillende Germaanse grafvelden teruggevonden. Uit de graven kwamen allerlei Romeinse importvoorwerpen tevoorschijn. In het gebied is ook Romeins geld uit de 1ste en de 2de eeuw gevonden.

Pirna

Het museum van Pirna heeft een kleine archeologische collectie. De collectie bevat microlieten uit Pratzschwitz, waar dus in het mesoliticum een jagerskolonie moet hebben bestaan. Bijzonder zijn de amfoorvormige kannen uit twee late fases van het neoliticum, één uit de periode van 3300-2900 uit Gommern en één uit de tijd van 2400-1900 uit Bonnewitz. Ze tonen aan, dat invloed vanuit het Middellandse Zeegebie tot in deze streken reikte.
In de neolitische tijd waren er nederzettingen op de lössgronden links van de Elbe tot bij Heidenau. Het gebied van Pirna was al in die tijd een verbindingsschakel tussen Saksen en Bohemen. Ook in de vroege bronstijd was het gebied bewoond. Ter plekke van het stadje Dohna bevond zich toen een versterkte nederzetting van de Unětice-cultuur. De burcht bewaakte een verbindingsweg tussen Saksen en Bohemen die door het oostelijk deel van het Ertsgebergte liep. In de Lausitz-tijd was het opnieuw intensief bewoond.
Intensieve bewoning was er in de vroege ijzertijd speciaal ook in het gebied rond Kamenz. De bekendste burgwal uit die tijd ligt bij Ostro, een plaatsje wat ten zuidoosten van Kamenz. In de burcht bevond zich een werkplaats voor het vervaardigen van bronzen voorwerpen. In de buurt van Ostro werd ook een groot grafveld gevonden met graven uit de late bronstijd en de vroege ijzertijd. In dezelfde omgeving werd ook een depot van de Unětice-cultuur geborgen (vondsten in het museum van Kamenz). Een andere burcht uit de vroege ijzertijd lag op de Vaterunserberg bij Nieder Neundorf, een dorpje ten noorden van Görlitz (In Görlitz bevindt zich een cultuurhistorisch museum met een omvangrijke archeologische collectie) aan de Duits/Tsjechische grens.
In de late ijzertijd werd het opnieuw een gebied waar culturen elkaar ontmoetten: die van de Germanen benoorden de Elbe-nauwte en die van de Kelten aan de andere kant. De wederzijdse beïnvloeding blijkt uit vondsten in een grafveld bij Děčín (Tetschen-Bodenbach).

In het gebied rond Pirna moeten heel wat Slavische nederzettingen hebben bestaan. De Slaven herschiepen het gebied niet alleen in een vruchtbaar landbouwland, maar gaven dorpen en rivieren ook namen die tot op de dag van vandaag bewaard zijn gebleven.
In het huidige Pirna lag onder de burchtberg, langs de Elbe, een Slavisch dorp. Wat noordelijker, even voorbij de tegenover het klooster gelegen oversteekplaats, lag een Slavisch vissersdorp.
Ook op de plek van het huidige Dohna, een hooggelegen stadje, lag in die tijd een Slavisch dorp. Mogelijk zijn de stichters van het burchtstadje Stolpen aan de Wesenitz ook Slaven geweest. In de jaren ’20 beschreef een lokale onderzoeker de z.g. Hussitenschans, een ringvormige verhoging in het landschap, gelegen aan de voet van Stolpen en intussen voor het blote oog niet meer herkenbaar. Hij veronderstelde dat het de Slavische voorloper van Stolpen was. Opgravingen zijn hier echter nooit verricht en het zal er misschien ook wel nooit meer van komen. We zullen dus wel nooit weten, wat een trotse Slavische stad hier gelegen heeft. Deskundigen veronderstellen dat Bischofswerda, toen in een moerasbos gelegen, al rond 600 een Slavische nederzetting was. Ook Sebnitz zou een Slavisch dorp zijn geweest.
Ook verder noordelijk lagen verschillende versterkte Slavische nederzettingen. Het bekendste voorbeeld is Ostro, een burcht uit de vroege ijzertijd, die al even aan de orde kwam. Slavische kolonisten namen de burcht opnieuw in gebruik en voorzagen hem van een nieuwe muur. De versterkte nederzetting dateert uit de 9de of 10de eeuw. Materiaal uit de beginperiode van de Slavische kolonisatie ontbreekt.
In de buurt van Ostro lagen nog heel wat Slavische dorpen. Op drie kilometer afstand de Kuckauer Schanze, ook een versterkte nederzetting, gelegen aan dezelfde rivier als Ostro, de Klosterwasser. Op vier kilometer afstand ligt de schans van Kopschien en in het zuidoosten de ringwal van Grosshähnchen. Ook bij Coblenz en Nedaschütz (Dobranitz) liggen Slavische versterkingen.
Op wat grotere afstand zijn er Slavische burchten bij Göda, Spittwitz, Seitschen, Doberschau, Bautzen, Brokna, Loga en Luga. Bij Nimschütz en Pannewitz zijn twee versterkingen opgegraven die op het tracee van de snelweg lagen. Stuk voor stuk waren deze burchten regionale centra die het omliggende gebied beheersten. In één ervan, de Lubasschanze, is onder meer een ijzergieterij gevonden.
Het Slavische wereldje in deze contreien raakte in de 10de eeuw over zijn hoogtepunt heen. Een keerpunt was de stichting van de burcht Meissen iets stroomafwaarts van Dresden. Vanuit deze burcht verbeidde zich het Duitse gezag over het gebied.

Dresden

Van Pirna gaat de route over Heidenau naar Dresden. Gelegen op de plek, waar het dal van de Elbe wijder wordt en zo een soort warmte-eiland vormt, was de hofstad van de koningen van Saksen van oudsher een bewoonde plek. Erg belangrijk was, dat er zich op de linkeroever van de Elbe uitgestrekte lössgronden bevonden. Vooral de linkeroever was danook populair bij kolonisten, niet alleen in de nieuwe steentijd, maar ook later. Ook de vondsten uit de late ijzertijd concentreren zich nog in dit gebied.
Tot de opmerkelijkste vondsten behoort een potje uit de cultuur van de lineaire bandkeramiek, dat okerverf bevatte. Oker speelde als verfstof in het paleoliticum al een grote rol. Ook in de mesolitische periode bleef het in gebruik bij begrafenisrituelen. Al eerder kwam het mesolitische graf ter sprake uit de grote vindplaats Niederkaina bij Bautzen. De dode was kennelijk met oker ingesmeerd.
In de tijd van de lineaire bandkeramiek was er sprake van een grote culturele ruimte, waarvan Midden-Europa het centrum vormde. Het gebied van Dresden was daar een noordelijke uitloper van.
Rond 4800 v. Chr. deden zich ingrijpende veranderingen voor. Er verscheen een nieuw type keramiek, de z.g. Stichbandkeramik. De verwantschap met de lineaire bandkeramiek is groot: in plaats van lijnen brachten deze pottenbakkers stippellijnen op hun keramiek aan. Op andere gebieden waren er echter belangrijke verschillen tussen de cultuur van de lineaire bandkeramiek en die van de Stichbandkeramik. Het verschijnen van de nieuwe keramiekvorm ging namelijk samen met de introductie van lijkverbranding. De cultuur van de Stichbandkeramik verbreidde zich ook in Saksen. Nederzettingen van de cultuur van de Stichbandkeramik zijn ook in de omgeving van Dresden gevonden (Dresden-Prohlis, Dresden-Nickern).
Vondsten uit de slotfase van het neoliticum zijn in de omgeving van Dresden zeldzaam. Opvallend is daarom de vondst van een graf uit de cultuur van de touwbekers bij Laussnitz (in de buurt van Kamenz) ten oosten van de Elbe.
In de vroege bronstijd stond het gebied van Dresden onder sterke invloed van de Unětice-cultuur uit het noordwesten van Bohemen. Bij Kauscha, even bezuiden Dresden, vonden opgravers een nederzetting uit de Unětice-tijd. Opmerkelijkste vondst was een zware halsketting met kralen van fayence en barnsteen. De kralen van fayence waren mogelijk uit Bohemen afkomstig. Mogelijk verbreidden ook rituelen uit de Unětice-wereld zich naar dit gebied. Daarop wijst het beeldje van een zwijn uit de vroege bronstijd, dat in Dresden werd gevonden. Dergelijke beeldjes kwamen ook in Bohemen aan het licht. In Dresden-Gostritz werden steenkistgraven uit de Unětice-cultuur gevonden.
Ook in de midden-bronstijd, de tijd van de grafheuvels, was Dresden een belangrijk centrum. Maar misschien werd de late bronstijd wel de eigenlijke gouden tijd van het prehistorische Dresden. De vondst van een depot met bronzen voorwerpen bij Friedersdorf in de buurt van Dresden is wat dat betreft de moeite van het overdenken waard. De voorwerpen dateren uit de 13de of de 12de eeuw v. Chr., uit het begin van de late bronstijd dus. Samen tonen ze aan dat dit gebied contact had niet alleen met het noorden van Duitsland, maar ook met de streek van de Rijn en de Main en met Frankrijk.
De late bronstijd is de periode waarin zich langs de Elbe de Lausitz-cultuur verbreidde. ‘Lausitz’ is de archeologische term voor een dynamische wereld met rijke heersers en heel wat wapengekletter en onneembare vestingen die op gezette tijden natuurlijk toch werden ingenomen. Een voorbeeld van zo’n vesting is de z.g. Heidenschanze van Dresden-Coschütz. De muur van de Heindenschanze werd kort voor het jaar 1000 v.Chr. gebouwd rond een al bestaande nederzetting van de Lausitz-cultuur. Na een brand kreeg de vesting rond 1000 v.Chr. een nieuwe muur. In de vesting bevonden zich werkplaatsen voor het vervaardigen van pijlpunten van been en hoorn, van keramiek en voor het gieten en bewerken van brons. Opgravers vonden binnen de vesting ook kleine dierfiguurtjes van klei.
Ook in Dresden-Dobritz werd een nederzetting uit de late bronstijd gevonden. De opgravingen waarbij overigens ook vondsten uit de cultuur van de touwbekers en uit de Unětice-cultuur geborgen werden, brachten een bronsgieterij en een weverij aan het licht. De meest spectaculaire vondst was die van een compleet bronzen drinkservies: een bronzen emmer, een zeef, vaatjes met een lang handvat voor het schenken van de wijn en een set van twaalf kommen. Het deftige servies moet eigendom zijn geweest van een rijke heer die over goede contacten langs de barnsteenroute beschikte. Het is immers waarschijnlijk dat het servies uiteindelijk uit Italië afkomstig was. Dat de Dresdener machthebber en zijn gasten er ook wijn uit dronken, ligt niet voor de hand. De import van wijn uit het Middellandse Zeegebied kwam pas in de late ijzertijd op gang. De emmer zal gevuld zijn geweest met een lokaal alcoholisch drankje gebaseerd op granen en vruchten.
Een andere vesting uit de late bronstijd ligt bij Pillnitz op de rechter oever, even benoorden de plek waar de Müglitz in de Elbe uitmondt. Op de Dresdner Heide vonden opgravers een grafveld met 24 graven uit de late bronstijd. Uit de graven kwam naast aardewerk ook een bronzen scheermes tevoorschijn. Scheermessen waren prestige-voorwerpen van de machthebbers. Ook in de Noordse wereld waren ze in de late bronstijd erg populair. Zo’n 50 kilometer ten westen van Dresden, ook nog even ten westen van Döbeln, precies op de plek waar de Zschopau in de Freiberger Mulde uitmondt, ligt een grote burcht uit de late bronstijd, de ‘Staupen’. De burcht bewaakte een oversteekplaats over de Mulde.
Wat verder stroomopwaarts, pal tegenover de mond van de Müglitz, lag in de vroege ijzertijd een versterkte plaats. Een belangrijke rol in het noord-zuid verkeer zal de vesting gespeeld hebben, die in de late bronstijd aan de Rote Weissenitz lag in de buurt van het tegenwoordige Hainsberg. Misschien was deze burcht wel het eerste Dresden.

De samenleving in de late bronstijd bestond uit kleine territoria met een aantal onverdedigde nederzettingen en een centrale versterkte plaats. In zo’n gebied leefden misschien 2000 mensen. Er was een heersende elite van strijders die intensieve contacten onderhielden met collega’s elders. Exclusieve vorsten, zoals ze in de midden- bronstijd hadden bestaan, kwamen allang niet meer voor. Maar het lijkt wel waarschijnlijk, dat de lokale of regionale heersers een soort koning boven zich erkenden. Als er zo’n Lausitz-staat bestaan heeft, dan zou Dresden een grensvesting geweest kunnen zijn, een plaats waar de heren van Lausitz zaken met de late-bronstijdculturen in het westen van Europa deden.
Wapenrusting en begrafenisrituelen van de strijders-elite beantwoordden duidelijk aan internationale normen en ideeën. Zo was het zwaard onmiskenbaar een belangrijk prestige-voorwerp voor deze kringen. Veel van de teruggevonden zwaarden waren uiterst kostbaar en hadden een vorm waardoor ze in een eventueel gevecht totaal onbruikbaar waren. Ook het paard was zo’n statussymbool. Het had in de late bronstijd typisch al de positie van ‘edel dier’, zoals onder meer blijkt uit crematiegraven van paarden in het Lausitz-gebied. De begrafenisrituelen van de elite werden met een pijnlijke precisie gekopiëerd van rituelen uit Griekenland. Men haalde vaklui naar het noorden om grafurnen van geslagen brons te maken. De afbeeldingen op die vaten leken als twee druppels water op voorbeelden uit het zuiden. Beroemd is wat dat betreft de amfoor van Gevlinghausen, waarop een afbeelding staat die als zonneschip wordt geïnterpreteerd. Precies zo’n amfoor kwam in Vejo in Italië tevoorschijn. Maar ook in Seddin langs de Elbe is een elite-graf gevonden met een dit keer onversierde amfoor. De bronzen amfoor lijkt sterk op de amfoor die in Rørbœk in het noorden van Jutland tevoorschijn kwam. Zo onweerstaanbaar was de Grieks/Etruskische cultuur blijkbaar, dat ze tot aan de uiterste noordkant van de barnsteenroute doordrong.

Het verkeer over de verbindingswegen tussen Saksen en Bohemen was in de late bronstijd intensief. In de late bronstijd lag het accent op de expansie van de Lausitz-cultuur in zuidelijke richting, in de vroege ijzertijd was er sprake van sterke invloed vanuit Bohemen in Saksen. Uit het feit dat Boheemse invloeden inde vroege ijzertijd in Oberlausitz ontbreken, kan afgeleid worden dat de communicatie in die tijd via de passen in het oosten van het Ertsgebergte verliep. Voor mensen die in deze tijd langs de barnsteenroute zaken deden, gold het gebied van Lausitz als gevaarlijk, iets waar je maar het liefste met een grote boog omheen ging. In de late ijzertijd veranderde dit weer. In die tijd ontstonden in het Lausitz-gebied Germaanse nederzettingen die de noord-zuidhandel weer tot leven brachten.
Ook het gebied rond Dresden kende in die tijd veel Germaanse nederzettingen. Op de rechteroever van de Elbe, bij Radeberg en op de Dresdner Heide vonden opgravers de sporen van heel wat nederzettingen uit de tijd van het Romeinse Rijk en van de volksverhuizingen. In een aantal gevallen kwam aardewerk van terra sigillata tevoorschijn, een aanwijzing dat er handelsverkeer was met de Romeinse provincies.

Het verkeer tussen Saksen en aan de andere kant Bohemen en Hongarije bleef ook na de ineenstorting van het Romeinse Rijk intensief. Ook in de 6de eeuw, de tijd dat de Slavische kolonisten acte de présence gaven, was dit nog altijd het geval. Een aanwijzing daarvoor vormt een tweetal graven die in 1897 in Dresden-Nickern werden ontdekt. De grafgiften, een fibula en andere snuisterijen, die op het eind van de tweede wereldoorlog overigens verloren gingen, waren uit ateliers in Hongarije afkomstig.

Gezien het enorme tempo, waarin de Slavische kolonisatie van Midden-Europa zich voltrok, is het bijna onmogelijk om vast te stellen in welke richting zich dit kolonisatie-proces voltrok. Archeologen veronderstellen weleens, dat de Slavische kolonisatie van dit gebied vanuit Bohemen werd gevoed en dat de nieuwkomers dit gebied via het Ertsgebergte bereikten. Je zou dan verwachten, dat sporen van de eerste fase van de Slavische kolonisatie ontbreken. Maar dat is niet het geval. Zo werd in Dresden-Stetzsch in een crematiegraf een pot van het Praagse type gevonden. Interessant is, dat tot de vondst een pijlpunt met drie vleugels behoort. Deze pijlpunt zou een Avaarse achtergrond hebben en verwijzen naar de onderlinge samenhang van de Avaarse en de Slavische kolonisatie van Midden-Europa. Een historische bron meldt, dat de Avaren in 562 ‘in Thüringen aan de Elbe’ verslagen werden door koning Sigibert. Drie jaar later waren de Avaren er weer. Dit keer moest de koning hun vertrek afkopen.

De Saale

Een volgend centrum van nijverheid en rijkdom was het dal van de Saale. De belangrijkste pijler onder de welvaart van dit berggebied was de zoutwinning in de omgeving van Halle. Voorraadputten en zoutziederij-inrichtingen uit de brons- en de ijzertijd, die op het stadsplein van Halle bij opgravingen zijn gevonden, herinneren daaraan. Zout was in die tijd zo goed als geld. Het was onmisbaar bij het vergroten van de houdbaarheid van levensmiddelen: zonder zout kwam je de winter dus minder goed door. Vanaf de late bronstijd, met het ontstaan van nederzettingen met een urbaan karakter, ging het conserveren van levensmiddelen een steeds grotere rol spelen en werd zout dus ook belangrijker. Maar het witte goedje was bovendien een fantastische smaakmaker. Als je er eenmaal aan gewend was, kon je er moeilijk meer buiten. En tenslotte was zout, omdat het nu eenmaal onbederfelijk was, een ideaal handels- en oppotartikel. Eigenaren van zoutmijnen behoorden tot de superrijken van hun tijd. Zij troonden op imposante burchten in de omgeving en onderhielden langs de barnsteenroute over grote afstanden contacten. Het is danook niet toevallig, dat bij Halle een enorm depot met Ösenringe tevoorschijn kwam. Het bestond uit maar liefst 600 stuks.
Al in de Únětice-tijd kwam het aan de Saale tot de bouw van versterkte plaatsen, bijv. Schlossberg bij Mutzschen (onder Leipzig) en Rudelsburg bij Bad Kösen aan de Saale. Ze hadden de functie van regionale centra. In die burchten resideerden schatrijke heersers. Ongetwijfeld gebruikten zij die versterkte plaatsen ook om voorraden aan te leggen. Het kon daarbij gaan om voorraden granen, bronzen halffabrikaten en in deze regio uiteraard ook zout. Ook ambachtslieden werden binnen de muren aan het werk gezet om wapens en prestige-voorwerpen te vervaardigen. Het lijkt er echter niet op dat al deze activiteiten, zoals op Kreta en later in de Myceense steden, geconcentreerd waren in één gebouw, het burchtpaleis. Graven van zulke vorsten compleet met gouden grafgiften werden gevonden in Helmsdorf, in Leubingen (bij Erfurt) en in Dieskau (bij Halle).

Meissen

Vanuit Dresden volgt de route de linker Elbeoever en gaat langs Stetzsch naar de oude burchtstad Meissen. In de omgeving van Stetzsch zijn grafvelden gevonden uit de periode van de late bronstijd tot de late ijzertijd. Bovendien kwam hier een nederzetting aan het licht van de Lausitz-cultuur. Aan de andere kant van de Elbe, in Kötitz (onderdeel van Coswig), zijn crematiegraven gevonden van de cultuur van de Stichbandkeramik.
Gelegen op de plek waar de bergen de Elbe weer naderen en zo de ‘ketel van Dresden’ afsluiten, geldt Meissen wel als de plek waar Dresden begon. De burcht speelde een grote rol in de vestiging van het Duitse gezag in dit door Slaven bewoonde gebied. De stichting van de burcht volgde op een veldtocht van koning Heinrich I tegen de Slaven in dit gebied in 928/29. Op de piepkleine hoogte resideerde behalve een markgraaf sinds 968 ook een bisschop. Ook andere hoogten werden in deze tijd tot Duitse vestingen omgebouwd. Dit gebeurde bijvoorbeeld met de Burgberg Zehren en de daartegenover, aan de andere kant van de Elbe, gelegen Burgberg Zadel. Zehren en Zadel waren versterkte Slavische nederzettingen.
Maar ook in de prehistorie was Meissen belangrijk. Uit de periode van de lineaire bandkeramiek dateren vruchtbaarheidsbeeldjes die in de buurt werden gevonden: de venus van Birmenitz en de venus van Mauna. Een graf uit de cultuur van de Stichbandkeramik werd gevonden bij Piskowitz, een dorpje tien kilometer benoorden Meissen. Uit de vroege bronstijd dateren vondsten van Ösenringe op verschillende plaatsen in de omgeving van het stadje.
In de late bronstijd en de vroege ijzertijd lag er niet alleen op de burchtberg zelf een versterkte nederzetting, zoals uit allerlei vondsten blijkt, maar ook de omgeving kende in die tijd verschillende burchten. De overblijfselen van zo’n burcht zijn nog te vinden bij Sörnewits (Deutsche Bosel) op de rechter oever even buiten Dresden. Een volgende burcht lag ten zuiden van Meissen aan de Triebisch (Hohe Eifer, nu aan de rand van de stad). Een andere burcht lag wat stroomafwaarts aan de Elbe op de linkeroever, even benoorden de plek waar de Ketzerbach in de Elbe uitmondt (Burgberg Zehren). Even verder, bij een flinke bocht in de Elbe, lagen er drie, één bij Löbsal (Burgberg Löbsal), één bij Seusslitz (Goldkuppen) en daartegenover, op de linkeroever, nog één (Göhrisch). Deze vestingen bewaakten de oversteekplaats Rauhe Furt, even benoorden Meissen.
Het grote aantal burchten langs de Elbe laat zien, dat de betekenis van de rivier als handels- en verbindingsweg in de late bronstijd en de vroege ijzertijd enorm was en verder dat in het gebied van Pirna tot Meissen de rijke, machtige en hardhandige heren elkaar als het ware verdrongen.
De opmerkelijkste vondst in Meissen verdween aan het eind van de oorlog spoorloos. Het is een lange bronzen hamerbijl die in de midden-bronstijd (1500 v. Chr.) werd gedateerd en die uit het gebied van het tegenwoordige Hongarije afkomstig moet zijn geweest.
Uit de periode na de vroege ijzertijd zijn er in Meissen geen sporen van bewoning gevonden. De berg moet dus een maagdelijk voorkomen hebben gehad, toen koning Heinrich er zijn oog op liet vallen.
Aan de andere kant van de Elbe, bij Gävernitz, ten westen van de weg van Meissen naar Grossenhain, vonden opgravers een grafveld uit de bronstijd met onder meer enkele grafheuvels. Uit de graven kwamen onder meer gietvormen tevoorschijn. Dit betekent dat zich ter hoogte van Gävernitz een nederzetting bevonden moet hebben met daarin een werkplaats voor het vervaardigen van bronzen voorwerpen. De vondsten zijn te zien in het museum van Grossenhain. Bij Kmehlen, een dorpje ten oosten van dezelfde weg, vonden opgravers de resten van een tweetal nederzettingen van de cultuur van de lineaire bandkeramiek. De nederzetting lag aan de zuidelijke rand van het löss-plateau van Lommatz. Vertegenwoordigers van de Stichbandkeramik stichtten veel later opnieuw een dorp bij Kmehlen. Uit de periode van het Romeinse Rijk vonden opgravers bij Kmehlen de resten van een in de grond uitgegraven woning.

Torgau

Vanuit Meissen volgt de route de Elbe stroomafwaarts naar Riesa. De omgeving van dit stadje, precies gelegen op de plek waar de Elbe de bergen verlaat en de vlakte instroomt, was al in de vroege bronstijd bewoond. Zo kwam in Althirschstein, een dorpje acht kilometer bezuiden Riesa aan de rivier, aardewerk uit de Unětice-cultuur tevoorschijn (te zien in het museum van Riesa). Het museum van Oschatz, een plaatsje aan de Döllnitz, zo’n tien kilometer bewesten Riesa, bewaart een scheermes uit de late bronstijd. Het is afkomstig van een grafveld in de buurt van Nünchritz.
De vallei van de Döllnitz, even ten zuiden van Oschatz, moet een buitengewoon geliefde plaats van vestiging zijn geweest. Bij het aan de rand van de vallei gelegen Leuben werden bij opgravingen resten gevonden van nederzettingen uit de tijd van de lineaire bandkeramiek en van de vroege ijzertijd. Verder kwamen er graven tevoorschijn uit de tijd van de touwbeker-cultuur, van de Unětice-cultuur en van de Lausitz- cultuur. Opgravers vonden er bovendien een Germaans dorp uit de 1ste eeuw met een groot aantal ijzersmeltovens en verder kalkovens en allerlei werkplaatsen.
In de zandheuvels van de Göhlischer Düne ten oosten van Riesa vonden opgravers crematiegraven uit de cultuur van de Stichbandkeramik, de sporen van een nederzetting van de cultuur van de kogelamforen, graven uit de vroege bronstijd, een nederzetting uit de midden-bronstijd die tot in de vroege ijzertijd heeft voortbestaan en graven uit de late ijzertijd en de eerste eeuwen van het Romeinse Rijk.
Het gebied heeft zijn aanzijn te danken aan de ijstijd. Het ijs bracht hier geweldige massa’s zand en grind en liet in het landschap hobbels na, die later voor bewoning werden uitgekozen. Menselijk leven was er hier eerder op wat afstand van de rivier. In Dahlen bijvoorbeeld, een plaats wat ten westen van Riesa, vonden opgravers een nederzetting uit de Lausitz-tijd. Op een steenworp afstand van die nederzetting zouden Slavische kolonisten veel later een burchtstad bouwen. Vondsten die naar de eerste Slavische kolonisten verwijzen, werden ook gedaan op de Galgenberg bij Paussnitz, een plaats in de buurt van Riesa. Op deze berg kwamen verschillende crematiegraven tevoorschijn met potten van het Praagse type. Eén ervan bevatte een ketting met gele en blauwe glazen kralen. De meest spectaculaire vondst uit de vroege Slavische tijd werd gedaan bij Sornzig. Opgravers vonden er een dorp dat gespecialiseerd was in de vervaardiging van maalstenen voor draaiende handmolens. Het dorp was afhankelijk van de nabijgelegen Slavische vesting Baderitz. Het ontstond in de 8ste eeuw en bleef tot in de 12de of 13de eeuw voortbestaan. Er zijn aanwijzingen dat al in de 8ste eeuw op meerdere plekken in dit gebied molenstenen voor draaiende handmolens gemaakt werden.
De route volgt de rechter oever en gaat langs plaatsjes met oeroude kernen als Zeithain, Mühlberg en Brottewitz naar het noorden. Bij Belgern is het mogelijk de Elbe weer over te steken en de weg naar de oude vestingstad Torgau te nemen. Even voor Torgau ligt links van de weg Mehderitzsch. In de bossen ten zuidwesten van dit plaatsje, langs de weg naar Taura, liggen de resten van een versterkte nederzetting uit de slotfase van de Lausitz-cultuur, de late bronstijd en de vroege ijzertijd. De versterking lag oorspronkelijk in een moeras. Versterkte nederzettingen werden in deze tijd wel vaker in moerassen gebouwd. Dit gebeurde bijvoorbeeld in de Oberlausitz
In de oudste fase van het neoliticum werd dit gebied niet bewoond. De boeren uit de tijd van de lineaire bandkeramiek vonden hier niet de vruchtbare löss, waarop ze gewend waren hun akkers in te richten. In de laatste fase van het neoliticum woonden hier wel mensen. Zo laat het museum van Torgau wat scherven zien uit de touwbeker-cultuur uit het 3de millennium v. Chr. Ze zijn afkomstig uit het wat naar het oosten gelegen plaatsje Beilrode.
Uit de oude en de midden-bronstijd is er niets, maar uit de Lausitz-cultuur laat het museum wat materiaal zien, dat afkomstig is uit een grafheuvel bij Görnewitz, onder andere een kleine dubbelconische vaas met driehoekmotief. Het driehoekmotief keert terug op een urn uit de jonge ijzertijd en zelfs op een dubbelconische urn uit de periode van het Romeinse Rijk. Het is een verrassende aanwijzing voor continuïteit in een gebied dat in de late ijzertijd ver buiten de invloedssfeer van de Kelten lag. Een andere aanwijzing daarvoor is het grote grafveld van Liebersee, in de buurt van Torgau aan de Elbe gelegen. Op dit kerkhof vonden vanaf de late bronstijd tot de tijd van de komst van de Slaven onafgebroken begrafenissen plaats. Verbazend interessant is, dat ook op deze, ver buiten het Romeinse Rijk gelegen begraafplaats halverwege de 3de eeuw de crematie plaats ging maken voor de lijkbegraving. In deze graven werden naast giften van brons en ijzer en kralen van glas ook barnstenen kralen aangetroffen. De vele eeuwen lange reeks werd afgesloten door Slavische crematiegraven uit de 6de eeuw.
Dat Slavische kolonisten zich al in de eerste fase van de grote Slavische migratie in de omgeving van Torgau vestigden, blijkt ook uit opgravingen in Zwethau en Beilrode aan de overkant van de rivier. Archeologen vonden er een dorp uit de slotfase van het Romeinse Rijk. Op de bijbehorende begraafplaats kwamen ook Slavische crematiegraven uit de 6de of 7de eeuw aan het licht. De crematieresten waren in vaten van het Praagse type ter aarde besteld.

Het gebied van de Elbe en de Saale werd in de 7de eeuw door de Slaven gekoloniseerd. Torgau, dat in het Slavisch markt betekent, zal ook een Slavische nederzetting zijn geweest. Deskundigen gaan er meestal vanuit, dat de Slavische kolonisatie in dit gebied later op gang kwam dan in Polen en Moravië. Toch zijn er allerlei aanwijzingen dat dit gebied ook al in de vroegste fase van deze kolonisatiebeweging Slavische inwoners kreeg. Het is in dat verband interessant, dat in Süptitz, een plaatsje even ten westen van Torgau, niet alleen Slavisch aardewerk van later datum tevoorschijn kwam, maar ook een potje van het Praagse type uit de begintijd van de Slavische kolonisatie. Aardewerk van dit type werd, zoals we al zagen, ook in Dresden gevonden, maar ten zuiden van die stad, in het gebied van de Boheemse Poort niet. Nog weer zuidelijker, in Praag bijvoorbeeld, dook het wel op. Dit betekent niet, dat de Elbe-nauwte bij de verbreiding van de Slavische cultuur geen rol speelde, maar wel dat de eerste kolonisten het als een doorgangsgebied zagen en zich liever in wat bredere valleien in de onmiddellijke omgeving van het water vestigden.

Torgau, gelegen op een berg die destijds een eind in de bedding van de Elbe stak, kon zich tot een belangrijke nederzetting ontwikkelen, omdat het stadje aan een oversteekplaats lag. De oversteek werd vergemakkelijkt door een grote ondiepte (nu een eiland) in de toen zo’n 200 meter brede rivier. Torgau werd zo een knooppunt in het verkeer naar Leipzig en Halle.
De stad wordt voor het eerst vermeld in 973, in het sterfjaar van Otto I. Het onder Duits bestuur brengen van de Slavische bevolking langs de Elbe was een belangrijk onderdeel geweest van de politiek van de eerste Duitse keizer. Ook de bouw van een burcht op de hoogte van Torgau stond in het teken van de consolidatie van het Duitse gezag in dit gebied.

Magdeburg

De route volgt de Elbe naar Wittenberg en gaat dan naar Rosslau. Het is een plaatsje met een burcht die het midden houdt tussen een kasteel en een hereboerderij. De muren zijn grotendeels opgebouwd met de hier door de ijstijd achtergelaten zwerfstenen.
Op de linkeroever tegenover dit plaatsje ligt de oude, maar aan het eind van de tweede wereldoorlog totaal verwoeste stad Dessau, die ook een belangrijk bruggehoofd was in de handel op de zoutstad Halle.
De route gaat verder over Zerbst, een versterkte middeleeuwse stad (delen van de muur en enkele stadspoorten zijn bewaard gebleven) en Gommern naar Magdeburg.
Magdeburg is de stad van Otto I, van keizer Otto de Grote, de man, die een eeuw na het verscheiden van Karel de Grote diens droom tot de zijne maakte: een wereldrijk in de orde van grootte van het Romeinse Rijk, dat uit de as van het oude Romeinse Rijk en peurend uit de ruïnes ervan wat nog bruikbaar was, moest herrijzen.
Als centrum voor dat grote plan koos hij een stad uit helemaal aan de oostgrens van Duitsland, eigenlijk zelfs een eind eroverheen, in het land van de Slaven.
Otto I liet zich in 936 in Aken, de hofstad van Karel de Grote, tot koning kronen. Nog in hetzelfde jaar nam hij kwartier in Magdeburg. Het stadje dat hij aantrof, was na een plundertocht van de Magyaren door zijn vader Heinrich I (919-936) weer op orde gebracht. Het had een aan Stefanus gewijde kerk, een door Heinrich herbouwd heiligdommetje uit de Karolingische tijd en misschien waren ook de twee of drie seculiere gebouwen uit die tijd, waarvan archeologen de fundamenten vonden, nog min of meer in tact.
Het gebied waar de Saale in de Elbe uitmondt, was door Karel na een drietal veldtochten aan zijn rijk toegevoegd. Al in 775 had zo’n expeditie hem tot aan de Oker gebracht. In 780 hadden met de troepen meegereisde missionarissen de verslagen Saksen massaal gedoopt. In 784 was hij tot aan de Elbe doorgestoten, in 789 was er onder het toeziend oog van Karel zelf een brug over de Elbe gebouwd en in 795 hadden zijn soldaten uiteindelijk ook de oversteekplaats Magdeburg bereikt. Nog weer een decennium later had Karel er een grensgraaf heengestuurd met als opdracht een eind te maken aan de wapenhandel met de Slaven. Ook Karels gelijknamige zoon vergat het plaatsje niet. Hij had er in 806 een versterkt gebouw laten optrekken.
Toch vond Karel Magdeburg niet belangrijk, of misschien niet veilig genoeg om er het centrum van de nieuwverworven regio van te maken. Hij koos voor het ver naar het westen gelegen Osterwieck, dat vanuit Châlons-sur-Marne van geestelijken werd voorzien. Osterwieck wordt in 781 voor het eerst als bisschopszetel vermeld. Om onbekende redenen verplaatste Karel de zetel in 804 naar Halberstadt, dat van toen af aan het rijk aan de oostgrens moest vertegenwoordigen. Later leidde dit nog tot heel wat last. De bisschop van Halberstadt dwarsboomde namelijk lange tijd met succes de pogingen van Otto I om Magdeburg tot aartsbisdom te verheffen.
Omdat de bezittingen van de familie nu eenmaal hoofdzakelijk in dit gebied lagen, maar misschien ook omdat nieuw gebied in het Slavische territoir voor het oprapen leek, koos Otto Magdeburg tot zijn centrum uit.
In 937 liet hij hoogwaardigheidsbekleders van heinde en verre opdraven voor een hofdag, waar het belangrijkste onderwerp de stichting was van een aan de heilige Mauritius gewijd klooster.
De heren moeten zich aan de rand van Duitsland en van wat zij zagen als de beschaafde wereld slecht op hun gemak gevoeld hebben en waarschijnlijk moesten ze ook met onderdak genoegen nemen dat eigenlijk beneden hun stand was.
Kern van de zaak is, dat Otto, door het te bouwen klooster aan Mauritius te wijden, ten overstaan van al die hoge heren duidelijk maakte, dat hij verder keek dan Duitsland. Mauritius was namelijk de beschermheilige van Bourgondië. Otto liet zijn gasten dus in het verre Magdeburg weten ook het koningschap van Bourgondië, daarmee de heerschappij over Italië en daarmee ook het keizerschap te ambiëren. De monniken voor het klooster van Magdeburg waren overigens afkomstig uit het St. Maximinusklooster van Trier. Uit datzelfde klooster kwam ook de eerste aartsbisschop van Magdeburg. Na heel wat geruzie met Halberstadt was Magdeburg in 968 eindelijk een aartsbisdom geworden. Adalbert, die het kloosterleven met een baan aan de koninklijke kanselarij te Trier combineerde, werd nog met kerst van dat jaar tot aartsbisschop gewijd.
De grote plannen van Otto vallen, hoe fascinerend ook, buiten het bestek van dit verhaal. Wel van belang is, dat Magdeburg volop in Slavisch gebied lag. Slavische kolonisten hadden niet alleen de rechteroever, maar ook de linkeroever tot de monding van de Saale aan toe tot bewoonbaar gebied gemaakt en een samenleving gevormd met flinke versterkte nederzettingen en machtige heren die tot ver in de omgeving hun gezag deden gelden. Vanuit Magdeburg wilde Otto deze Slavische wereld aan zijn gezag onderwerpen. De uitstraling van het Ottoonse plan was ongetwijfeld groot. De invloed ervan was merkbaar tot in Bohemen, waar sommige Slavische heren partij kozen voor de keizer. Toch slaagden de keizers er bij lange na nog niet in de Slavische heersers aan zich te onderwerpen. Integendeel. In 983, tien jaar na de dood van Otto, kwam het tot een ‘opstand’ van de Slaven en daarna tot zelfstandige politieke formaties zowel in Polen alsook in Bohemen. Bij de opstand sloten zich de Obodriten (Abdoriten), de Slavische heersers uit Oldenburg (Starigard) en de Denen onder koning Sven Gabelhart aan. De oude barnsteenroute werd vanaf Denemarken tot in Bohemen de ruggegraat van een anti-Duitse coalitie.
In het begin van de 10de eeuw kende het gebied van de Midden-Elbe dus een bloeiende Slavische samenleving met vele versterkte nederzettingen. Zulke nederzettingen, steden mag je misschien wel zeggen, lagen ook pal tegenover Magdeburg op de rechteroever. In Pechau, nu een buitenwijk van de stad, is er zo één bewaard gebleven. Een andere is Prester. Ook Cracau en het op de westelijke oever gelegen Buckau, nu een buitenwijk van Magdeburg, zijn waarschijnlijk ooit Slavische nederzettingen geweest. Op de oostoever gelegen versterkte plaatsen, die in de 10de eeuw in handen van Otto en zijn opvolgers kwamen, zoals Burg, Grabow, Lostau, Biederitz, het al genoemde Pechau, Möckern en Gommern zullen alle Slavische nederzettingen zijn geweest.
Maar ook Magdeburg zelf moet een Slavische stad zijn geweest, zelfs één uit de beginfase van de Slavische kolonisatie. Dit blijkt uit de vondst van een paar scherven, die samen een deel vormen van een vaas van het Praagse type. Ze werden in de oude stad gevonden. Urnen van het Praagse type zijn ook gevonden in Heyrothsberge, in Königsborn en in Menz.
Ook in de stad Magdeburg, zoals Otto die leerde kennen, leefden nog heel wat Slaven. Bij opgravingen rond 1960 werden zo’n 40 gebouwen geïdentificeerd, werkplaatsen waarschijnlijk, waarin blijkens de achtergelaten keramiek hoofdzakelijk Slavische boeren uit de omgeving te werk gesteld waren.
Vanuit Magdeburg keken Otto en zijn opvolgers niet alleen naar het oosten, maar, zoals we al zagen, ook naar het zuiden, naar Bohemen. Zo werd Voitech, de vorstenzoon uit Libice, in 983, het jaar dus van de opstand van de Slaven, door Otto II in Magdeburg tot bisschop van Praag benoemd. Voitech maakte bij die gelegenheid de naam van de aartsbisschop van Magdeburg, Adalbert, tot de zijne.

Otto en zijn opvolgers plaatsten de pacificatie van de Slaven in het kader van de verbreiding van het christendom en van de vorming van een christelijk Romeins Rijk, dat als erfgenaam van het Romeinse Rijk het monopolie op cultuur en beschaving meende te hebben. De Slaven werden zo gekwalificeerd als heidenen en barbaren. Maar wie de Slavische kolonisatie, zoals die zich langs de barnsteenroute manifesteerde, probeert te overzien, kan niet anders dan onder de indruk raken van de omvang ervan, de snelheid waarmee het zich voltrok, van het buitengewone vermogen van deze mensen om gebieden die vaak amper nog sporen van vroegere bewoning vertoonden, te beschaven en tenslotte van het feit dat deze wereld al in de 9de eeuw vormen van stedelijk leven schiep met machtige heren die niet alleen in het noorden contact onderhielden met Slaven en niet-Slaven, zoals uit hun gemeenschappelijk optreden in 983 blijkt, maar zich ook niet te klein voelden voor het ontwikkelen van intensieve contacten met het verre Byzantium.
Deze Slavische wereld is ongetwijfeld een belangrijke hoeksteen geweest van het middeleeuwse Europa. Voor vele steden die nog een grote rol zouden gaan spelen, hebben deze mensen de grondslag gelegd.
Hoogtepunt binnen dit geheel blijft Moravië met de naamloze steden bij Mikulčice en op de plek van Staré Město en Uherské Hradistě, die door de Karolingers verlost van de Avaren, niet alleen de contacten met Byzantium intensiveerden, maar ook openstonden voor culturele en religieuze nieuwigheden uit de Frankische wereld. Maar het is wel interessant, dat de Slavische wereld in Bohemen en Duitsland ook na de teloorgang van de steden aan de Morava in het begin van de 10de eeuw, niet inboette aan vitaliteit.

Maar de geschiedenis van Magdeburg gaat veel verder terug. Zo toont het Kunsthistorisch Museum naast paleolitisch materiaal ook gereedschap, speerpunten voor de visvangst, uit de mesolitische periode.
Uit de periode van de lineaire bandkeramiek dateren verschillende vondsten. In die tijd bestond er een dorp op het huidige Domplein. Lineaire bandkeramiek is ook gevonden in Barleben. Het museum toont verder Stichbandkeramik uit Magdeburg-Prestor en uit Magdeburg-Neustadt.
Nog weer 1000 jaar later, tussen 3250 en 3000 v. Chr., bevond zich op het Domplein opnieuw een neolitische nederzetting. In Magdeburg-Randau tenslotte werd een laat-neolitische (2700-2400 v. Chr.) nederzetting gevonden. Een reconstructie van het grote, drieschepige huis (20 bij 25 meter), dat archeologen identificeerden, is ter plekke te zien. Op de Taubenberg, gelegen bij het plaatsje Wahlitz op de oostelijke oever van de Elbe vonden opgravers twee graven uit de z.g. enkelgrafcultuur, een neolitische cultuur uit het noorden. In een grote grafheuvel in de buurt van Menz, ook op de oostelijke oever tegenover Magdeburg, kwamen ook keramiekresten van verschillende neolitische culturen aan het licht.
De invloed van de jongere neolitische culturen uit het noorden in dit gebied moet enorm zijn geweest. Zo ligt in dit gebied, in de omgeving van Haldensleben, een hunebeddenveld dat oorspronkelijk uit maar liefst 150 graven bestaan heeft. Haldensleben ligt zo’n 25 kilometer ten noordwesten van Magdeburg aan de Ohre, een rivier die in de Elbe uitmondt. Voor een deel gaat het om hunebedden en voor een deel om ganggraven. 80 graven bleven bewaard, maar in de bossen in de omgeving kwamen nog geregeld graven aan het licht. Twee graven, een hunebed dat luistert naar de naam Teufelsküche en een ganggraf dat als Königsgrab bekend staat, zijn gerestaureerd.
De hunebedden horen bij de slotfase van het neoliticum, de periode waarin de jacht naar ertsen en metalen vanuit het Middellandse Zeegebied in noordelijke richting onder stoom kwam. Maar Magdeburg kende ook duizenden jaren eerder al, in de beginfase van het neoliticum, bewoonde plekken. De meest spectaculaire vondst uit de neolitische periode is wel die van een versterkte nederzetting uit de periode van de lineaire bandkeramiek. De nederzetting, de oudste versterkte nederzetting uit de lineaire bandkeramiek in Midden-Europa en ook nog eens de meest noordelijke vertegenwoordiger van deze neolitische cultuur, kwam aan het licht bij Eilsleben, aan de noordrand van een löss-plateau op zo’n 25 kilometer van de stad. De nederzetting had al in de oudste fase van de lineaire bandkeramiek een verdedigingsgracht. Later kwam er een omheining bij. Natuurlijk kwamen er bij deze opgraving een massa interessante zaken aan het licht. Zo vond men er aanwijzingen van ritueel kannibalisme, van vruchtbaarheidsriten in het kader waarvan meisjes werden geofferd en er kwamen schedels tevoorschijn die als drinkbekers waren gebruikt. Opgravers vonden ook allerlei stenen die dienden voor de vervaardiging van verfstoffen. De inwoners van de neolitische nederzetting gebruikten ook oker, een verfstof die ook al in het paleoliticum bekend was. In Dresden kwamen we het ook tegen. Oker was mogelijk een produkt dat de neolitische nederzettingen van nog mesolitisch levende gemeenschappen betrokken.

Vondsten uit de vroege bronstijd zijn zeldzaam, maar ze zijn er toch wel. Zo kwam op dezelfde Taubenberg een graf uit de Únětice-cultuur aan het licht. Later vond men er een begraafplaats van de Únětice-cultuur met maar liefst 80 graven. Uit een graf in Barleben, een plaats iets benoorden Magdeburg, kwam het lemmet van een dolk tevoorschijn. Duidelijk is te zien dat het oorspronkelijk met klinknagels aan het heft heeft vastgezeten. Deze oplossing is karakteristiek voor de Únětice-cultuur. Ook Magdeburg moet dus een stepping stone zijn geweest van deze grote bronstijd-cultuur, waarvan we de invloed tot ver in het noorden zullen terugvinden.
De late bronstijd is onder andere vertegenwoordigd met aardewerk, dat opnieuw op het Domplein tevoorschijn kwam. De meest spectaculaire vondst uit deze periode werd gedaan bij Salbke, een plaatsje even ten zuiden van Magdeburg op de linkeroever. Archeologen borgen er een depot met onder andere een armring met dubbele spiralen en een prachtige broche die ook met twee spiralen is versierd.
De vroege ijzertijd is vertegenwoordigd door een grafveld bij Menz, een plaats wat ten oosten van Magdeburg. De urnen met de crematieresten waren bijgezet in graven die van een stenen beplating waren voorzien.

De Romeinen bereikten de Elbe voor het eerst onder Drusus in 9 v. Chr. en daarna nogeens in 5 na Chr. onder Tiberius, de keizer die het zuidelijke deel van de barnsteenroute moderniseerde en van plaveisel liet voorzien. Veel invloed hadden die expedities naar alle waarschijnlijkheid nog niet. Dat veranderde pas met de oorlog tegen de Quaden en de Marcomannen in de tijd van keizer Marcus Aurelius (121-180, keizer van 161-180). Die oorlog liep op een compromis uit, waarbij Quaden ook toestemming kregen om zich binnen het Romeinse Rijk te vestigen. Na deze oorlog werden de Germanen een verbindingsschakel in het verkeer naar het noorden.
De romanisering van de Germanen kwam na de Marcomannenoorlog op gang en in de 3de en 4de eeuw was de Germaanse elite verregaand geromaniseerd. Van dat laatste getuigen onder meer de voorwerpen die in Gommern uit een Germaans vorstengraf tevoorschijn kwamen. Uit het grafveld in Gommern kwam ook veel prachtig Germaans aardewerk tevoorschijn. Bijzonder is de vondst van een ijzeren lanspunt uit de tweede helft van de 3de eeuw. De lanspunt is uit Skandinavië afkomstig.

Veel Germaans aardewerk uit de 5de en de 6de eeuw kwam tevoorschijn op een grote vindplaats in de buurt van Gübs, een plaats ten oosten van Magdeburg. We zijn dan in de tijd van het zogenaamde Thüringse Rijk, een Germaanse politieke formatie, die in het begin van de 4de eeuw ontstaan was en die heersers uit het gebied van de Elbe boven Magdeburg, het noordwesten van Duitsland en het noordoosten van Nederland met elkaar verbond. In 531 werd het Thüringse rijk door de Merovingers vernietigd. Bij die expeditie ging niet alleen de Thüringse elite voor de bijl, maar verloren ook heel wat dorpelingen het leven. Jongeren werden als slaven afgevoerd en de hongersnood die het onvermijdelijke gevolg van zo’n oorlog was, maakte opnieuw veel slachtoffers. Ongetwijfeld bleef de herinnering aan deze rampzalige gebeurtenis nog lang leven en het is denkbaar dat de kleine Germaanse gemeenschappen die na de oorlog opnieuw ontstonden, in de Slavische nieuwelingen partners zagen.

Intrigerend is de vondst van een Byzantijnse gouden munt uit de 6de eeuw. Het geldstuk maakt waarschijnlijk, dat ook Magdeburg zich binnen de actieradius bevond van Byzantijnse kooplui die in die tijd langs de barnsteenroute actief waren.
Voor de ontwikkeling van Magdeburg, dat aan een traditionele oversteekplaats over de Elbe was gelegen, was van grote betekenis de nabijheid van het dynamische gebied langs de Saale, de rivier, die even stroomopwaarts van de stad in de Elbe uitmondt.
Een andere plaats in de omgeving die voor de ontwikkeling van Magdeburg van groot belang is geweest, is Halberstadt. Ook deze stad is een oeroud centrum, zoals blijkt uit het feit dat er in het gebied van de Onze Lieve Vrouwe kerk graven zijn gevonden uit de tijd van de lineaire bandkeramiek en steenkistgraven uit de 12 en 13de eeuw v. Chr. Opgravers vonden ook een urn uit 1700 v. Chr. Gezien de lokatie is het waarschijnlijk, dat er in die tijd een versterkte nederzetting lag.
In de Karolingische tijd lag de dom binnen de eigenlijke burcht. Het gebied rond de kerk vormde een voorburcht. Net als in Magdeburg werden er in de grond uitgegraven woningen gevonden, die als weverijen waren ingericht.

De route volgt de Elbe verder stroomafwaarts en gaat van Stendal en Wittenberge naar de eerste grote centra van de Noordse wereld op deze tocht, Seddin en Lüneburg. Van deze twee was Lüneburg het belangrijkste en het oudste. Al in het neoliticum heersten er machtige vorsten. Seddin werd in de late bronstijd opeens een belangrijk knooppunt in het verkeer met Scandinavië.