Kees Bakker, De barnsteenroute (2005). Bron: www.keesbakker.com

route 1. Van Wenen naar Aquileia

Van Vrhnika naar Aquileia

Door Kees Bakker

Wie Vrhnika de rug toekeerde, nam daarmee tegelijk afscheid van Midden-Europa en bereidde zich erop voor om na een pittige en misschien ook spannende tocht in een andere wereld aan te komen, die van de Middellandse Zee.
De bergwegen tussen Vrhnika en de vlakte benoorden de Adriatische Zee vervulden van de oudste tijden af aan de functie van verbindingsschakel tussen noord en zuid. Al in de jonge bronstijd en de oude ijzertijd drukbereisd zou het er in de eeuwen daarna, in die dus van het Romeinse Rijk, alleen nog maar drukker worden. Maar ook in de eeuwen, zelfs in de millennia die aan de tijd van de metalen voorafgingen, waagden zich telkens nieuwsgierige mensen in deze streken.
In de neolitische periode speelden de routes door dit gebied nog geen rol in de communicatie tussen het Middellandse-Zeegebied en Midden-Europa, maar naar alle waarschijnlijkheid was er wel sprake van verkeer over de passen en van een zeker contact tussen de regio’s aan weerszijden ervan.
Maar waren er misschien al nog eerder mensen in dit gebied op de been? In Vrhnika gaf de bodem een stukje rendierbot prijs, dat van een spiraalvormige versiering was voorzien en dat tien of vijftienduizend jaar oud moet zijn. De wereld van de rendierjagers werd gevormd door de steppen boven de Zwarte Zee en in het Karpatenbekken. De Alpen en de uitgestrekte naaldbossen tussen de Sava en de Dalmatische kust vormden de zuidgrens ervan. Was het stukje rendierbot een sieraad of een amulet van zo’n jager die hier kopers zocht voor zijn waren, huiden misschien of geweien? En was Vrhnika toen al een markt, een ontmoetingspunt voor kooplui uit twee werelden, die van de Middellandse Zee en het noorden?

Bij de verbreiding van de neolitische revolutie naar het noorden in het 6de millennium v. Chr. konden de routes door de Julische Alpen nog geen rol spelen. De grote neolitische centra lagen nu eenmaal in de OriŽnt, aan de Syrische en de Palestijnse kust, in het gebied van de vruchtbare Halve Maan. Voor die culturen was het westen, maar ook het midden van het Middellandse-Zeegebied nog onbekend gebied en, hoewel er wel degelijk neolitiseringsprocessen op gang kwamen, net zo perifeer als Midden-Europa.
De communicatie met het noorden verliep in die tijd eerder via de Zwarte Zee en via de rivieren die daarin uitmonden. Zo lijkt het erop, dat impulsen die via de Donau het Karpatenbekken bereikten, ten grondslag liggen aan het ontstaan van de cultuur van de lineaire bandkeramiek in dat gebied. Archeologen hebben vele bewijzen gevonden van een bloeiende mesolitische wereld langs de benedenloop van de Donau (het stuk tussen de Karpaten en de Zwarte Zee). Ronduit spectaculair was de vondst van een mesolitisch dorp bij Lepenski Vir in de IJzeren Poort (de plek waar de Donau door de Karpaten heenbreekt).

Van Vrhnika liep de route naar Logatec (Longatium). Eenmaal hier aangekomen konden reizigers kiezen. Zo was er een oude weg die over Kalce naar Idrija liep en de Idrijca verder volgde naar Most na Soči (Santa Lucia di Tolmino) om daar als het ware over te stappen op de Isonzo (Soča) en zo bij de Adriatische Zee uit te komen.
Een andere route liep naar het zuiden, worstelde zich door de passen van Postojna (Ad Pirum) en koerste op Ajdovščina aan. Dit was de route waarvoor de Romeinen kozen. Maar wie niet voor een kleintje vervaard was, of misschien alleen maar haast had, nam vanuit Kalce de weg door de bergen naar Ajdovščina. In deze plaats lag in de Romeinse tijd een herberg, de mansio Fluvio Frigido.
Het is de verdienste van keizer Tiberius (42 v.Chr.-37 n.Chr., keizer van 14 tot 37 n.Chr.), dat hij de barnsteenroute moderniseerde en speciaal dat hij dwars door dit bergachtige stuk vanaf 14 na Chr. een professionele heerweg liet aanleggen, die geschikt was voor de middelen van vervoer van die tijd, niet alleen voor ruiters maar ook voor karren voor goederenvervoer en wagens waarmee personen comfortabel tussen ItaliŽ en Midden-Europa heen en weer konden reizen.
Bij de bouw van de heerwegen gingen de Romeinen niet over ťťn nacht ijs. Honderden of misschien wel duizenden mensen waren erbij betrokken. Zij gingen in de weg staand geboomte en eventuele ondergroei te lijf, groeven het tracee uit en vulden de metersbrede voor vervolgens op met verschillende lagen stenen. Landmeters zorgden ervoor dat de weg de goede richting kreeg en bovendien dat hij zo recht mogelijk werd. De bouwmeesters legden de weg liefst op de kaalgeschraapte rotsen. Waar dat niet mogelijk was, moesten boomstammen voor een goede fundering van de weg zorgen. Basaltblokken of andere in vierkanten tegels gehouwen natuursteen vormde de fundering. De wegen waren niet bedoeld voor wandelaars. Wie te voet was, volgde een pad dat langs de geplaveide weg lag. Mijlpalen langs de wegen stelden de reizigers in staat te bepalen hoever ze gevorderd waren. Langs de belangrijkste wegen waren trouwens heel wat plekken waar je inlichtingen kon inwinnen. Om de vijftien kilometer bevond zich langs zo’n weg een mutatio, waar je van paard kon wisselen en op afstand van een dagreis waren er mansiones of herbergen, waar je voor een bed en een maaltijd terechtkon. Toch bleef een reis langs de barnsteenroute ook in de Romeinse tijd een avontuur. Sneeuw of slecht weer konden van de heerweg een glijbaan maken, maar bovendien kon je overvallen worden door latrones, geboefte, dat zich in de bergen schuilhield en leefde van het uitschudden van kooplui. Maar voor wie zich het gemak langs de route kon permitteren had de reis ook zijn gezellige kanten.

In de 4de eeuw, de tijd dat de oude rijksgrens langs de Donau steeds moeilijker verdedigbaar bleek, nam de betekenis van dit gebied voor de verdediging toe. Ajdovščina, in die tijd Castra geheten, werd het militaire centrum. Ook Logatec werd in die tijd een waar bolwerk met versterkingen op de nabijgelegen Martini Hrib en in het zo strategisch gelegen Kalce. Als het erop aankwam, hielpen al die maatregelen echter weinig. De Visigoten en later de Hunnen en de Longobarden zouden immers zonder al te veel oponthoud over de barnsteenweg naar ItaliŽ razen.

Most na Soči

De oude, noordelijke route volgde de Idrijca tot het punt waar die in de Isonzo uitmondt. Daar, middenin een spectaculair berglandschap, hebben vele eeuwen lang bloeiende nederzettingen bestaan. Archeologen staken er op het eind van de 19de eeuw voor het eerst de spa in de grond. Sindsdien kwamen er indrukwekkende schatten tevoorschijn. Maar er is zo geweldig veel dat het gebied archeologisch nog altijd niet uitputtend is onderzocht. Vondsten die bij Most na Soči werden gedaan en die in het museum van TriŽst te zien zijn, verwijzen naar een rijke nederzetting uit de vroege ijzertijd. Uit graven uit deze tijd kwamen prachtige vaasjes en vazen van geslagen brons tevoorschijn, maar ook zware halskettingen en andere sieraden van barnsteen.
Opgravingen in de nederzetting zelf laten zien dat er behalve woonhuizen ook als werkplaats ingerichte gebouwen waren. Rond het dorp lag geen versterking. Blijkbaar boden de rivieren waar het tussen lag, voldoende bescherming. Resten van klein aardewerk en van botten van dieren die bij sommige urnen gevonden zijn, wijzen er volgens deskundigen op dat tot het crematieritueel een dodenmaal behoorde.
Dat op dit punt zo’n belangrijke industriŽle nederzetting kon ontstaan, hangt niet alleen samen met de barnsteenroute, maar ook met het feit dat hier een belangrijke weg naar het noorden begon die het dorp verbond met Salzburg, dat al sinds de bronstijd een belangrijk mijncentrum was. De best geŽxploreerde mijnen bevinden zich in het gebied van MŁhlbach en Bischofshofen. Enorme hoeveelheden koper leverde onder meer de mijn in de Mitterberg in de buurt van de Beiers-Oostenrijkse grens. Behalve koper kwam langs deze weg misschien ook zout uit het nabij Salzburg gelegen Hallstatt naar het zuiden. De weg volgde de Isonzo stroomopwaarts en passeerde Kobarid (Caporetto) waar zich in de vroege ijzertijd een versterkte nederzetting bevond. Uit recente opgravingen blijkt, dat het plaatsje ook in de Romeinse tijd nog van betekenis was. Zo was er in die tijd een militaire wachtpost gevestigd.
Uiteraard kan de enorme bloei van Most na Soči ook niet los gezien worden van de dynamische Griekse en Etruskische wereld die in ItaliŽ was ontstaan en die een grote behoefte had aan grondstoffen. Most na Soči lijkt een Etruskische voorpost op een strategisch punt in de bergen. Ook in de vormen- en beeldtaal die de ambachtslieden van deze plaats gebruikten, keert de Etruskische invloed terug. Dat geldt vooral voor de vaten en urnen van geslagen brons. Het versieren van die vaten met afbeeldingen, meestal de hoogtepunten uit het leven van vorsten, was in het gebied van Este en Bologna ontwikkeld.
Op een paar kilometer van Most na Soči, bij Idrija pri Bači, onderzochten archeologen ook een grafveld. Op dit grafveld werden barnstenen sieraden uit de late ijzertijd gevonden, maar er kwam ook een helm tevoorschijn uit de 1e eeuw voor Christus. Het ijzeren hoofddeksel lijkt sterk op een helm die in Polen is gevonden in Siemiechůw. Dat zo’n helm ook in Polen tevoorschijn kwam, wijst er volgens archeologen op, dat in die tijd Kelten, die aan de zuidkant van de barnsteenroute gevestigd waren, naar de zuidkust van de Oostzee kwamen om barnsteen te halen en dat Jutland dus al ver voor de Romeinse tijd zijn monopolie als leverancier van barnsteen kwijt was. De verschuiving van de barnsteenhandel naar het oosten van de Oostzee in de 1e eeuw v. Chr. wordt ook gedocumenteerd door het grote aantal laat-Keltische en vroeg-Romeinse sierspelden (fibulae) die aan de zuidelijke Oostzeekust gevonden zijn. Speciaal aan de zuidoost-kant van de kust werden spelden gevonden die sterke overeenkomst vertonen met de sierspelden die op het grafveld van Idrija tevoorschijn kwamen. Vondsten uit Idrija zijn te zien op de archeologische afdeling van het natuurhistorisch museum van Wenen.
Een andere nederzetting uit de late ijzertijd lag wat verder stroomafwaarts bij Reka. Opgravers vonden er ijzeren wapens en landbouwwerktuigen (vondsten in het Naturhistorisches Museum van Wenen en in het Civico Museo di Storia ed Arte in TriŽst).

Vanuit Most na Soči volgden reizigers de Isonzo stroomafwaarts langs Gorizia. Het museum van dit stadje heeft een oudheidkundige collectie met onder meer aardewerk en ijzeren gereedschap uit de Romeinse tijd, vondsten uit de bronstijd in dit gebied en bronzen sieraden uit de vroege ijzertijd. Uit deze periode is er ook een bronzen urn (situla), die afkomstig is uit Most na Soči. De vaas is aan de bovenkant versierd met een rand met geometrische vormen. Uit de late ijzertijd is er onder meer landbouwgereedschap: een ploegijzer en verschillende soorten hakken en sikkels.

Gradisca

Vanuit Gorizia volgden reizigers de Isonzo naar Gradisca d’Isonzo. Bij Gradisca mondde de Vipava in de Isonzo uit en dat was ook de route waarlangs de heerweg van Tiberius vanuit Ajdovščina naar de laagvlakte afdaalde. Gradisca is waarschijnlijk het Undecimum uit de Romeinse tijd, de laatste etappeplaats voor Aquileia. In de buurt van dat stadje zijn Romeinse begraafplaatsen gevonden.
Even benoorden het punt waar de Vipava in de Isonzo uitmondde, ter hoogte van het tegenwoordige Mainizza, lag de indrukwekkende Pons Sonti. Reizigers die over de heerweg naar hier waren afgedaald, staken er de Isonzo over om die verder te volgen naar Aquileia. Maar de brug was ook een halteplaats, typisch een plek om de benen even te strekken, eerste blikken te werpen op het keurig bewerkte laagland boven Aquileia en misschien ook een dankbare blik terug, op de bergen die de reiziger weer eens ongeschonden hadden laten passeren. Bij de brug hadden zich allerlei zakenlui gevestigd die hun diensten aanboden en naar alle waarschijnlijkheid lag er ook een garnizoen.
Soldaten en winkeliers waren vermoedelijk ook de eerste doden die hier verast ter aarde werden besteld en die zo het aanzijn gaven aan een begraafplaats waarop later in de 1ste eeuw ook heel wat vooraanstaande inwoners van Aquileia een laatste rustplaats vonden.
Twee eeuwen later was het met die rust opeens gedaan. De brug in de heirweg werd in 238 namelijk door de inwoners van Aquileia afgebroken om Maximinus de ThraciŽr, die met zijn leger onderweg was naar Rome om daar keizer te worden, de toegang tot Aquileia af te snijden. Later is de brug met gebruikmaking van grafmonumenten van de uit de 1ste eeuw daterende begraafplaats herbouwd.

Even voor Aquileia, ter hoogte van Villa Vicentina, kwam de weg uit op een andere heerweg, die namelijk naar TriŽst (Tergeste). Wie over die weg verder naar Aquileia wandelde of reed, passeerde de begraafplaats, waarop later een vroegchristelijke kerk zou verrijzen en stapte door de oostpoort de stad binnen.