Kees Bakker, De Barnsteenroute (2005). Bron: www.keesbakker.com

route 1. Van Wenen naar Aquileia

Van Celje naar Vrhnika

Door Kees Bakker

Celje

Celeia! Vreemdelingen die uit ItaliŽ afkomstig waren en die misschien gedacht hadden in de zuidelijkste stad van het oude Keltische koninkrijk Noricum, intussen de gelijknamige Romeinse provincie, in een barbaarse omgeving terecht te komen, vielen van de ene verbazing in de andere. Gelegen in een vruchtbare en overdadig groene vallei en omspoeld door de flinke, ja zelfs bevaarbare Savinja schitterde Celeia op een zonnige dag als een parel. Wie de vele blikkerende grafmonumenten en de stadspoort voorbij was, reed een straat in die aan beide kanten omzoomd werd door een luxueuze colonnade! De vele marmeren standbeelden en de reliŽfs waarmee de paleizen in de stad versierd waren, verblindden het oog en maakten dat de bezoeker, hoe gewichtig hij misschien was, zich klein voelde. In Celeia moest ook de meest verstokte Romein inzien dat je Kelten niet hoefde uit te leggen wat beschaving en verfijning was.
Dat Celeia tegelijk zo Keltisch was en zo Romeins, had iets te maken met de unieke manier waarop de Keltische en de Romeinse wereld elkaar hadden beÔnvloed en met de bijzondere positie van Celeia als vooruitgeschoven Keltisch bolwerk.
Langs de barnsteenroute waren de bewegelijke Kelten al snel met de Romeinen in contact gekomen. Daarbij bleek dat de Kelten konden voorzien in een deel van de behoefte aan grondstoffen, vooral metalen, maar uiteraard ook barnsteen, waarvoor de Romeinen in ruil wijn gaven en allerlei cultuurprodukten. Het contact met de Romeinen stimuleerde de Keltische ambachtslieden en zo ontstond er op het gebied van de keramiek en de bewerking van metalen een ‘eigen’ Keltische cultuur die er wezen mocht.
Intensivering van de handel werkte het ontstaan in de hand van oppida, versterkte steden, waar Kelten de baas waren, maar waar zich ook vertegenwoordigers van Romeinse handelshuizen vestigden. In deze oppida kon de handel worden afgewikkeld en kon het Romeinse voorbeeld de jonge stedelijke cultuur nieuwe stimulansen geven.
Van dat alles was Celeia een uitgesproken voorbeeld en eigenlijk was de stad al lang voordat ze werd ingelijfd, hoe Keltisch ze ook was, een Romeinse stad, terwijl ze omgekeerd, toen ze eenmaal officiŽel Romeins was, toch een echte Keltische stad bleef.
Dat laatste blijkt vooral uit de grafstenen. Die laten immers zien, dat Keltische vrouwen, ook als ze tot de stedelijke elite behoorden, aan hun Keltische dracht, het specifieke hoofddeksel, en aan de Keltische sieraden gehecht bleven, dat Keltische mannen er tot de hoogste posities konden doordringen, dat Keltische gewoonten, zoals de rituele offermaaltijden bij het graf, niet verdwenen en dat ook de Keltische goden in ere bleven. Het museum van Celje toont een uit de 1ste eeuw daterend bronzen beeldje van zo’n godin. Ze zetelt op een troon en heeft een soort aureool om het hoofd. Deskundigen veronderstellen dat het de godin Celeia is, de naamgeefster dus van de stad.
Het staat vast, dat er bovenop de Miklavski hrib, op de plek waar sinds de middeleeuwen het aan St. Nicolaas gewijde heiligdom staat, in de vroege ijzertijd mensen woonden. Van die nederzetting zijn wat lager op de St. Nicolaasberg ook graven gevonden.
In de loop der eeuwen daalden de mensen van de berg af of begonnen nieuwkomers lager op de bergwand een nederzetting. Vanaf de late ijzertijd was er onder tegen de berg zo’n nederzetting, die op den duur ook urbane trekken kreeg. De stichters ervan waren naar alle waarschijnlijkheid Keltische migranten. In de laatste eeuwen voor het begin van de jaartelling strekte de stad zich uit over het gebied van de voet van de berg, op de hoogte van het Capucijner klooster en het Romeinse heiligdom, over het park en over de strook, waar sinds een vreselijke watersnood in de 3de eeuw de rivier stroomt.
Uit de rivier kwamen duizenden zilveren muntjes tevoorschijn en, wat nog interessanter is, ook stukjes ongemunt zilver en muntafval. Het Keltische oppidum was dus als marktstad belangrijk genoeg om over eigen geld te beschikken. Geld was trouwens symbolisch voor de wereld van de oppida. Het hoorde bij een situatie waarin handel niet meer de traditionele, door lokale en regionale heren gemonopoliseerde ruilhandel was, maar openstond voor iedereen, voor iedereen met geld.
In 15 na Chr. werd Noricum een Romeinse provincie en kreeg Celeia ook nogeens de positie van bestuurscentrum. En het belang van de stad nam nog verder toe, toen ook Pannonia aan het rijk werd toegevoegd en Celeia dus ook nogeens aan de heerweg naar dit rijksdeel kwam te liggen.
Het was danook niet meer dan een erkenning van de status quo, toen Celeia onder Claudius (41-54) ook officiŽel de status kreeg van stad, van ‘municipium’.

In de Romeinse tijd groeide de stad als kool en veranderde ze totaal van karakter. Al in de 1ste eeuw kwam het zwaartepunt te liggen in het gebied dat nu aan de andere kant van de rivier ligt en in de 2de en 3de eeuw groeide het nogeens zo sterk dat verschillende begraafplaatsen onder de bebouwing verdwenen. Dat gebeurde bijvoorbeeld met de begraafplaats ter plekke van de Gubčeva ulica, die drie meter onder het Celeia van de 2de en de 3de eeuw teruggevonden werd. In die tijd begonnen stadsbewoners een nieuwe noordelijke begraafplaats even buiten de plek waar toen de stadspoort lag. En het is vast geen toeval dat precies op die plek nu het kerkje staat van de heilige en martelaar Maximiliaan. Enkele ter plekke opgedoken stenen zijn in de kerkmuur ingemetseld. Dat er een naar de naam Maximiliaan luisterende martelaar is geweest, acht Rajko BratoŽ, een deskundige op het gebied van de vroegchristelijke kerk in dit gebied, waarschijnlijk, maar over de tijd waarin hij is omgebracht, is niets met zekerheid te zeggen. Van een cultus rond deze heilige was in Celje pas na het jaar 1300 sprake.
Nieuwe bouwaktiviteiten volgden na de al gemelde overstromingsramp waarbij de rivier zijn bedding verlegde. Zo kwam het oude, Keltische Celeia uiteindelijk buiten de ommuurde stad te liggen.

Bij de verbreiding van het christendom speelde het aan het begin van de barnsteenroute gelegen Aquileia een grote rol. Opnieuw lag Celeia dichtbij en het is niet onwaarschijnlijk dat het al op het eind van de 3de eeuw met dit nieuwe geloof te maken kreeg. Vondsten die dit staven, zijn er echter niet. Opgravers vonden wel een oud-christelijke basiliek en aan de Gubčeva ulica een doopkapel (op zijn oorspronkelijke plek te bezichtigen). Maar deze gebouwen zijn uit het eind van de 4de of het begin van de 5de eeuw.
Een merkwaardig overblijfsel van vroeg-christelijke gelovigheid is de zerk die ingemetseld zat in de muur van de kerk van Prebold (bij šempeter). Het origineel Ėnu in het museum van Celje- is intussen vervangen door een getrouwe kopie en bedekte ooit het graf van Gaudentius, een man die ergens in de 5de of de 6de eeuw bisschop van Celje moet zijn geweest.

Natuurlijk ging de grote crisis die zich in de tweede helft van de 4de eeuw in het Romeinse Rijk openbaarde, ook niet aan Celeia voorbij. Toch overleefde de stad halverwege de 5de eeuw nog het verschijnen van de Hunnen. Pas met de komst van Slavische kolonisten tegen het einde van de 6de eeuw ging het licht in Celeia uit en werd de weelderigste stad van het oude Noricum een puinhoop die de omgeving nog honderden jaren lang van bouwmateriaal zou voorzien.

Rifnik

De oude barnsteenroute die de stad uit de richting šentjur pri Celju naderde, bereikte Celje precies op de plek waar nu het spoorwegviaduct ligt en liep rechtdoor om de stad richting šempeter weer te verlaten. Reizigers uit Ptuj die de heerweg hadden genomen, bereikten de stad langs de Mariborska cesta en reden via de noordelijke poort bij de tegenwoordige St. Maximiliaan Celje in. De heerweg haakte in de stad aan bij de oude route.
Aan de zuidelijke route, pal tegenover šentjur, ligt een berg die misschien wel een van de meest spectaculaire oudheidkundige plekken van de barnsteenroute is. Vanaf het neoliticum waren er namelijk telkens weer mensen die de bescherming van deze hoogte zochten en op of in de onmiddellijke omgeving ervan probeerden een bestaan op te bouwen, of, wat ook wel gebeurde, in vredige tijden de veilige berg verlieten en ergens beneden een bedoeninkje begonnen. Zulke primitieve gedoetjes waren het overigens lang niet altijd. In de loop der eeuwen bewoonden, zoals uit de vondsten blijkt, meer dan eens mensen van rang en stand de berg Rifnik. Zo vonden opgravers, om een paar voorbeelden te geven, een deftig bronzen drinkgarnituur uit de 7de of 6de eeuw v. Chr., zware bronzen hals- en armbanden uit de periode tussen 900 en 600 v. Chr., een Etruskisch tafeltje met gegoten bronzen poten uit de 7de eeuw v. Chr., een zilveren ring met een slangekop uit de 3de tot 6de eeuw na Chr. en gouden en zilveren oorringen uit de 6de eeuw na Chr.
De oudste vondsten op de berg zijn stukjes keramiek. Ze dateren van het eind van het 4de millennium voor Christus, uit het latere neoliticum dus. Het aardigste is het stukje pot waarin een gat te zien is. De neolitische mens stak daar een tak in en kon de pot zo van het vuur halen zonder zijn handen te branden.
In de bronstijd werd de berg zelf niet bewoond, maar mensen die in de 14de of 13de eeuw v. Chr. in het dorpje Crnolica aan de oostkant van de berg leefden en daar een grote variŽteit aan aarden potten achterlieten, gebruikten de hoogte wel als vluchtoord.
In de daarop volgende oudheidkundige periodes, de late bronstijd en de vroege ijzertijd, 9de tot 6de eeuw v. Chr., was het op de berg wel weer een drukte van belang. Zo kwamen er de resten tevoorschijn van heel wat woonhuizen uit die tijd. De huizen hadden een constructie van houten palen op een fundament van stenen. De muren bestonden uit een met klei bestreken vlechtwerk van takken. De bewoners ervan beoefenden de jacht en de visvangst, maar ook landbouw en veeteelt. Er waren ook inwoners die zich met de bewerking van metalen en anderen die zich met het weven van textiel bezighielden. De eigenaardige bronzen tafel, maar ook het aardewerk laten zien dat van heinde en verre afkomstige goederen op de berg verzeild konden raken.
In de omgeving vonden opgravers maar liefst drie grafvelden met crematiegraven uit de late bronstijd en ook nogeens 37 grafheuvels, graven dus van voorname bewoners uit de vroege ijzertijd. Samen met de tumuli in de buurt van šempeter en de grafheuvels in de buurt van Ptuj laten ze zien dat er in de vroege ijzertijd (7de en 6de eeuw voor Christus) langs dit deel van de barnsteenroute een bevolking woonde die een machtige elite kende. De Rifnik was onmiskenbaar ťťn van de bolwerken vanwaaruit deze mensen heersten.
De jongste prehistorische graven op de berg dateren uit de 6de eeuw v. Chr. Tekenen van menselijk leven zijn er daarna voor het eerst weer in de 1ste eeuw v. Chr., in de late ijzertijd, de tijd dus dat er op de plek van het latere Celeia al een rijke Keltische stad lag. Wat er de oorzaak van is dat de berg zoveel eeuwen onbewoond bleef, weten we niet. Opvallend is wel, dat de vlakbij Zreče gelegen Brinjevce gora hetzelfde overkwam. Ook op die berg hield het menselijk leven in de 6de eeuw v. Chr. op. En net als op de Rifnik verschenen ook daar pas in de 1ste eeuw na Chr. weer mensen.
Hoewel na de inschakeling van Noricum in het Romeinse Rijk het Romeinse bestuur door veiligheid zorgde, bleef de top van de Rifnik in de 1ste eeuw na Chr. bewoond en in de eeuw daarop verrees er op de bergtop een heiligdom gewijd aan Aquo, een lokaal vereerde watergod.
Hoe lang Keltische inwoners hier, ver van het gewoel van het Romeinse Celeia, een eigen heilige berg hadden en er hun knieŽn voor het Water kwamen buigen, is niet bekend. Zeker is wel dat de tempel in puin lag, toen er in de 5de eeuw op die plek een kerk verrees. De constructie van het christelijke heiligdom lijkt sterk op die van de vroeg-christelijke Petrus en Pauluskerk aan het eind van de route, in Aquileia. De kerkruimte was rechthoekig en de absis was als een afzonderlijk gebouw binnen die rechthoek opgetrokken. In de kerk werd een graf gevonden met daarin het stoffelijk overschot van een man en een vrouw. Het graf bevond zich niet in de buurt van de oostwand, maar juist aan de westzijde, in een soort bijgebouw. Dit had mogelijk te maken met het feit dat de kerk geen krypte had. De absis lag namelijk op de plek van een kale rots, mogelijk de offerplaats van het eerdere heiligdom. In de vroegchristelijke kerk was het trouwens niet ongebruikelijk om doden aan de westzijde te begraven. Zoals nog aan de orde komt, werd ook het voorportaal van de latere kloosterkerk van Aquileia als begraafplaats gebruikt.
In deze tijd bevond zich bovenop de berg een serieuze nederzetting. Opgravers vonden onder meer een smidse en een huis dat maar liefst van centrale verwarming was voorzien en dat dus wel het karakter van een paleis moet hebben gehad. Aan de zuidkant werd de nederzetting verdedigd door een stevige muur met torens.
Aan het eind van de 5de eeuw ging dit gebied tot het Oostgotische Rijk behoren en in de 6de eeuw verbleven de Longobarden op hun reis langs de barnsteenroute, die hen uiteindelijk in ItaliŽ zou brengen, een tijdje in deze regionen. Beide periodes zijn terug te vinden in de sieraden en munten die uit graven tevoorschijn kwamen.
Zowel de Oostgoten als de Longobarden werden voor Arianen gehouden. Tot dusver kwam er echter uit de berg niets aan het licht, dat zou wijzen op het verblijf van aanhangers van een ketterse variant van het christendom. Opgravers vonden wel de fundamenten van een kerkje uit de 6de eeuw. Dit godshuis beschikte wel over een gewone absis en zag er dus ook als een echt christelijk heiligdom uit.

šempeter

Vanuit Celje was er een oude weg die de Savinja in zuidelijke richting volgend op de Sava aankoerste en dan die rivier stroomopwaarts volgde naar Ljubljana. De Romeinen echter kozen, toen ze hun heerweg aanlegden, voor een kortere, maar wel zwaardere route, die de stad aan de westkant verliet en vandaar de Savinja stroomopwaarts volgde.
Aan deze weg, op een kilometer of tien van Celeia, lag de dodenstad šempeter.
Bij veel Romeinse steden lag de begraafplaats direct buiten de stadspoort. Eigenlijk was het meestal helemaal geen begraafplaats, maar een wildgroei van graven en monumenten, min of meer in de berm van de weg. Celeia kende die dodencultuur ook. Langs alle uitvalswegen zijn sporen van zulke dodenakkers gevonden. Maar šempeter dankte zijn positie als necropool niet in de eerste plaats aan Celeia. Het was een plek waar het ter ruste leggen en misschien ook het vereren van de doden heel oude wortels had. Zo ontdekten archeologen er onder de Romeinse begraafplaats graven uit de 6de eeuw v. Chr. Mogelijk was šempeter nog altijd als dodenakker in gebruik bij bewoners in dit gebied, toen in de tweede helft van de 2de eeuw het II. Legioen op de vlakte tussen Ločica en Breg pri Polzeli neerstreek en er een kamp bouwde. Het legioen had tot taak de toegang tot ItaliŽ af te schermen voor eventuele nieuwe invallen van de Quaden en de Marcomannen, Germaanse stammen, die woonden in het gebied waar de barnsteenroute het Romeinse Rijk verliet en door het land van de barbaren verder naar het noorden voerde.
De begraafplaats van šempeter kan de laatste rustplaats zijn geweest van mensen uit de leiding van het legioen. Later werd šempeter de plek waar beter gesitueerde inwoners van Celeia een grafmonument lieten bouwen. Misschien waren zij het ook wel die de dodenakker van een muur voorzagen en die de bewakers en verzorgers, zonder wie zo’n muur immers weinig zin had, betaalden.
Op begraafplaatsen speelde zich een niet onbelangrijk deel van het sociale leven af. Wie er een monument had, kwam er geregeld. Tussen de zerken vonden ontmoetingen plaats en het is mogelijk dat šempeter een plek was waar mensen uit de elite van Celeia elkaar informeel konden ontmoeten.
De watersnood die op het eind van de 3de eeuw een stuk van het oude Celeia wegspoelde, richtte ook hier een enorme ravage aan. Heel wat monumenten stortten in, andere verdwenen, met medeneming van daarin te ruste gelegde notabelen, in de rivier, die toen nog vlak achter de begraafplaats langs stroomde. Het zijn vooral die door het water meegesleurde stenen die bewaard bleven. Bouwsels die, verzakt of omgevallen, weer boven water kwamen, werden als bouwmateriaal tot in de verre omgeving hergebruikt.
Toch leidde de natuurramp niet tot het einde van de begraafplaats. Archeologen vonden bewijzen dat er ook nadien weer stoffelijke overschotten ter aarde werden besteld. Hoe lang dat gebeurde, is niet bekend. We weten ook niet of hier, zoals elders wel gebeurde, in vroeg-christelijke tijden boven ťťn van de graven een kerk verrees. Toch is het vast geen toeval dat de kerk van šempeter op het terrein van de necropool staat. De oudste delen van de kerk, gewijd aan de heilige die de sleutels van het hemelrijk bewaart, dateren uit de 12de eeuw.

Dat er in de omgeving van šempeter behalve soldaten in de Romeinse tijd ook burgers woonden, blijkt uit allerlei vondsten. Zo kwam in Podlog een stukje mozaÔekvloer tevoorschijn. De vloer kan deel uitgemaakt hebben van een Romeinse villa. Zulke villa’s dateren vaak uit de slotfase van het Romeinse Rijk toen de steden in een crisistoestand verkeerden. Rijke stedelingen die het leven binnen de stadsmuren zat waren, probeerden hun luxeleventje buiten zo goed en zo kwaad als dat ging voort te zetten. De villa’s die ze bouwden, bestonden uit een elegant woonhuis, ontworpen naar het voorbeeld van de stadspaleizen uit die tijd en verder een verblijf voor de slaven (pars rustica) en een bedrijfsgedeelte (pars fructuaria). De villa’s waren vaste leveranciers van levensmiddelen aan het leger.

Reizigers die langs deze route op pad waren gegaan naar Ljubljana konden ter hoogte van Vransko nog een laatste weemoedige blik werpen op de weidse, vruchtbare en veilige vallei van de Savinja om dan te beginnen aan de tocht tussen de hier en daar royaal duizend meter hoge bergen waar zich behalve wolven en ander gedierte ook allerlei boeven en zwervers schuil konden houden.
De heerweg wrong zich door het landschap, langs Ločica en Trojane, ongeveer zoals nu weg nr. 10 en kwam zo bij Ljubljana uit.

Vače

Wie liever de traditionele weg naar Ljubljana nam, verliet Celje onder langs de St. Nicolaasberg. Deze route die ook nog gekozen zou worden voor de spoorweg, volgde de Savinja stroomafwaarts naar Zidani Most, waar de Savinja in de Sava uitmondt. Vandaar wees de Sava de weg.
Richting Ljubljana volgt de Sava een bergrug met toppen hoger dan 800 en zelfs 900 meter. In de vroege ijzertijd vormde de rivier voor nederzettingen die op veilige plekken in de bergen lagen, de verbinding met de buitenwereld. Sporen van zo’n nederzetting kwamen aan het licht in Vače. Onderdeel van de vondst was een vaasje van geslagen brons met daarop de afbeelding van mensen die met paarden in de weer zijn, paleistaferelen en mythische dierfiguren (te zien in het museum van Ljubljana). Het inmiddels beroemde vaasje Ėin het buurdorp Klenik staat een sterk vergrote kopie- lijkt sterk op vaasjes die wat verder langs de route, in Most na Soči, gevonden zijn, maar uniek zijn de voorstellingen, vooral ook omdat ze ons mensen uit die tijd laten zien. Zo verstopt en geÔsoleerd als Vače lijkt, zo ‘internationaal’ is de beker. Want het is wel duidelijk dat de voorstellingen op de kroes niet aan het dagelijks leven van het Vače van de 7de eeuw v. Chr. zijn ontleend. Ze verwijzen naar de hoogtepunten uit het leven van vorsten in de Etruskische wereld: militaire parades, wedstrijden, jachtpartijen en eet- en drinkgelagen.
In Vače, achter het kerkhof, identificeerden geologen overigens een stuk van een zeekust die 13 miljoen jaar geleden bewoond werd door schelpdieren. In de wand zijn nog altijd de gaatjes te zien waarin zij huisden.

Ljubljana

In de omgeving van Ljubljana woonden, zoals we nog zullen zien, al sedert het mesoliticum mensen. Maar voor de plek waar Ljubljana ligt, kregen mensen pas veel later belangstelling. Het lijkt erop, dat de hoogte waarop in de middeleeuwen de burcht verrees, pas in de 12de eeuw v. Chr. door passanten werd ontdekt. Zij hoorden bij de volksverhuizers die zich in die tijd op allerlei plekken in Centraal-Europa vestigden.
De nieuwkomers zijn voor archeologen gemakkelijk te identificeren, omdat ze een nieuwe vorm van ter aarde bestellen met zich meebrachten: ze verbrandden hun doden en legden grote grafvelden aan, waar ze de asurnen plaatsten. Maar belangrijker was misschien, dat ze ook kennis hadden van allerlei nieuwe technieken, onder andere op het gebied van het bewerken van metaal. Ook al omdat op het gebied van het smelten van erts en het maken van brons niemand hun iets nieuws kon vertellen, hadden ze weinig consideratie met de bronscultuur zoals ze die in dit gebied aantroffen. En zo verdween met de komst van de urnenveldencultuur de cultuur van de midden-bronstijd van het toneel.
De mensen die zich in de loop van de 12de eeuw op de burchtheuvel vestigden, waren vertegenwoordigers van de nieuwe urnenveldencultuur en zij waren het ook die de eerste doden bijzetten op de enorme begraafplaats aan de andere kant van de Ljubljanica, waarvan intussen een klein deel is opgegraven. De begraafplaats, gelegen in de hoek van de Gosposka ulica en de Salendrova ulica, voor een deel op het terrein van de Sloveense Akademie van Kunsten en Wetenschappen, zou eeuw in eeuw uit in gebruik blijven. En zo vormen de doden het bewijs dat Ljubljana vanaf de komst van de urnenveld-mensen tot aan het verschijnen van de Romeinse legioensoldaten onafgebroken werd bewoond.
De bloeitijd van het urnenveldse Ljubljana ligt in de 9de en de 8ste eeuw v. Chr. Daarna zakte de burchtheuvel, ook al bleef ze bewoond, af naar de tweede rang. In de vroege ijzertijd ontstonden nieuwe centra: de Magdalenska gora, Vače, Stična, Novo mesto en Libna. Deze verschuiving kan te maken hebben gehad met de nieuwe dynamiek die het economisch leven in het Middellandse Zeegebied in de vroege ijzertijd kreeg. Maar er waren in die tijd ook belangrijke migratiebewegingen. Keltische volken trokken naar het zuiden en IllyriŽrs zochten juist in noordelijke richting nieuwe levensruimte.
Een onmiskenbaar spoor van Illyrische aanwezigheid vonden archeologen op de hoogte van Molnik in de onmiddellijke omgeving van Ljubljana. Aan de IllyriŽrs, woonachtig aan de Dalmatische kust, was de mode van het cremeren voorbijgegaan. Zij begroeven hun doden nog altijd liever, vaak in graven voor meerdere personen. Op die graven richtten ze heuvels op. Grafheuvels van dit type, daterend uit de 8ste tot de 5de eeuw v. Chr., bevinden zich op de hoogte van Molnik. Uit een 5de-eeuwse grafheuvel kwam een schitterende bronzen riemgesp tevoorschijn. De voorstelling op de riem, een met pijl en boog uitgeruste jager die het op een hert heeft voorzien, vertoont grote overeenkomst met de voorstellingen op het in Vače gevonden bronzen vaasje. Beide voorwerpen maken deel uit van de omvangrijke prehistorische collectie van het nationaal museum in Ljubljana.
Heel wat strategische hoogtes die in de vroege ijzertijd bewoond raakten, kregen in de tijd rond het eind van het Romeinse Rijk opnieuw bewoners, mensen die hoopten op die ongenaakbare plekken de onveiligheid van hun tijd te kunnen trotseren. Molnik was ook zo’n plek.

Gelegen op het punt waar oude wegen uit het noorden (Virunum, nu Klagenfurt) en het zuiden (Siscia, nu Sisak) op de barnsteenroute uitkwamen, werd Ljubljana voor keizer Tiberius (42 v. Chr.-37 na Chr., keizer van 14 tot 37 na Chr.) de ideale plek om de eerste grote legerplaats te vestigen aan deze kant van de bergen die Noord-ItaliŽ van Midden-Europa scheiden. Zoals ze elders ook zouden doen, meden de Romeinen de burchtheuvel die in die tijd mogelijk door Kelten van het volk van de Taurisci werd bewoond. Vertrouwend op hun militaire suprematie bouwden ze op de andere oever van de Ljubljanica hun rechthoekige en op den duur met zware muren versterkte stad. De Slovenska cesta en de Rimska cesta waren de twee straten die de Romeinse stad in vier parten deelden.
De bouw van de legerplaats begon in het jaar 15 na Chr., op een plek waar Romeinse soldaten al vanaf 35 v. Chr. een kampement hadden, en hield verband met de modernisering van de barnsteenroute, die Tiberius in die tijd onder handen had.
Delen van de muur zijn gevonden en gereconstrueerd. Opgravers vonden in de buurt van de St. Ursulakerk ook de plek terug waar zich het forum bevonden moet hebben. De kerk staat op de plek van de noordelijke stadspoort en de buiten die poort gelegen begraafplaats.
Na de soldaten kwamen al snel kooplui naar de stad. Ze waren hoofdzakelijk afkomstig uit Noord-ItaliŽ en uit de steden van de Povlakte. Deze Romeinse families vormden een gesloten wereldje. Uit de autochthone bevolking lieten ze niemand toe. Al in het begin van de 1ste eeuw waren ze welvarend genoeg om uit Aquileia deftig aardewerk uit de Povlakte en peperduur glaswerk uit het Midden Oosten te laten komen. Hoewel Emona, zoals de stad in de Romeinse tijd heette, al snel ook eigen ateliers kreeg, waar ambachtslieden naar Italiaanse voorbeelden en misschien ook wel onder Italiaanse bazen werkten, bleef de import van luxe-goederen uit Aquileia belangrijk.
Zo werd Emona, ook al lag het honderd keer aan gene zijde van de passen, een echt Romeinse stad. De verdedigingswerken, die op het eind van de 2de eeuw, na de oorlog met de Quaden en de Marcomannen, werden opgericht, versterkten dit nogeens, omdat ze Emona van Pannonia afsneden. Romeinen die, de barnsteenroute afzakkend, Emona bereikten, hadden het gevoel ‘thuis’ te komen. Voor Herodianus bijvoorbeeld, de geschiedschrijver die de tocht van aspirant-keizer Maximinus de ThraciŽr beschreef, was Emona de eerste stad op Italiaanse bodem.

In het gedeelte van Ljubljana waar de Romeinse stad lag, vonden opgravers ook een gebouwencomplex uit de tweede helft van de 4de of het begin van de 5de eeuw, dat zij interpreteren als een christelijk centrum. De voorstellingen van de mozaÔekvloeren en het baptisterium sluiten twijfel aan het christelijk-rituele karakter van de gebouwen uit, maar merkwaardig is wel dat er geen basiliekvormig gebouw aan het licht kwam.
Dat er op het eind van de 4de eeuw in Emona een christelijke kerkorganisatie was, weten we ook uit brieven die HiŽronymus in 376 en 377 richtte aan de vrouwelijke gelovigen van Emona (die misschien een kloostergemeenschap vormden) en aan de monnik Antonius. Omdat hij een van de deelnemers was aan een kerkvergadering in Aquileia in 381, is ook de naam bewaard gebleven van een bisschop uit die tijd, Maximus. In de tijd van de contrareformatie werd hij Ėopzettelijk- verward met een Maximus, die in 250 in Efese de marteldood was gestorven. Zo werd de legende geconstrueerd van een martelaar-bisschop Maximus en konden de inwoners van 18de-eeuws Ljubljana een heilige uit de antieke tijd vereren. Vondsten uit vroeg-christelijk Ljubljana zijn te zien in het Nationaal Museum, in het stadsmuseum en in het Natuurhistorisch museum van Wenen.
Hoewel Emona een belangrijk christelijk centrum was en misschien ook een uitvalsbasis voor de verbreiding van het christendom naar het noorden, bestonden andere geloven daarnaast nog voort. Zo waren er in de stad mensen die de Magna Mater vereerden. Ook de Mithras-cultus had in Emona aanhangers.
Emona bleef bewoond tot in de jaren 80 van de 6de eeuw, de tijd dus dat Slavische migranten naar Midden-Europa kwamen. Een deel van de bevolking vluchtte toen onder leiding van bisschop Johannes naar IstriŽ. Anderen maakten de verre reis niet mee, maar zochten hun toevlucht op strategische hoogten in de buurt. Ook zij werden trouwens vergezeld door kerkelijke gezagsdragers, want op die nieuwe woonplekken verrezen al snel kerken.
Tegen het eind van de 8ste eeuw werd de Karolingische invloed merkbaar. Vanuit Aquileia kwamen missieactiviteiten op gang en tegelijk arriveerden uit Salzburg Ierse monniken in het gebied. Patriarch Paulinus II van Aquileia (gest. 802) liet in die tijd de Sint Pieter aan het Hrvatski trg bouwen. De kerk kreeg het recht om te dopen en te begraven. Maar missionarissen van Paulinus trokken nog veel verder de oude barnsteenroute langs, tot diep in Pannonia. Om een eind te maken aan de concurrentie tussen de beide kerkvorsten werd in 812 bepaald dat de Drava de grens zou worden van het ambtsgebied van de bisschop van Salzburg. De patriarch van Aquileia kreeg het in het gebied ten zuiden daarvan voor het zeggen.
In de middeleeuwen zou de barnsteenroute nogeens een populaire verkeersweg worden voor bedevaartgangers en kruisridders die vanuit Duitsland op weg gingen naar het Heilige Land. De route kwam opnieuw in de aandacht van de kruisridders, toen ze zich uit het Midden Oosten terugtrokken. Zo belandden ook de ridders van de Duitse Orde die uiteindelijk vooral in het huidige Polen, helemaal aan de noordkant van de barnsteenroute, een belangrijke rol zouden gaan spelen, in het begin van de 13de eeuw in Ljubljana. Ze stichtten er een klooster en bouwden er een kerk bij, die, verlaten en verwaarloosd nog altijd indrukwekkend is.

Ljubljansko barje

Reizigers die vanuit Ljubljana naar Noord-ItaliŽ reisden, namen de weg die aan de noordkant, langs de voet van de bergen het ondoorzichtige en gevaarlijke moerasgebied van de Ljubljansko barje passeerde en naar Vrhnika liep. De heerweg uit de Romeinse tijd ligt precies onder de snelweg.
De intussen drooggelegde moerassen van Ljubljana waren van oude tijden af aan een plek waar mensen zich staande wisten te houden. Een geweldig pluspunt was natuurlijk de rijkdom aan wild en vooral aan vis, maar daar kwam bij dat het waterlandschap, als je er de weg eenmaal kende, een eersteklas oord was om je te verbergen.
Gereedschappen van steen en van been die aan de noordkant van het moeras, in de bergen, gevonden werden, vormen het bewijs dat in de onmiddellijke omgeving van die waterwereld rond 5000 v. Chr. al mensen woonden. De voorwerpen tonen sterke verwantschap met het gereedschap uit de mesolitische cultuur van het karstgebergte van TriŽst. In het moerasgebied was zoveel voedsel te vinden, dat deze mensen geen enkele reden hadden om naast de beproefde manier van levensonderhoud, jagen en verzamelen, iets nieuws te beginnen. En zo bestond in dit gebied, terwijl elders langs de barnsteenroute boeren en boerinnen zich op hun akkertjes alweer sinds mensenheugenis in het zweet werkten, de ontspannen mesolitische manier van leven voort.
Overtuigde viseters moeten ook de mensen geweest zijn die zich aan de oevers van het moeras niet veilig voelden, maar liever plekken zochten midden in het water om daar woningen op palen te bouwen. Om de 40 tot 60 jaar, als de palen het begonnen te begeven, nieuwe woningen bouwend hielden ze het maar liefst tweeduizend jaar in het moeras uit, van 3600 tot 1800 v. Chr. De woningen waren voorzien van aanlegplaatsen en stonden meestal op plekken die ook weleens droogvielen. Dat laatste gaf dan de gelegenheid tot het verrichten van reparaties en tot het aanbrengen van dijkjes en palissaden die de huizen tegen het stromende water moesten beschermen. De paalbewoners leefden niet alleen van wat het water opbracht, maar ze bewerkten ook land en hielden vee. Tot de gemeenschap behoorden verder pottenbakkers: op de locatie Maharski prekop kwamen eenvoudige ronde schalen uit de tweede helft van het 3de millennium tevoorschijn en op de locatie Parte vonden opgravers fraai gevormde en versierde schalen en vazen uit de tijd rond 2000 v. Chr. De paalmensen waren dus, hoe uniek ze ook woonden, echte vertegenwoordigers van de neolitische cultuur. Wonen in het water betekende niet dat zij geen contact hadden met de buitenwereld. Deskundigen wijzen erop dat hun gereedschap en hun keramiek allerlei soms verre invloeden verraadt. Rond 2000 raakten zij bovendien op de hoogte van de technieken de nodig waren voor het smelten van erts en het vervaardigen van metalen voorwerpen en sloten ze dus aan bij de volgende revolutie, die van de bronstijd.
De neolitische wereld in de moerassen van Ljubljana had niet alleen verbindingen langs de barnsteenroute in zuidelijke en misschien ook noordelijke richting, maar ging, zoals aan de hand van keramiekvondsten is vastgesteld, deel uitmaken van een groter cultureel geheel dat zich uitstrekte tot het plaatsje Mondsee (bij Salzburg), waar eveneens een uit de jonge steentijd daterende nederzetting op palen is gevonden, en aan de andere kant tot de grote, boven de Donau uittorenende neolitische burcht Vučedol bij Vukovar en dat danook de Mondsee-Laibach-Vučedol-cultuur is genoemd. We zijn met deze cultuur in de tweede helft van het 3de millennium v. Chr. en daarmee bij een jongere neolitische cultuur, die van de beschilderde keramiek, die zich in deze eeuwen ook in het Karpatenbekken verbreidde. Net als in de Ljubljansko barje bestond de nederzetting in de Mondsee tot in de bronstijd voort.
Paalwoningen uit de jonge steentijd zijn ook gevonden bij Donja Dolina aan de Sava.

Vrhnika

Vrhnika lag precies op de plek waar de moerassen van de Ljubljansko barje plaats maakten voor de bergen en waar het zwaarste deel van de barnsteenroute begon: de weg door de passen langs de onderkant van de Alpen naar de vlakte aan de noordkant van de Adriatische Zee.
In de Romeinse tijd heette Vrhnika Nauportus oftewel Nieuwe Haven en was het een overslaghaven. Goederen die uit het noorden per schip werden aangevoerd, werden er overgepakt om op wagens of lastdieren de pas overgebracht te worden. En omgekeerd konden produkten uit het zuiden, daarbij ging het vooral om wijn en olie, eenmaal aan deze kant van de pas per schip stroomafwaarts verder worden vervoerd. Maar ook het verkeer over de weg passeerde Vrhnika.