Kees Bakker, De barnsteenroute (2005). Bron: www.keesbakker.com

Route 2. Van Wenen naar Szczecin

Brno en de Moravische Poort

Door Kees Bakker

KroměřŪž

Vanuit Starť Město volgden reizigers de Morava verder stroomopwaarts door de Poort van Napajedla, zoals de engte in het rivierdal bij die plaats heet, om zo bij KroměřŪŽ de onafzienbare vlakte te bereiken die ooit gevormd werd door de rivieren die er in de Morava uitmonden.
Met het stadsplein met de patriciŽrshuizen, het deftige stadhuis met de rechthoekige, van een omgang voorziene toren en met de arcadengaanderij rond het plein is KroměřŪŽ een typisch Duits stadje. Maar eigenlijk is dat te beperkt. Stadspleinen met een stadhuis in het midden en rechthoekige, met een arcadengaanderij omzoomde marktpleinen en stadhuizen met torens komen per slot ook in West- en Zuid-Europa voor. Het is daarom beter om van een Europees stadsmodel te spreken dat in de latere middeleeuwen en in de renaissance ontstond. Maar waar is wel, dat dit type stad door Duitse kooplui en gildemeesters naar MoraviŽ is gebracht. Een bijzonderheid van KroměřŪŽ is, dat aan het plein ook het paleis lag: in KroměřŪŽ hadden niet alleen de patriciŽrs het voor het zeggen. Zij moesten de macht delen met de ‘heer’ van de stad, in dit geval de aartsbisschop van Olomouc (OlmŁtz), wiens zomerpaleis dit was.

Valtice

Niet alle reizigers langs de barnsteenroute zetten bij Břeclav koers in noordelijke richting. Er waren er ook die voor de omweg over Mikulov (Nickelsburg) en Brno (BrŁnn) kozen. De eerste belangrijke nederzetting die zij passeerden was Valtice, een plaatsje dat ontstaan is aan de voet van een middeleeuwse burcht.
Kenmerkend voor MoraviŽ is, dat de aristocratische families die in de 18de eeuw de middeleeuwse vestingen voor moderne paleizen verruilden, voor hun paleizen geen nieuwe plekken uitzochten, zoals dat in Hongarije meestal gebeurde, maar vasthielden aan de plek van de oude burcht die drastisch werd uitgebreid, of zelfs helemaal werd afgebroken. Dat laatste gebeurde in Valtice, waar in die tijd een van de grootste paleizen van MoraviŽ verrees. Het paleis was, net als het dorp en de wijde omgeving ervan, eigendom van de Liechtensteins, een familie die we ook in Oostenrijk al als paleiseigenaars tegenkwamen. Het paleis van Valtice kreeg ook een van de grootste parken van MoraviŽ (25 ha). In het park bevindt zich een bomencollectie met 75 soorten loof- en 40 soorten naaldbomen.

Mikulov

Van Valtice ging de tocht verder naar Mikulov, een middeleeuws burchtstadje. Steden als Mikulov waren in de middeleeuwen min of meer spontaan ontstaan als aangroeisels van burchten. De eerste bewoners ervan waren vaak reizende kooplui of ambachtslieden die zich in de onmiddellijke omgeving van de toegangspoort tot de burcht vestigden. Het marktplein dat zo bij die poort ontstond, werd vaak de verbindingsschakel tussen de burcht en de stad en vaak ook het stadsplein waarop later dan weer het stadhuis zou verrijzen.
Het aantal inwoners van zo’n stad kon zich ongecontroleerd uitbreiden tot het moment dat ook de stad een muur en poorten kreeg. De nieuwe muur beschermde de stad tegen vijanden, maar beschermde ook de kooplui en ambachtslieden tegen nieuw aanwaaiende concurrenten die overigens hardnekkig bleven komen, omdat zulke centra van handel en ambacht op hen nu eenmaal een enorme aantrekkingskracht hadden.
In het MoraviŽ van de 13de eeuw waren deze reizende zakenlui vooral Duitsers. Zij brachten de nieuwe urbane cultuur en de daarbij behorende nieuwe bouwstijl, de gotiek, beide in het westen van Europa ontstaan, naar deze wereld. Weldra volgden de nieuwe orden, vooral die van de Franciscanen en de Dominicanen, die zich anders dan de CisterziŽnzers in de steden vestigden en de groei van de steden dus een nieuwe impuls gaven. De oude handelsroutes, onder andere de barnsteenroute, waren uiteraard belangrijk als kanalen waarlangs deze nieuwigheden zich verbreidden.
De stedelijke burgerij zou in de 16de en de 17de eeuw opnieuw een grote rol spelen bij de verbreiding van de volgende culturele revolutie, die van de renaissance. De centra van veel steden langs de barnsteenroute ademen nog steeds de sfeer van die tijd, al deed later ook de barok zijn invloed gelden. Kenmerkend voor de steden werd en bleef de vierkanten stadhuistoren die versierd werd met een omloop met zuilen in renaissance-stijl. We vinden die torens ook noordelijker langs de barnsteenroute, in het huidige Polen, maar ook zuidelijker, in Sopron, al is het daar geen stadhuistoren en al is de toren rond.
De burchtsteden kregen op den duur ook allemaal een Joodse wijk. De eerste Joden, meestal ook Duitsers, vestigden zich op uitnodiging of op zijn minst met toestemming van de burchtheer en genoten zijn bijzondere protectie, wat vaak ook tot uitdrukking kwam in de ligging van de Joodse wijk, in Mikulov vlak achter de burcht rond de synagoge die hier tegen de burchtheuvel aan gebouwd werd (aan de Husova).
De eerste Joden hielden zich vooral bezig met financiŽle dienstverlening aan de burchtheer, de Joden die zich later bij zo’n gemeenschap aansloten, eerder met het uitlenen van geld en ook met de handel, de internationale handel vooral. Het eerste bewijs van de aanwezigheid van Joden in Mikulov dateert uit 1369, maar waarschijnlijk was de joodse gemeenschap al veel ouder. Al in de 13de eeuw had Ottokar II de Joden in een privilege bescherming aangeboden, een aanwijzing dat in die tijd de meeste steden al een Joodse gemeenschap binnen hun muren hadden.
Hoe klein het nu ook oogt, was Mikulov, gelegen tussen de Donausteden Wenen, Passau en Regensburg en het noordelijk deel van de barnsteenroute, een belangrijk handelscentrum en de Joodse gemeenschap was er naar verhouding groot. De stad ontwikkelde zich zelfs tot een centrum van de Joodse gemeenschap van MoraviŽ. In de eerste helft van de 19de eeuw woonden er 3500 Joden en waren er maar liefst 12 synagoges.
Er zijn geen aanwijzingen dat dit fraaie stadje ook al eerder, in de tijd van de barnsteenroute dus, van belang was.

Brno

Van Mikulov ging de route over Pohorelice naar de volgende burchtstad: Brno. De burcht Spielberk werd in de 17de en 18de eeuw ingrijpend omgebouwd tot een vesting die aan de toenmalige inzichten beantwoordde, maar wie er rondwandelt, herkent er toch nog overblijfselen van de gotische tijd.
Brno is nu de onbetwiste hoofdstad van MoraviŽ, maar in de middeleeuwen moest het die positie delen met andere steden. Znojmo was zo’n stad, maar Brno’s belangrijkste tegenvoeter was de aartsbisschopszetel Olomouc. En de macht van de kerk bracht met zich mee dat Olomouc bij tijden zelfs belangrijker was dan Brno. We hebben het dan over de 13de eeuw en speciaal over de regeerperiode van Ottokar II, de man die MoraviŽ en Bohemen probeerde te verbinden tot een van Duitsland onafhankelijk rijk, na het Groot-Moravische Rijk dus een nieuwe poging in die richting, een poging die al even catastrofaal verliep. In 1278 immers sneuvelde Ottokar zoals we al zagen bij DŁrnkrut en was het met zijn rijk gedaan.
Wat over deze zaken de mening was van de overwegend Duitse burgers die Brno en de andere Moravische steden tot leven brachten, is niet bekend. Het is echter niet waarschijnlijk dat de vraag of MoraviŽ nu samen met Bohemen ‘zelfstandig’ moest zijn, of dat het beter als graafschap deel kon uitmaken van het Duitse Rijk, wat na DŁrnkrut gebeurde, hen erg raakte. Van oorlogen hadden zij nu eenmaal altijd meer last dan gemak. Meestal werd van hen een extra bijdrage aan de schatkist gevraagd. En eventueel kon hun stad ook nogeens aan de frontlinie komen te liggen en het slachtoffer worden van een belegering en in het ergste geval zelfs van inname en de daarbij behorende plunderingen.
Dat Brno, ook al was het als machtscentrum misschien weleens de mindere van Olomouc, toch een dynamische stad was, blijkt uit het feit dat volgens het belastingregister van 1365 er meer huizen buiten dan binnen de stadsmuur lagen: 550 tegen 519. Brno had ook een flinke Joodse wijk (30 huizen in 1365). De wijk lag op de plek waar de weg uit het zuiden de stad bereikte en de weg over Vyškov naar Olomouc de stad weer verliet.
Want zo liep de route verder, over LŪšen en het daarbij in de buurt gelegen Starť ZŠmky, een versterkte nederzetting uit de 9de eeuw, langs de burcht van Velešovice, door de poort van Vyškov, zoals het lange en smalle dal tussen Velešovice en de handelsstad Vyškov heet en vandaar langs de Hana naar KroměřŪŽ. In de buurt van Vyškov ligt de burgwal van ZelenŠ Hora, een oeroude plek, waar archeologen sporen uit het paleoliticum en het neoliticum en uit de eeuwen voor het begin van onze jaartelling vonden. Ook de Slavische kolonisten viel de plek op. Zij bouwden er een burgwal, die van een buitenwand van natuursteen werd voorzien. ZelenŠ Hora was ook in de 11de eeuw nog een belangrijke plaats.
In Pustiměř, even benoorden Vyškov, bevindt zich een romaanse kerk, een rond gebouw uit de 12de eeuw.
Het op enkele kilometers van Velešovice gelegen Slavkov oftewel Austerlitz was de plaats waar Napoleon in 1805 de verenigde legers van de Oostenrijkse keizer en de tsaar aller Russen versloeg. In het fraaie paleis van Slavkov dicteerde Napoleon de keizers het wapenstilstandsverdrag. En waarschijnlijk maakte hij tussen de bedrijven door een wandeling door de paleistuin om er de fonteinen en de elegante Italiaanse beelden te bewonderen.

Olomouc

De vlakte van Olomouc was een belangrijk verkeerskruispunt. Via Vyškov bereikten reizigers uit de richting Brno dit gebied. Hetzelfde gold voor mensen die de Morava stroomopwaarts hadden gevolgd. Vanuit dit gebied konden reizigers verder in noordoostelijke richting naar de Moravische Poort, naar het gebied waar de Oder en de Weichsel ontspringen. Maar vanaf de vlakte was er ook een weg langs Mohelnice door de bergen naar het stroomgebied van de Elbe met als eerste stad Hradec KrŠlovť (KŲniggrštz). De Elbe leidde reizigers verder naar Hamburg, naar de kust van Jutland, een belangrijke vindplaats van barnsteen, en naar de Noordse wereld. Bij Mohelnice vonden opgravers een dorp uit de tijd van de lineaire bandkeramiek. Het is dus gerechtvaardigd om te veronderstellen dat het plaatsje al in de verbreiding van die cultuur naar Bohemen een rol heeft gespeeld.
Přerov en Olomouc, de twee belangrijkste steden op deze vlakte, bestonden alletwee ook al in de 9de eeuw, de gouden eeuw van de vallei van de Morava, maar ze waren wel van wat mindere betekenis dan de zuidelijker gelegen steden. Zo moesten het stellen met houten burgwallen. Olomouc moet al in de tijd voor Ottokar II een belangrijke stad zijn geweest. Dat blijkt uit het feit dat er zich al in de 12de eeuw een Joodse gemeenschap bevond. De Joodse gemeenschap van Olomouc wordt voor het eerst in 1140 genoemd.
Zoals we al zagen, zou Olomouc in de 13de eeuw Brno als hoofdstad van MoraviŽ naar de kroon steken. In de 15de eeuw was Olomouc de eigenlijke hoofdstad en zo kon het gebeuren dat de Hongaarse koning MŠtyŠs er in 1469 tot koning van Bohemen werd gekroond.
Maar behalve zetel van een aartsbisdom en bestuurscentrum was Olomouc ook een rijke burgerstad. De vele deftige natuurstenen sierpoorten, waarvan er heel wat nog de sfeer van de renaissance ademen, laten zien dat Olomouc ook in de 16de en de 17de eeuw nog altijd een rijke stad was. In 1848 was Olomouc trouwens opeens hofstad. Want op de vlucht voor de revolutie was het Habsburgse hof hier verzeild geraakt. En het was Olomouc waar een achttienjarige Frans-Jozef in datzelfde revolutiejaar tot keizer werd gekroond.
In de socialistische tijd was de Moravische Poort, met behalve de klokkenstad Olomouc Přerov, LipnŪk, de cementstad Hranice en het kolen- en staalgebied rond Ostrava een belangrijk industriecentrum. Aan die tijd dankt het toch al door allerlei renovaties geplaagde stadhuis een groot mozaÔek in Stalinstijl met vrolijke boerkes en boerinnekes in renaissancistische medaljons en een heuse folkloristische optocht. Ook de figuren die op de hele en halve uren een rondedansje doen, zijn sindsdien socialistische helden: smids, muzikanten, sportbeoefenaren, arbeiders en witte-boordenwerkers.
Dat er in Olomouc al in de 6de eeuw een Slavische nederzetting was, blijkt uit de vaas van het Praagse type, die opgravers er vonden en die nu in het museum van Olomouc te zien is. Bij opgravingen kwam ook een stel gouden sporen tevoorschijn, een bewijs dat ook hier in de 9de eeuw een rijke heer de dienst uitmaakte. Maar in de omgeving van Olomouc kwam ook veel ouder materiaal tevoorschijn. Zo toont het museum sierspelden (fibulae) en aardewerk van Germanen uit de Romeinse tijd, voorwerpen dus die mogelijk herinneren aan de Marcomannen en Quaden die keizer Marcus Aurelius hier bestreed.
In de buurt van Blatec, een plaatsje iets ten zuiden van Olomouc in de vallei, kwam niet alleen gereedschap en keramiek uit de midden- bronstijd (1500-1250 v. Chr.) tevoorschijn, maar ook paleolitisch materiaal. Paleolitische vondsten werden ook gedaan op de šternberk (Sternberg) benoorden Olomouc. In Kořušany, iets ten zuiden van Olomouc aan de Morava gelegen, en in NŠklo, in de vallei ten noordoosten van Olomouc, kwam tussen 2500 en 2000 vChr gedateerd neolitisch aardewerk aan de oppervlakte. Bij Dlonka Loučka, iets ten zuiden van Mor. TřebovŠ, vonden opgravers nog oudere neolitische keramiek (5700-3800 vChr).

De Moravische Poort

De Moravische Poort is een doorgang door de bergketen die het Karpatenbekken aan de noordkant afsluit. In de loop der millennia verschilde de betekenis van deze grens en daarmee ook van de poort sterk. Zo lag de culturele grens in de Romeinse tijd bijvoorbeeld lager, langs de Donau die de mediterrane, beschaafde wereld van de noordelijke wereld van de barbaren scheidde. In de tijd van de urnenveldencultuur vormden de bergen wel een grens in culturele zin. MoraviŽ vormde de noordelijke periferie van een beschaving die haar centra in het Karpatenbekken had, maar tegelijkertijd was het de zuidelijke periferie van de noordelijke urnenveldencultuur, de cultuur van Lausitz, waarvan het hart in het Lausitz-gebergte, op de grens van Bohemen en Duitsland lag.
Op verschillende plekken in MoraviŽ, in Drslavice (in de buurt van Uhersky Brod), BŠnov, Ořechov en in Polešovice (beide iets ten zuidwesten van Starť Město) zijn voorwerpen gevonden, die duidelijk maken dat de noordelijke urnenveldencultuur zich via de Moravische Poort naar dit gebied uitbreidde. Langs de Moravische Poort kwam ook in deze tijd barnsteen naar het zuiden, zoals blijkt uit de vondst van een stukje barnsteen in Polešovice.
Maar ook zuidelijke voorwerpen vonden hun weg door de Moravische Poort naar het noorden. Bijlen bijvoorbeeld met een getailleerde vorm, die kenmerkend zijn voor de urnenveldencultuur in Zevenburgen, zijn in Opava (Troppau) gevonden. In de buurt van BorotŪn werd een bijl gevonden van een type dat zich vanuit Zevenburgen naar Noord-KroatiŽ en SloveniŽ verbreidde om vandaaruit verder naar het noorden te komen. Het lijkt erop dat ook bepaalde typen sikkels zich vanuit Zevenburgen via de barnsteenroute in noordelijke richting, maar ook naar het zuiden, naar Noord-ItaliŽ, hebben verbreid. Ook de van geheimzinnige cirkelvormige motieven voorziene gordelversieringen die in Polešovice werden aangetroffen, komen oorspronkelijk uit Zevenburgen.
Opgravingen in MoraviŽ hebben echter overwegend ‘zuidelijke’ voorwerpen uit de urnenveldentijd aan het licht gebracht. Interessant is de vondst in Polešovice, die eerder al ter sprake kwam, omdat de twee aardewerken vaten daar zowel noordelijke als zuidelijke voorwerpen bevatten.

De route naar het noorden liep verder langs de Bečva (Betschau), langs Přerov dus, de Moravische Poort in.
‘Moravische Poort’ is de naam voor een dal dat het resultaat is van de eendrachtige samenwerking van de Bečva, een rivier die de Morava voedt, en de Oder die in de heuvels benoorden deze vallei ontspringt. In de Moravische Poort kwam bovendien de Oder heel dicht bij de Weichsel, bij de rivier dus, die uiteindelijk bij Gdansk in de Oostzee uitmondt. Reizigers die zich door het water de weg lieten wijzen, konden hier als het ware van de ene rivier op de andere overstappen en de Oder of de Weichsel verder stroomafwaarts volgen.
Dat rivieren ter weerszijden van een waterscheiding elkaar zo dicht naderen en dalen scheppen die in elkaar overlopen, is erg zeldzaam. Ten westen van deze poort, tot in Bohemen, was er nergens een situatie die het zo gemakkelijk maakte vanuit het Donaugebied naar Noord-Europa te reizen en aan de oostkant, waar de bergtoppen van de Karpaten al gauw hoogten bereiken van 1000 meter en meer, was daar al helemaal geen sprake van. Het kan danook niet anders of de Moravische Poort was van de vroegste tijden af aan een belangrijke sluis tussen Midden- en Noord-Europa.
Mogelijk was dat er ook de reden van dat Kelten op de 735 meter hoge berg Hostyn in de buurt van Bystrice een oppidum bouwden. Vanaf die plek, waar nu een barok heiligdom staat, konden zij handel en wandel bij de zuidelijke ingang van de Moravische Poort in de gaten houden. Ongetwijfeld vervulde ook het oppidum van Starť Hradisko ten westen van Prostejov zo’n waakhond-functie.
Maar archeologen vonden in dit gebied ook vestingen die ten opzichte van de Keltische oppida een eigen karakter hadden. Dankzij de vondst van verdedigingswallen in het gebied van de Moravische poort (de burgwal van Pozaha bij Novy Jicin, de burgwal van Kotouc bij Stramberk, dat ook in de buurt van Novy Jicin ligt, de burgwal Standl bij Frydek-MŪstek, de burgwal bij Okrouhlice, de burgwal Gůra Zamkowa bij Cieszyn) konden archeologen aantonen dat zich in dit gebied in de 5de eeuw v. Chr. een cultuur bevond, de z.g. Puchov-cultuur, die zich duidelijk van die van de Kelten onderscheidde. Men gaat ervan uit, dat ook deze wallen dienden om het verkeer door de Moravische poort te controleren.
Eenzelfde functie vervulde later ongetwijfeld ook een ommuurde stad als LipnŪk. Een deel van de oude omwalling bleef er bewaard. LipnŪk behield ook zijn oude stadsplein met arcadengaanderij en huizen met steunberen.
Ook de stenen burchten die in de middeleeuwen in de Poort werden gebouwd, hielden de komende en gaande man in dit gebied in de gaten. Het enorme, van maar liefst vier slotgrachten voorziene burchtcomplex van Helfštyn lag wat dat betreft werkelijk ideaal op een berg vlakbij de rivier. De oudste delen van deze burcht dateren uit de 14de eeuw. In de 17de eeuw werd de burcht nogeens gemoderniseerd.
Ook de burcht op de 500 meter hoge berg bij Starť Jicin met het heuvelland in de rug en met een prima uitzicht over het dal was voor middeleeuwse reizigers een geducht punt. Deze burcht dateert uit 1240, maar op de berg werden ook vondsten gedaan uit het begin van de late bronstijd (1200-1000 v. Chr.).
In de late bronstijd en de vroege ijzertijd moet het verkeer door de Moravische Poort intensief zijn geweest. Het lijkt erop, dat heersers uit het gebied van de Morava nauwe contacten onderhielden met collega’s langs de Oder. Een aanwijzing hiervoor is de vondst van spelden, fibulae, aan de Morava en aan de benedenloop van de Oder, die als twee druppels water op elkaar lijken. Fibulae waren waardevolle siervoorwerpen die vrouwen mee konden krijgen als ze uitgehuwelijkt werden.
Slavische nederzettingen uit de tijd van Mikulčice en Uherskť Hradiště kregen opgravers in de Moravische Poort niet boven water. Wel staat vast dat Slavische kolonisten in deze regio oudere, hooggelegen burchten overnamen. Een voorbeeld daarvan is Hradec nad Moravici even onder Opava (Troppau). Op de burchtheuvel bij deze plaats liggen nu een classicistisch paleis en een drakerig neogotisch namaakkasteel, maar de berg moet ooit ook door Slavische kolonisten zijn bevolkt. Archeologen vonden er onder meer de overblijfselen van een kerk met twee absiden, waarin de kerkruimte net als in de kerk van Sady bijvoorbeeld door een muur van de andere, mogelijk de onderwijsruimte, gescheiden was.
Sporen van Slavische bewoning vonden opgravers ook op een andere hoge burcht, die namelijk van Chotěbuz, een dorpje vlak in de buurt van česka TěšŪn. Zij reconstrueerden er een deel van het typisch Slavische houten geraamte van de burchtwal. Chotěbuz was in zijn Slavische tijd een flink complex met een forse voorburcht die door een steile gracht van de eigenlijke burcht gescheiden was. Ook de voorburcht had behalve een omwalling een diepe gracht.
Hoewel de burchten van Hradec nad Moravici en van Chotěbuz hoog gelegen waren, bevonden ze zich net als de eilandburchten wel vlakbij een rivier, in het geval van Chotěbuz de Stanavka..
In de middeleeuwen gold dit gebied als de periferie van MoraviŽ. In het begin van de 11de eeuw kwam de Poolse hertog Boleslav de Dappere langs deze weg naar het zuiden om MoraviŽ aan zich te onderwerpen. Een geÔntegreerd deel van het markgraafschap MoraviŽ werd het pas door de kolonisatiebeweging ten tijde van Ottokar II, die van Opava een Moravisch hertogdom maakte.

Natuurlijk was de Moravische Poort niet alleen een weg voor kooplui, maar ook voor militairen. Eind april 1945 was dat voor het laatst het geval. Zich terugtrekkende Duitse troepen probeerden toen bij Ostrava de Poort af te grendelen voor het 4de OekraÔense Front. Ze konden daarbij gebruik maken van een systeem van bunkers dat er in de jaren ’30 was aangelegd. Het gevolg was een verschrikkelijke veldslag, waarbij duizenden soldaten het leven lieten voor en aleer de weg voor het Rode Leger vrij was. Bij Hrabyně, halverwege tussen Ostrava en Opava, staat het monument met de namen van de mannen die aan gealliŽerde zijde sneuvelden: Russen, Tsjechoslowaken en wat westerse namen.

Racibůrz

De partijen zetten de strijd aan gene zijde van de Poort langs de Oder voort met alle gevolgen vandien voor de fraaie historische steden daar die vaak overigens verrassend sterk lijken op de steden aan de zuidkant van de Moravische Poort.
Racibůrz is zo’n stadje waarvan het centrum in het voorjaar van 1945 zware averij opliep. In de Stalintijd werden de aangetaste patriciŽrshuizen zo goed en zo kwaad als dat ging gerestaureerd, spaarzaam, met weinig gevoel voor speelse barokke vormen en met een duidelijke voorkeur voor classicistische lijnen. Eind jaren ’50 kwamen flats de gaten in het centrum vullen. Gelukkig bleven de karakteristieke arcaden in de hoofdstraat wel bewaard.
In de 4de en de 3de eeuw v. Chr. was Bohemen een belangrijk centrum van de Keltische cultuur. Naar historici veronderstellen waren de dragers daarvan Boii, die voor de Romeinen uit Noord-ItaliŽ vluchtend langs de barnsteenroute naar het noorden waren gekomen en uiteindelijk in Bohemen waren neergestreken.
Opgravingen in het Keltische oppidum Hradischt in Stradonice hebben aangetoond dat ook deze in Bohemen woonachtige Kelten een belangrijke rol speelden in de barnsteenhandel. In dit oppidum werd namelijk een groot aantal voorwerpen van barnsteen gevonden. Daaronder waren ook heel wat sieraden die half-af waren. Archeologen veronderstellen dat zich in dit oppidum een atelier voor de bewerking van barnsteen heeft bevonden. In dat atelier werd met hetzelfde gereedschap ook hoorn bewerkt.
Tegelijkertijd was de barnsteenroute een kanaal waarlangs zich de culturele invloed van de Boheemse Kelten verbreidde, in zuidelijke richting tot in de regio rond Sopron en in noordelijke richting langs de Oder. Archeologen zijn sporen van de Keltische cultuur tegengekomen in de heuvels in de buurt van Racibůrz, maar ook hogerop in het gebied ten zuiden van Wroclaw.
Mogelijk verliep het contact tussen Bohemen en de Oder ook al in deze tijd via de burchtstad Klodzko, dat in de middeleeuwen op een drukke weg van Praag naar Wroclaw lag.

Opole

Even hoger langs de Oder, in de vestingstad Krapkowice, vonden archeologen een Slavische nederzetting. De kolonisten die op het eind van de 6de eeuw langs dit deel van de Oder arriveerden, stichtten ook een nederzetting op het eilandje Pasieka in de Oder bij Opole en nog wat noordelijker bij Ryczynic in de buurt van Brzeg.
Archeologen gaven de meeste aandacht aan Opole. Omdat het bestaan van de nederzetting al in 846 in een Beierse bron wordt gemeld en omdat op dezelfde plek in het begin van de 12de eeuw een vesting was gebouwd, die later door het Silezische vorstengeslacht van de Piasten zou worden overgenomen -de toren die er nog altijd te vinden is, heeft ooit tot het paleiscomplex behoord- hoopten ze er de hoofdstad van een soort oer-Polen te vinden. Ongetwijfeld gestimuleerd door de toenmalige politieke leiding van het land, die blijkbaar van mening was dat zo’n oerhoofdstad een extra bewijs voor het bestaansrecht van het land zou vormen en ook nogeens voor de Slavische achtergrond van dit gebied waaruit na de tweede wereldoorlog een talrijke Duitse bevolking was verdreven, zochten ze het terrein in maar liefst 25 seizoenen (van 1948 tot 1978) millimeter voor millimeter af, maar een verhoopte metropool ŗ la Mikulčice kwam niet aan het licht. De archeologen vonden sporen van een nederzetting uit de 8ste en de 9de eeuw en een vesting uit het eind van de 9de en het begin van de 10de eeuw en een groot aantal huizen uit die tijd, maar geen paleisachtig gebouw en al evenmin een kerk. Mogelijk hangt dat laatste samen met het feit dat het christendom deze contreien pas laat bereikte. De inwoners van Opole zouden pas tussen 984 en 995 door de heilige Adalbertus, bisschop van Praag, gedoopt zijn.
Interessanter was wat dat betreft eigenlijk Ryczynic, waar een 10de-eeuwse eilandburcht aan het licht kwam met daar vlakbij een houten donjon met daaromheen een palissade en een gracht. Volgens de reconstructie in het museum van Brzeg zou er aan de oever van de Oder een houten kerk en nog wat bebouwing gestaan kunnen hebben.
De Slavische vestigingen langs de Oder laten zien hoe belangrijk de barnsteenroute in de verbreiding van de Slavische cultuur was. De overeenkomsten tussen de nederzettingen -de voorkeur voor eilanden, het type burgwal, het soort huizen- vallen op. Interessant is ook, dat in Opole net zulke dierfiguurtjes zijn gevonden als in Mikulčice. De figuurtjes werden ongetwijfeld gebruikt bij een ritus in de tijd voor de kerstening. Maar de verschillen zijn ook groot. Met name Mikulčice en Starť Město/Uherskť Hradiště bereikten een mate van rijkdom en van stedelijkheid, waarbij het welvaartspeil van de noordelijker gelegen nederzettingen schril afsteekt. Opgravers vonden in Opole ook een paar barnstenen kralen.
Als hofstad van het geslacht van de Piasten werd Opole waarschijnlijk belangrijker dan het in de vroege middeleeuwen was geweest. Op enkele plekken in de stad zijn herinneringen aan die tijd bewaard. Zo is de in de in de loop der jaren veelgeplaagde Franciscaner kerk een restant van een kloostercomplex dat als mausoleum voor onder meer de Piasten diende. In een zijkapel wordt nog altijd het stoffelijk overschot van een viertal leden van dat huis bewaard: Bolko I (gest 1313), Bolko II (gest 1356), Anna (gest 1378) en Bolko III (gest 1382). In de aan het heilige kruis gewijde kathedraal, een laatgotisch gebouw, wordt het lijk bewaard van Jan van Dobry (gest 1533), de laatste hertog uit het huis van de Piasten. In de eeuwen daarna was Opole een stad naar Duitse snit, zoals nog steeds een beetje te zien is, ook al is het stadhuis zoals het er nu staat een naoorlogs gebouw en al verloren de gevels van de patriciŽrshuizen door de renovatie in de Stalintijd veel van hun charme.
Interessanter is wat dat betreft misschien Brzeg. Het heeft een fors stadhuis, waarin veel ouds bewaard is gebleven en een schitterend paleis in renaissancestijl. Het paleis is als museum in gebruik en toont onder meer een collectie gotische beelden uit kerken in de omgeving, vaak nog met de originele polychromie. Interessant zijn ook de schilderijen van Michael Leopold Willmann, vooral zijn Christus met gebonden handen, een doek in clair-obscuur uit 1701. Het schilderij is afkomstig uit het CisterciŽnzer klooster van Lubiaz. Hoogtepunt van de collectie is een reeks schilderijen op hout van Giovanni Pinotti uit 1545. De schilderijen tonen de tien plagen waardoor volgens het Oude Testament de Egyptenaren werden getroffen, en geven scŤnes uit de tocht van het volk Israel door de woestijn. De kerk naast het paleis is het belangrijkste mausoleum van de Piasten.
Behalve Duitse kooplui kwamen ook veel Duitse boeren naar dit gebied. Hoewel ze na de tweede wereldoorlog hun biezen moesten pakken, staan de dorpen nog altijd vol boerderijen uit die tijd. Het zijn meestal forse gebouwen met erachter en meestal haaks erop een groot bedrijfsgebouw. Ook hier speelden de CisterciŽnzer kloosters bij de kolonisatie door Duitse boeren een grote rol. In Jemielnika staat nog zo’n CisterciŽnzer abdij. De abdij die een watermolen exploiteerde, werd in 1280 door hertog Bolko I gesticht. De forse abdijkerk is nu de dorpskerk.