Kees Bakker, De Barnsteenroute (2005). Bron: www.keesbakker.com

Route 1. Van Wenen naar Aquileia

Van Haschendorf naar Szombathely

Door Kees Bakker

Een zonnealtaar in Haschendorf

Ook al omdat de omstandigheden waaronder het ooit van de aardbodem verdween, meestal dramatisch zijn, heeft een voorwerp dat na honderden of soms zelfs duizenden jaren opeens tevoorschijn komt, iets ontroerends. Hoewel het zelf aan de vernietiging ontkwam en vakkundig schoongemaakt misschien wel mooier is dan ooit, herinnert het ons aan de verloren wereld waaruit het is voortgekomen, aan de vele, vele generaties die sindsdien even op aarde zijn geweest en aan de vluchtigheid en vergankelijkheid van het menselijk bedrijf.
Zo’n voorwerp is de ‘kroon’ die boer Johann Widder in het voorjaar van 1914 vond, toen hij in de toenmalige zandgroeve, vlakbij de begraafplaats van Haschendorf, zijn spa in de grond stak. Archeologen onderzochten de plek naderhand, meer dan eens zelfs, en stelden vast dat het geheimzinnige voorwerp er niet zomaar was zoekgeraakt, maar moedwillig in een twee meter diep gat was begraven.
De vreemde bronzen vondst kreeg een ereplaats in het archeologische museum van Sopron, maar een getrouwe kopie ervan staat op de plek waar hij destijds tevoorschijn kwam.
Hoewel het voorwerp de kijker direct het woord kroon in de mond geeft, is het beslist niet draagbaar. Het moet in de tijd dat het zijn functie vervulde, gewoon ergens gestaan hebben, op de grond, of op een verhoog, in de beschutting van een gebouw of in een paleis. Het voorwerp bestaat uit een tiental platen van gegoten brons met wielvormige uitsteeksels. De platen zijn met klinknagels aan elkaar verbonden, zodat ze samen een cirkel vormen met een diameter van zo’n 40 cm. Erop ligt een dekplaat met een concentrisch patroon van pijlvormige tekens. In de dekplaat is een verdieping gehamerd, waarin bijvoorbeeld een kleine hoeveelheid van een of andere waardevolle vloeistof geschonken kon worden.
Wat de bronzen tafel van Haschendorf nog wonderlijker en vooral spannender maakt, is dat hij niet alleen op de wereld is. Al veel eerder namelijk, in 1847 om precies te zijn, was op duizend kilometer afstand, in een veenmoeras bij het plaatsje Balkĺkra in het zuiden van Zweden precies zo’n voorwerp gevonden. De tafels lijken zo sterk op elkaar, dat een toeschouwer met het blote oog niet kan vaststellen of de gietstukken al dan niet uit dezelfde mallen afkomstig zijn. In de gravering op de dekplaten zit wel verschil. De dekplaat uit Haschendorf heeft een tekening van pijlvormige tekens in een concentrisch verband, terwijl de dekplaat uit Zweden een aantal concentrische cirkels toont met daartussen pijlvormige tekens.
Niet alleen met betrekking tot de aard van de voorwerpen bestaat er onduidelijkheid, archeologen verschillen ook van mening over de datering ervan. Sommigen denken aan een datering in de late bronstijd, terwijl anderen ze liever in de midden-bronstijd plaatsen.
Archeologen hebben in de loop der jaren allerlei hypothesen op de tafel van Haschendorf losgelaten. Volgens de laatste en tegelijk meest onwaarschijnlijke zou het voorwerp tot de inventaris van een zonnetempel hebben behoord. Een archeoloog die in de jaren 80 van de vorige eeuw nogeens in Haschendorf rondneusde, betoogde dat er zich daar zo’n heiligdom bevonden zou moeten hebben. Die tempel wist zich, zo meende hij verder, tot in de 2de of de 3de eeuw na Chr., bijelkaar dus zo’n duizend jaar te handhaven. Het bronzen voorwerp zou de sierlijke afdekking zijn geweest van een offertafel of anders misschien van een rechterstoel. Vandaar ook dat de kopie die op de vindplaats is opgesteld, op een boomstronk is geschoven. Er kwam echter in Haschendorf geen enkele aanwijzing boven water, dat er zich ooit een tempel bevonden zou hebben. Sterker nog, uit de bronstijd in Midden- en Noord-Europa zijn ons geen gebouwen bekend, die als tempels geďnterpreteerd kunnen worden. Ook uit het gat waarin de bronzen tafel zo lang verstopt is gebleven, kwam niets tevoorschijn dat bij de datering van het voorwerp zou kunnen helpen. En zo is de tafel van Haschendorf ook vandaag nog een even groot raadsel als toen hij voor de tweede maal het levenslicht aanschouwde.
Het ziet ernaar uit dat het voorwerp zelf intussen wel alle informatie heeft prijsgegeven, die er menselijkerwijs gesproken aan te ontlokken valt. Op meer duidelijkheid kunnen we alleen hopen, als we het perspectief verbreden en gaan kijken naar de wereld waarin het bronzen pronkstuk vorm kreeg.

Bij het dateren van prehistorische vondsten en bij het interpreteren van de symboliek ervan is het erg belangrijk voorwerpen te vinden, die er min of meer op lijken. Dat de tafel van Haschendorf zo’n sprekend evenbeeld heeft, is danook een enorm geluk.
Samen doen de twee voorwerpen ons een paar belangrijke sleutels aan de hand. In de eerste plaats is het waarschijnlijk dat we ze moeten dateren in de tijd dat er intensieve contacten bestonden tussen de Noordse wereld en Centraal-Europa en in het bijzonder het tegenwoordige Hongaars-Oostenrijkse grensgebied. Het bondgenootschap tussen heersers uit het noorden en uit Centraal-Europa kreeg al vorm in de midden-bronstijd (1800-1200 v.Chr.). Dit was de periode, waarin Centraal-Europa langs de barnsteenroute contact kreeg met de Mediterrane wereld en met de bloeiende Myceense cultuur van die tijd. Voor de Noordse heersers waren de contacten met Centraal-Europa van groot belang. Alleen op deze manier namelijk konden zij de hand leggen op de bronzen prestige-voorwerpen die zij nodig hadden om indruk te maken op hun onderdanen en op collega-heersers in de buurt. Ook in de woelige eeuwen aan het eind van de midden-bronstijd, in Centraal-Europa gekenmerkt door het verschijnen van een nieuwe cultuur, die van de urnenvelden, slaagde de Noordse elite erin de communicatie open te houden en in de late bronstijd (1200-750 v.Chr.), beleefde het Noords-Centraaleuropese bondgenootschap opnieuw een periode van bloei.
Uitwisseling van geschenken tussen de verschillende hoven was een belangrijk aspect van het verkeer tussen de Noordse wereld en Centraal-Europa. Maar daarnaast was er ook verkeer van personen: vrouwen die naar elders werden uitgehuwelijkt en ambachtslieden die door hun heren op tijdelijke of permamente basis aan collega’s werden afgestaan. Langs de Noords-Centraaleuropese as vond ook een uitwisseling van ideeën plaats, op religieus gebied en zeker ook met betrekking tot de inrichting van de samenleving. Zo droeg het bondgenootschap tussen de Noordse en de Centraaleuropese elite er belangrijk toe bij dat Europa in de bronstijd een cultuur kreeg die een internationaal karakter had. Deze cultuur putte uit verschillende bronnen, had meerdere centra en kende regionale verschillen, maar toonde tegelijk sterke gemeenschappelijke trekken. Via Centraal-Europa was de Europese bronstijdcultuur verbonden met de Myceense cultuur en later met de cultuur van de Griekse stadstaten. Het was in deze periode geen uitzondering, maar eerder regel dat symbolische of siervormen in het gehele gebied waren aan te treffen. Een fraai voorbeeld daarvan vormt de versiering met doorlopende spiralen, die we kennen uit het Kreta uit de tijd van 1700 tot 1450 v. Chr., van de Cycladische eilanden, uit de Myceense wereld, maar bijvoorbeeld ook uit de Noordse late bronstijd.
Ook de tafels van Haschendorf en Balkĺkra symboliseren deze internationale bronstijdcultuur.

De Zweedse tafel brengt ons naar een gebied waar het wiel met de vier spaken, zoals we dat op elk van de twee voorwerpen aantreffen, in de late bronstijd een belangrijk en veel gebruikt symbool was voor de zon. In de Noordse wereld werd de zon ook in de vroege bronstijd al vereerd. Daarvan getuigt bijvoorbeeld de beroemde zonnewagen van Trundholm, een bronzen beeld dat laat zien hoe de zon als een echte heerser in een wagen langs het firmament reist. Maar het vierspakige wiel kwam in het noorden toch pas in de late bronstijd als zonnesymbool in gebruik. De zonnecultus vormt zo een fraaie illustratie van de manier waarop in het noorden de overgang van de midden- naar de late bronstijd zijn beslag kreeg: de traditionele zonnecultus bleef voortbestaan, maar werd wel met een nieuw symbool en met de daarbij behorende nieuwe inhoud verrijkt.
Zonnewielen werden uitgehakt in rotsen, maar er zijn ook bronzen gietstukjes van het symbool gevonden. Bij Lyngbygĺrd in het westen van Zeeland in Denemarken kwam bijvoorbeeld zo’n wieltje aan het licht. De collectie van het Nationaal Museum te Kopenhagen, waartoe overigens ook de zonnewagen behoort, toont er ook één, gevonden op Jutland, die met barnsteen is ingelegd. Het wieltje komt verder voor op een stukje bronzen beslag dat gediend moet hebben als versiering van een hoorn. Het werd in 1836 gevonden in een moeras bij het aan de Oostzee gelegen Wismar en wordt in de late bronstijd gedateerd.
Kleine vierspakige wieltjes zijn verder op verschillende plaatsen langs het noordelijk deel van de barnsteenroute gevonden, in Bohemen, maar ook in een graf op de vlakbij Haschendorf gelegen St.-Vitusberg. Op die berg bevond zich in de late bronstijd een stad, waar ook ambachtslieden leefden, die brons vervaardigden en bewerkten. Blijkbaar waren de wieltjes een soort amuletten die de dragers ervan uiteindelijk ook meenamen in hun graf.
Alle deskundigen zijn het erover eens dat het vierspakige wiel een symbool was voor de zon. Dat betekent dat de twee tafels dus tot de hardware van een zonnegeloof behoren. Als dat zo is, dan wordt het waarschijnlijk dat ook de gravering op de dekplaat naar de zon verwijst. De pijltjes staan dan voor de stralen die de zon alle kanten opstuurt.
Niet alleen voor de wielen die de poten van de zonnetafel vormen, ook voor de dekplaat zijn er parallellen. Erg interessant is wat dat betreft een plaatje van gehamerd goud, dat in Moordorf (bij Aurich in Oost-Friesland) in een graf werd gevonden. Het plaatje is rond en voorzien van een tekening die uit een aantal concentrische cirkels bestaat. In de buitenste zijn pijlvormige tekens geslagen. Het plaatje wordt in de vroege bronstijd gedateerd en is te zien in het Landesmuseum te Hannover. Concentrische cirkels en driehoekjes die mogelijk voor de stralen van de zon staan, zijn ook te zien op bronzen sierschijfjes die op verschillende plekken elders in Duitsland zijn gevonden (Kyhna, Kr. Delitzsch; Ostro, Kr. Kamenz; Straubing; Göggingen, Ldkr. Augsburg; Lager Lechfeld, Ldkr. Kaufbeuren). Ze dateren ook uit de vroege bronstijd. Op de sierschijfjes van Lager Lechfeld zijn de zonnepijlen aangebracht op een vierspakig wiel. Net als de zonnetafel van Haschendorf combineren zij dus de twee soorten zonnesymbolen.

We zagen al, dat de heersers langs de barnsteenroute niet alleen geschenken, maar als het zo uitkwam ook de makers ervan, de ambachtslieden, uitwisselden. Mogelijk hielpen zij bij de vervaardiging van prestige-voorwerpen en voorwerpen met een rituele functie, die vooral in de late bronstijd heel vaak kant en klaar en kennelijk op bestelling uit Midden-Europa aan de machthebbers in het hoge noorden werden geleverd. Een fraai voorbeeld daarvan zijn de bronzen hoorns, de z.g. luren, die in het noorden bij rituele optochten werden gebruikt. Het is heel goed mogelijk dat de zonnetafel van Haschendorf één van de rituele voorwerpen was die Middeneuropese ateliers voor de Noordse wereld maakten. Dat er ook op de St.-Vitusberg een zonnewieltje is gevonden, kan erop wijzen dat er speciale banden bestonden tussen het noorden en de ateliers op deze berg. Misschien waren er wel vertegenwoordigers van de Noordse opdrachtgevers permanent in de stad gevestigd. Het is danook denkbaar dat de twee voorwerpen op die berg zijn vervaardigd. Als dat zo is, dan bereikte de tafel van Balkĺkra de opdrachtgevers wel. De zonnetafel van Haschendorf, die anders dan zijn Zweedse evenbeeld geen sporen van gebruik draagt, moet dan al spoedig na zijn vertrek uit de bergstad in vreemde handen zijn geraakt en zo in dit gebied zijn blijven hangen.

In Midden-Europa zelf speelde de zonnecultus geen al te grote rol. In het Midden-Oosten en het Middellandse-Zeegebied lag dat anders. Van de Egyptenaren bijvoorbeeld is bekend dat het grote zonaanbidders waren. Ook de Grieken uit de late brons- en de vroege ijzertijd kenden de zonnegod. Helios, zoals zij hem noemden, verplaatste zich net als zijn collega van Trundholm in een wagen.
Frappant is, dat ook het vierspakige wiel als zonnesymbool in het Middellandse Zeegebied wel bekend was. Zo bezit het Nationaal Museum van Kopenhagen een paar van Rhodos afkomstige zonnewielen uit 800-600 v.Chr. met een tweekoppig dier erop.
De tafels van Haschendorf en Balkĺkra waren niet al te groot en gemakkelijk te verplaatsen. Ze doen daardoor wel denken aan de draagbare offertafels die in het Middellandse-Zeegebied in gebruik waren. Zo’n offertafeltje is bijvoorbeeld in Knossos gevonden.

Het is onmogelijk de vondsten die in het voorgaande aan de orde kwamen, zodanig met elkaar in verband te brengen, dat dat zou wijzen op onderlinge afhankelijkheid en het is ook niet mogelijk om eenvoudige lijnen te trekken, waarlangs bepaalde symbolen en de religieuze inhouden die daarmee mogelijk samenhingen, zich zouden hebben verbreid. Het lijkt er eerder op dat het zonnegeloof in zijn verschillende varianten en de daarbij behorende symbolen vrij bewogen in de ruimte die de bronstijdcultuur in Europa had gecreëerd.
Het zonnewiel was bepaald ook niet het enige symbool dat internationaal verbreid raakte. Heel populair werd -ook in het noorden- de versiering met al dan niet doorlopende spiralen, die we ook kennen uit de Minoďsche cultuur, uit de Myceense wereld en uit de tijd van Athene en de Griekse stadstaten. Ook de toepassing van spiralen in de z.g. brilfibulae, broches met twee spiralen, was zowel in Griekenland alsook in Centraal- en Noord-Europa bekend. De versiering met concentrische cirkels, zoals die bijvoorbeeld voorkomt op de zonnewagen van Trundholm, was een motief dat ook in Griekenland veel werd gebruikt.
Door de nadrukkelijke verbinding van twee typen symbolen (de wielen die misschien stonden voor de zon als klok, als heerser over de tijd, en de pijlen die mogelijk de warmte van de zon symboliseerden, het vermogen van de zon om leven te schenken) in één voorwerp lijken de zonnetafels net als het zonneschijfje uit Lager Lechfeld een poging tot synthese te vertegenwoordigen. Zo gezien nodigde de tafel zijn drukbezette eigenaar, als de gasten eindelijk weg waren, uit tot bezinning over het leven en de zin ervan, over vruchtbaarheid, rijkdom en geluk, over alles wat hij had opgebouwd, een burcht met sterke muren, goed uitgeruste strijders en eersteklas ambachtslieden en een land vol boeren die met hun bronzen sikkels het koren onvermoeibaar te lijf gingen, en over het onvermijdelijk naderende moment dat hij dat aan een volgende generatie moest overdragen en hem niets wachtte dan zijn bijzetting, in een vorstelijke grafheuvel, om zelf net zo’n memento mori te worden als de bronzen tafel.

Tegen het eind van de 17de eeuw kwam in dit gebied, gestimuleerd door de Jezuďeten, de verering van de Drieëenheid in zwang. En zo besloten ook twee inwoners van Haschendorf, Valentin en Regina, in 1690 een beeld van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest te laten maken en dat op een mooi zuiltje in het dorp neer te zetten. Een eeuw later stond hun blijk van vroomheid lelijk in de weg en besloot het dorp het Drievoudige godsbeeld boven de zandgroeve neer te zetten, precies dus op de plek waar ooit een altaar voor de hier onbegrepen zonnegod in een donker gat was weggestopt…

Kőszeg

Van Haschendorf liep de route over Horitschon naar Raiding en vandaar langs de Raidinger Bach naar Grossmutschen (Mučindrof) en Frankenau (Frakanava), alletwee Kroatische dorpen. In Grossmutschen en omgeving bloeide in de laatste eeuwen voor het begin van de jaartelling de ijzerindustrie. Als u in Grossmutschen het weggetje neemt langs de kerk richting Strebersdorf, ziet u halverwege de twee dorpen de oude barnsteenweg onder het asfalt vandaan komen. De plek is met een paar Romeinse grafstenen gemarkeerd. Duidelijk is te zien dat het een aangelegde weg is. De heerweg ligt op een soort dijk. Sporen van bestrating zijn niet gevonden. Naar alle waarschijnlijkheid was de weg buiten de steden wel verhard, maar niet bestraat. Voor de verharding werd kalk gebruikt.
De weg liep verder langs de beek via Strebersdorf en Bad Lutzmannsburg naar Zsira en Gyalóka. Omdat er bij Zsira geen officiële grensovergang is, moet u omrijden over Kőszeg (Güns).
In de verdediging van de heerweg en van de steden die er langs lagen, speelden wachtposten een belangrijke rol. Zij hadden tot taak de toegang af te grendelen en moesten boodschappers naar de stad sturen om het dreigende gevaar te melden. In Gyalóka lag in de Romeinse tijd zo’n wachtpost, die met soldaten was bemand. Reizigers gingen vandaar over Peresznye en Ólmod naar Kőszeg. Peresznye, waar Romeinse grafstenen gevonden zijn, is een oud Kroatisch dorp. De kerk staat op een strategische hoogte. Een deel van de verdedigingsmuur is nog intact. Aan de andere kant van het dorp, op de plek van de oude burcht, staat het paleis, dat nu in gebruik is als bejaardentehuis. In de omgeving van Ólmod werd lood gewonnen.
Dat de barnsteenroute over Kőszeg liep staat vast, maar over de rol die dit stadje in het verkeer langs de barnsteenroute speelde, is niets bekend. Van de stad wordt voor het eerst melding gemaakt in 1248.
Op de St. Vitusberg bij Velem, even ten zuidwesten van Kőszeg en op enige afstand van de barnsteenroute, lag al in de late bronstijd een belangrijke burchtstad.

Velem

Hoe moeilijk de bedevaartganger of ook maar de profane wandelaar het kan geloven, als hij de steile klim heeft voltooid en uitrustend op een omgevallen boom luistert naar een specht of een verre uil: boven Velem, op de doodstille St. Vitusberg, lag drieduizend jaar geleden een heuse stad. Opgravers die uit hun vondsten een tentoonstelling inrichtten in het Savaria Múzeum van Szombathely, vonden op deze hoogte namelijk een grote nederzetting uit de late bronstijd, die geheel in het teken stond van de winning van metalen, de produktie van brons en de vervaardiging van eindprodukten.
Vergeleken met de neolitische nederzettingen in dit gebied en met de dorpen uit de vroege bronstijd (Dozmat, Vasasszonyfa, Csepreg en misschien ook Szombathely, waar op verschillende locaties voorwerpen uit de vroege bronstijd zijn gevonden) was het nieuwe dat deze een stedelijk karakter had en dat ze sterk hiërarchisch was georganiseerd. De nederzetting bestond namelijk uit drie opeenvolgende, door mensenhanden aangelegde terrassen. Op het bovenste terras leefden de bazen, een krijgerselite, op het middelste terras waren de metaalsmelters en de metaalbewerkers werkzaam en daar huisden ook de handelaars. Op het onderste terras tenslotte leefden de boeren, de mensen dus die de gehele nederzetting van levensmiddelen en grondstoffen voor textiel moesten voorzien.
Het grote voorbeeld voor de elite op de St.-Vitusberg waren de bloeiende Griekse stadstaten. Zij hoopten dat ze met het nieuwe type nederzetting ook het nieuwe type samenleving kopiëerden, dat in Griekenland zo succesvol was. De heersers van de St.-Vitusberg stonden daarin niet alleen. Ook elders in Europa ontstonden in de late bronstijd steden. In het gebied van de Etrusken, dat in de late bronstijd en de vroege ijzertijd een periode van enorme bloei doormaakte, waren er zelfs heel wat (Tarquinia, Cere, Vulci, Veluttonia, Volterra en het belangrijkste metaalcentrum van de Etrusken: Populonia). In de vroege ijzertijd breidde het aantal stadachtige nederzettingen zich in Italië nog flink uit. Ook Rome werd in die tijd trouwens een stad. Binnen de stedelijke nederzettingen in Italië werden in de vroege ijzertijd versterkte residenties gebouwd voor de heersers.
Op basis van hun kennis van de stedebouw in het zuiden vormden de ontwerpers van de stad op de St.-Vitusberg zich een voorstelling die zo concreet was, dat ze in staat waren een versterkte nederzetting die zich uitstrekte over een terrein van maar liefst 50 hektare, binnen een beperkte periode uit de grond te stampen. Er zijn echter ook allerlei details die op het Middellandse-Zeegebied als inspiratiebron wijzen. Eén ervan is de prachtige diadeem die bij de opgravingen aan het licht kwam en die door een ‘koningin’ moet zijn gedragen. Ook het gebruik van bouwstenen van ongebakken leem, niet erg voordehandliggend in een bosrijke omgeving, verwijst naar de wereld van de Middellandse Zee.
Met 50 hektare was de stad op de St.-Vitusberg buitengewoon groot. In het Lausitz-gebied (op de grens van Bohemen en Duitsland), dat in de late bronstijd een periode van grote bloei doormaakte, kwamen versterkte nederzettingen met een urbaan karakter niet veel verder dan 10 hektare. De ‘steden’ uit de late bronstijd beheersten een omliggend gebied van 100 tot 200 km2. Het ligt voor de hand, dat het door de St.-Vitusstad gecontroleerde gebied groter is geweest.

Patroclus in het Karpatenbekken

Ook bij de manier waarop hooggeplaatste vertegenwoordigers van deze gemeenschap een laatste rustplaats kregen, speelde het Griekse voorbeeld een grote rol. De grafheuvels die bij het 20 km ten zuiden van Velem gelegen grensplaatsje Vaskeresztes zijn gevonden, geven daar een duidelijk beeld van. De dode werd er op een brandstapel gelegd en zo gecremeerd. Rond de brandstapel werd van natuursteen een grafkamer gebouwd. De grafkamer werd voorzien van een lange corridor die als toegang diende. De resten van de dode werden in een grote urn verzameld, die een plaats kreeg in de grafkamer. Bij de urn werden schalen geplaatst met eten en drinken. En tenslotte werd boven de grafkamer een heuvel opgeworpen. Deze manier van ter aarde bestellen, die we trouwens ook bij de Etrusken vinden, lijkt sterk op het begrafenisritueel dat Homerus in het begin van hoofdstuk XXIII van zijn Ilias beschrijft. In die passage is het Achilles die de taak op zich neemt Patroclus te begraven. Het ritueel begon met een rit van de strijders rond het lijk, terwijl ze rouwklachten uitten. Daarna was het tijd voor het dodenmaal, dat bestond uit het vlees van ter plekke geslachte en bereide dieren.
‘s Nachts kwam de ‘schim’ van Patroclus Achilles in zijn droom manen om hem te begraven. De gesneuvelde strijder legde zijn slapende lijkbezorger uit dat hij ‘doelloos dwaalde’en dat hij pas als zijn lichaam zou zijn verbrand, tot de Hades zou worden toegelaten.
‘s Anderendaags werd een brandstapel opgericht. Voor de brandstapel werden opnieuw dieren geslacht. Met het vet van die dieren smeerde Achilles het lichaam van Patroclus in. De gevilde dieren stapelde hij rond het lijk. Daarbij kwamen nog kruiken met honing en olie, paarden, honden en een mensoffer van twaalf jonge Trojaanse krijgsgevangenen.
Achilles waakte de hele nacht bij de brandende brandstapel. Hij liep om het vuur heen en goot wijn in het zand. ’s Ochtends pas liet hij het nog almaar smeulende vuur met wijn doven. De deelnemers aan de plechtigheid verzamelden nu het gebeente van Patroclus, waarbij ze er wel op letten dat er geen botten van de dieren of van de Trojanen tussen kwamen. De beenderen van Patroclus kwamen in een gouden urn, in een dubbele vetlaag. Vervolgens bakenden de deelnemers ‘een grafheuvel af door een kring van stenen om de brandstapel te bouwen en losse aarde erover te storten’. Maar alvorens de grafheuvel af te bouwen en de urn bij te zetten, hielden de deelnemers aan het ritueel eerst nog sportwedstrijden ter ere van Patroclus.

De stad op de St.-Vitusberg was geen eenzaam eilandje van beschaving in de late bronstijd, maar maakte deel uit van een dynamische samenleving, waartoe onder andere ook nederzettingen in Gór aan de Répce, het vlakbij Szombathely gelegen Olad en verder bijvoorbeeld de Sághegy, Zalaszentistván en Somló behoorden. Het gebied ten westen van de Donau was in de late bronstijd een industriëel centrum van de bovenste plank en het is wel duidelijk dat de heersers in dit gebied betrekkingen onderhielden met collega’s die eventueel op honderden kilometers afstand woonden. Zo kan het haast niet anders of de afzet van bronzen halffabrikaten uit het industriegebied aan de bovenloop van de Tisza verliep voor een belangrijk deel via dit gebied. De halffabrikaten die de vorm hadden van bijlen of sikkels, werden in het gebied ten westen van de Donau, maar ook wel hoger langs de barnsteenroute, verwerkt tot hoogwaardige eindprodukten.

Tegen het eind van de 9de en in het begin van de 8ste eeuw v.Chr. ging er langs de barnsteenroute een nieuwe wind waaien. Na een periode van eeuwen, waarin er in het westen van het Middellandse Zeegebied weinig commerciële activiteit was geweest, ontstonden er in deze jaren in sneltreinvaart Fenicische en Griekse handelskolonies. Tegelijkertijd verspreidde zich in deze tijd een nieuw metaal: ijzer. Deze ontwikkelingen werkten uiteraard ook langs de barnsteenroute door. Archeologen gaan ervan uit, dat de Hongaarse metaalcentra die bij de vervaardiging van luxevoorwerpen eerder bepaald een leidende rol hadden gespeeld, in deze eeuwen de concurrentie met de Noorditaliaanse centra verloren en naar het tweede plan verhuisden. Of dit ook voor Velem geldt, staat niet vast. Wel is het duidelijk dat de bergstad aan het eind van de late bronstijd verlaten werd. De ligging ervan was echter zo gunstig, dat de St.-Vitusstad in de vroege ijzertijd opnieuw tot leven kwam. Nieuwe bewoners bouwden in die tijd op de fundamenten van de oude burcht weer een versterking. Een groot geluk was, dat in de omgeving niet alleen koper, antimoon en goud, maar ook ijzer werd gevonden.

In de late ijzertijd was de berg opnieuw bewoond. Mogelijk waren het uit Italië terugkerende Boďers die zich in dit gebied vestigden. Opgravers vonden op de berg van Velem een oppidum uit die tijd. Maar ook in het vlak in de buurt gelegen Bozsok kwamen de resten van een versterking uit de late ijzertijd tevoorschijn.
De Romeinen waren in zulke strategisch gelegen plekken niet meer zo geďnteresseerd. Zij gingen naar Velem voor het water uit de bergen, dat ze met een kunstig aquaduct helemaal naar Savaria brachten.
In de 9de eeuw, de tijd dus dat de Karolingische renaissance zich in deze contreien verbreidde, was de berg weer bewoond. In die tijd werd er de eerste kerk gebouwd. Het heiligdom werd aan de beschermheilige van het aartsbisdom van Salzburg, St. Vitus, gewijd. Archeologen vonden ook in de rots uitgehakte graven uit de 9de eeuw. In de 10de eeuw, ruim voordat Stefanus in het Karpatenbekken zijn koninkrijk stichtte, kreeg de nederzetting ook weer een omwalling. Vondsten uit Velem zijn ook te zien in het Schmidt Múzeum in Szombathely.

De route liep verder over Nemescsó. Ook in dit plaatsje vonden archeologen een wachtpost terug. Het gebouw ligt deels onder de huidige weg van Lukácsháza naar Nemescsó. Over Lukácsháza ging de heerweg naar Szombathely.

Szombathely

Reizigers die in de eeuwen na de val van het Romeinse Rijk langs de barnsteenroute onderweg waren, moeten meer dan eens het gevoel gekregen hebben dat ze een museumroute liepen. Aan architecturale herinneringen aan dat Rijk was er namelijk geen gebrek. Soms zelfs waren het hele dode steden, waar de weg dwars doorheen liep en waar de passant tussen opgeschoten struiken en geboomte een deftig stuk mozaďek zag liggen of een omgevallen beeld als een Romeinse god of keizer herkende. En natuurlijk, wie gevoel had voor het oude, het voorbije, schopte hier en daar al gauw een steen opzij in de hoop iets aardigs te vinden.
Eén van de plekken waar dat beslist zin had, was de geweldige puinhoop die in zijn goede tijd Savaria had geheten en waaruit in 455 na een flinke aardbeving het laatste leven was verdwenen. Maar liefst vierhonderd jaar zou de stad er zo bij liggen, steeds meer uitgekleed door curiositeitenjagers en mensen die om bouwmateriaal verlegen zaten, steeds meer heroverd door de natuur, een steeds verder vervagende herinnering aan de mythische rijkdom van toen.
Na die vier eeuwen verschenen er opeens weer mensen die tussen het puin aan het bouwen sloegen. Want als het waar is, wat sommige historici veronderstellen, dan bouwden de Avaren, nadat hun rijk door Karel de Grote en zijn opvolger Pepijn vernietigd was, hier in de 9de eeuw het centrum van een soort satellietstaatje dat van het Frankische rijk, en concreet dus van de aartsbisschop van Salzburg afhankelijk was en dat trouwens ook bleef, totdat koning Stefanus er rond het jaar 1000 in het kader van zijn bondgenootschap met Beieren de hand op wist te leggen.
Het Avaarse bouwsel was het begin van de zogenaamde bisschoppelijke burcht, waarvan de fundamenten –voor een deel althans- in de tuin achter de kathedraal te zien zijn.

De Romeinen kregen belangstelling voor Savaria, toen in het kader van de inrichting van de nieuwe provincie Pannonia de ombouw van de oude barnsteenroute tot een moderne heerweg aan de orde kwam. Ze maakten van de aan een kruispunt van wegen gelegen en mogelijk door Kelten bewoonde nederzetting een militaire etappeplaats. In 43 na Christus, onder keizer Claudius, kreeg Savaria de status van stad. In de nieuwe stad vestigden zich mensen uit Rome en in de omgeving kregen veteranen van het 15de legioen ‘Apollinaris’ een stukje grond. Er begon een periode van bloei die tot in de 4de eeuw zou duren. Hoewel Carnuntum de eigenlijke hoofdstad van Pannonia werd, was ook Savaria een belangrijk bestuurscentrum. Het kreeg daarom behalve een forum, een tempel voor de goden van het Capitool en een badinrichting, ook een flink keizerlijk paleis. Onder en in de buurt van de huidige kathedraal troffen opgravers de overblijfselen van het Romeinse stadshart aan. Het meeste verdween weer onder het plaveisel, maar de kruising, zoals hij er in de Romeinse tijd uitzag, is wel te zien (in de tuin achter de kathedraal). Aan de kruising lag in die tijd een aan Mercurius gewijd heiligdom.
Gelukkig bleven ook de fundamenten van de ontvangstzaal van het Romeinse paleis aan de oppervlakte. Eigenlijk komt dat, omdat de ontdekker ervan in 1890 er heilig van overtuigd was, dat hij de aan de martelaar Quirinus gewijde vroegchristelijke kerk had gevonden. Het heiligdom zou, zo betoogde hij, zijn aanzijn te danken hebben gehad aan een verbouwing van een stuk van het paleis. Tegenwoordig weten we beter. Romeinse paleizen hadden zonder mankeren een representatieve zaal die van een absis was voorzien. Deskundigen menen nu dat Savaria in de 4de eeuw maar liefst twee kerken had, gelegen buiten de poorten van de stad, op de plek van de huidige Franciscaner kerk en de Sint-Maartenkerk.
De deftige paleiszaal is mogelijk wel de plek geweest waar Quirinus zijn doodvonnis te horen kreeg . Tot grote vreugde van de christenen van Savaria overigens, die zodoende in het bezit kwamen van het stoffelijk overschot van een martelaar en ook tot tevredenheid van Quirinus zelf, die een christen was van het mystieke type, een eerste vertegenwoordiger van dit geloof dat in de loop der eeuwen één en andermaal langs de barnsteenroute zijn weg omhoog zou vinden. Quirinus was één van de slachtoffers van de vervolgingen onder Diocletianus aan het begin van de 4de eeuw. Net als Jezus die in de olijventuin zijn moordenaars kalm had afgewacht, had Quirinus zich in Siscia (nu Sisak), waar hij bisschop was, laten arresteren en net als Jezus had hij zich in Savaria door een Romeinse rechter zonder een spier te vertrekken ter dood laten veroordelen. De martelaarsdood was, wist hij, het hoogst bereikbare, de kroon op een leven van ascese en de snelste weg naar de hemel, naar de vereniging met God.
Ongetwijfeld waren, terwijl de rechtszitting nog aan de gang was, nijvere geloofsgenoten al bezig om buiten, op de begraafplaats aan het eind van de Szent Márton utca, die ook toen al een begraafplaats was, een krypte te graven voor deze dode, een bouwsel dat een beetje moest lijken op een Romeinse catacombe, en waarin je, als christenen van Savaria, ’s zondags rond het heilige lijk stilletjes bijeen kon komen. Het vroege christendom was nu eenmaal een cultus rond heilige lichamen en daarom werd dit niet veel later, toen het christendom opeens staatsgodsdienst was, ook de plek van de eerste kerk (eind 4de eeuw), de bovengrondse overkapping van het eigenlijke heiligdom met het altaar vlak boven Quirinus’ sarcofaag.
Het kerkje stortte in 456 in en bleef een ruďne, totdat in de 9de eeuw op precies dezelfde plek opnieuw een kerk verrees. Dat heiligdom werd in 875 door de aartsbisschop van Salzburg aan St. Maarten mgewijd. Martinus was in Savaria geboren als zoon van een hoge militair. Hij was in Gallië verzeild geraakt, had daar naam gemaakt als theoloog en werd er uiteindelijk bisschop van Tours. De martelaarsdood was Martinus niet vergund. Hij stierf vermoedelijk in 397 op bed.
Na zijn bekering maakte Martinus in 357 als asceet een reis vanuit Gallia over Italië naar Pannonia en weer terug. Volgens een oud volksgeloof bediende Martinus bij die gelegenheid in Savaria het sacrament van het doopsel aan zijn oude moeder. In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest! De scčne staat sinds 1938 afgebeeld op de put voor de kerk. Dat het waar gebeurd is, is niet zo waarschijnlijk.
De stoffelijke resten van de H. Quirinus waren in 875 al hoog en breed weg en de krypte leeg. Al tegen het eind van de 4de eeuw hadden de leiders van de belangrijke christelijke gemeente van Savaria namelijk besloten dat het niet verantwoord was om te blijven. Met medeneming van het lichaam van hun martelaar waren zij naar Aquileia afgereisd. Sindsdien was de bisschop van de havenstad aan het zuideinde van de barnsteenroute, althans in naam, de baas over de kerk van het nu snel verbarbariserende Pannonië.
De Sint Maarten kwam in 1668 in het bezit van de Dominicanen, die de kerk op kosten van gravin Erzsébet Batthyány in barokke stijl herbouwden. De broeders kregen er een nieuw klooster en ook nogeens een armenhuis bij. In de krypte van het steenoude heiligdom rusten nu de weldoeners van weleer, gravin Erzsébet en haar echtgenoot, graaf György Erdődy.
Archeologische vondsten zijn te zien in het Savária Múzeum. Het museum toont ondermeer een reeks grafstenen die aan de Keltische bevolking van de stad herinneren. Er is ook een uit het eind van de 2de eeuw daterend altaartje voor de Fatae, Keltische godinnen van het lot. Aan het vroegchristelijke Savaria herinnert een van de St. Maartenbegraafplaats afkomstig grafsteentje. Het museum bewaart ook de grafsteen van een man die in leven de bewaker van de begraafplaats was.
Voorwerpen die naar de Avaren verwijzen, zijn in Szombathely niet gevonden. Het lijkt erop dat de kern van het door de Avaren bewoonde gebied noordelijker lag. Archeologen vonden benoorden Szombathely, bij Vasasszonyfa en Lukácsháza, wel twee begraafplaatsen van de Avaren. De in Vasasszonyfa gevonden graven dateren uit de tweede helft van de 7de, de 8ste en de 9de eeuw.
Het Schmidt Múzeum toont een privé-collectie. Het meest bijzondere voorwerp daaruit is een Skythisch kruisvormig gietsel met dierfiguren. Het museum toont verder bronzen riemversiering uit de Avaarse tijd, Keltische zwaarden en aardewerk en glas uit de Romeinse tijd.

Fenékpuszta

Vanuit Szombathely liep al in de Romeinse tijd een officiële heerweg naar Sophianae, of, zoals het nu heet, Pécs. Bij de Balaton passeerde de weg twee plekken die, hoewel archeologen er van alles aan het licht brachten, nog altijd geheimzinnig zijn: Zalavár en Fenékpuszta.
Om met het laatste te beginnen: bij het landhuis Fenékpuszta, dat vlakbij Keszthely ligt, vonden zij een vesting uit de Romeinse tijd. Hoewel de vesting over maar liefst veertig torens beschikte en ook nogeens aan een belangrijke weg lag, zwijgen de geschreven bronnen er in alle talen over. Het is danook tot op de dag van vandaag onduidelijk waarom de Romeinen op deze plek zo’n geducht kamp bouwden. Het meest waarschijnlijk is dat de Romeinen, toen ze moesten vaststellen dat de grens langs de Donau niet langer verdedigbaar was, dieper landinwaarts verdedigingswerken bouwden. Fenékpuszta kan één van die versterkingen zijn geweest.
Interessant is dat in Fenékpuszta een christelijk heiligdom tevoorschijn kwam. Het gaat om een fllinke drieschepige basiliek uit de 4de eeuw, die van drie absiden is voorzien. De kerk bleef tot in de 7de eeuw in gebruik.
Wie de oprijlaan van Fenékpuszta inloopt, ziet links aan het begin de reconstructie van een zware, met twee torens versterkte poort uit de 4de eeuw. Aan het eind van de oprijlaan rechts vonden de opgravers de kerk en behalve dat ook nogeens een enorm vijfschepig graanpakhuis en een waterput.

Zalavár

Nog geheimzinniger is Zalavár, een burchtstad waarvan de naam nog altijd in die van een nabijgelegen dorpje voortleeft. De burchtstad duikt halverwege de 8ste eeuw opeens in de geschiedenis op. Het was in die tijd de zetel van Pribina, een vorst, die uit de Nitra-vallei afkomstig was. Als vriend en bondgenoot van de aartsbisschop van Salzburg was zijn positie onmogelijk geworden en had hij de wijk moeten nemen. Lodewijk de Duitser (840-876), de koning van het oostelijke deel van het Frankische rijk schoot zijn protegee te hulp en gaf Pribina in 842 het gebied aan de onderkant van de Balaton als leen. In 848 kreeg Pribina Zalavár zelfs in eigendom.
Ook als heer van Zalavár stak Pribina zijn sympathie voor de aartsbisschop van Salzburg niet onder stoelen of banken. Zo bouwde hij er, ongetwijfeld geholpen door zijn Beierse bondgenoot, een fraaie, echt Karolingische kerk. Eén en ander leidde er uiteindelijk toe, dat Rostislav, een heerser uit de streek van de Morava, in 860 persoonlijk naar Zalavár kwam om Pribina te executeren. In zijn plaats benoemde hij diens zoon Kocel.
In 866 trad Kocel, sinds de dood van zijn vader blijkbaar een trouw bondgenoot van de Moraviërs, op als gastheer van de broers Constantinus (825-869) en Methodius (815-885), twee uit Thessaloniki afkomstige topgeleerden. Op verzoek van Rostislav had de Byzantijnse keizer de gebroeders die voor hem al verschillende belangrijke missies hadden verricht, naar Moravië gestuurd. Zij hadden er een poging gedaan tot het verrichten van bekeringsarbeid, maar waren daarbij op zoveel tegenstand gestuit van Beieren, dat ze zich teruggetrokken hadden en nu onderweg waren naar Italië om hun beklag te doen bij de paus.
Wie ter plekke gaat kijken (let op het bordje Récéskuti Bazilika tussen Zalavár en Zalakaros), vindt de omtrekken van een kerk met drie schepen en drei absiden en een voorportaal. De absiden hebben een aparte constructie met alleen aan de binnenkant een halfronde wand. Aan de buitenkant is de muur van de absiden recht en vormt ze één geheel. De kerk was tot in de 16de eeuw in gebruik.
Onder deze kerk vonden archeologen een kerk die zij rond 840 dateren en die voorzien was van de voor de Karolingische kerkebouw karakteristieke westbouw. Een kerk met een westbouw was een kloosterkerk. Het oostelijk deel was gereserveerd voor de monniken. Het westelijk deel was bestemd voor pastorale activiteiten en voor onderwijs.
Opgravers vonden ook de burchtwal terug. Zalavár was een naar Slavisch model gebouwde burcht met een aarden wal en een gracht. Buiten de burcht vonden ze laat-Avaarse graven.
De burcht bleef tot in de 10de eeuw een bestuurscentrum, maar het is onduidelijk wat de situatie was, toen de Hongaarse koning Stefanus in 1019 in de onmiddellijke omgeving van de oude kerk een nieuw klooster stichtte. Het is ook niet duidelijk waarom en hoe dit klooster de beschikking kreeg over de stoffelijke resten van de martelaar Hadrianus, die in de krypte van de nieuwe kloosterkerk werden ondergebracht. De resten van dit benediktijner klooster liggen aan de andere kant van de weg van Zalavár naar Zalakaros.
Opgravers vonden de fundamenten van de kloosterkerk en van een afzonderlijke doopkapel. Het bouwen van afzonderlijke doopkapellen was een oude benediktijnse gewoonte die misschien nog op de Karolingische tijd teruggaat.
Sommige Hongaarse historici zijn van mening, dat Zalavár een centrale rol gespeeld zou hebben in de kerstening van Pannonia, het ten westen van de Donau gelegen deel van het Karpatenbekken. De opdracht tot de kerstening van dit gebied had Karel de Grote in 798 aan aartsbisschop Arn van Salzburg verstrekt. 40 jaar later zou dus, volgens deze opvatting, het aartsbisdom van Salzburg in de burcht van Zalavár het centrum van deze activiteiten hebben ingericht. Vanuit dit centrale klooster zouden in Zalavár zelf drie kerken zijn gesticht, gewijd aan respectievelijk Maria, Johannes de Doper en Hadrianus (in het Hongaars Adorján).
De missieactiviteiten zouden zich tot in Pécs hebben uitgestrekt en er zouden in totaal meer dan 30 kerken zijn gesticht. Dit in een periode van 30 jaar, want het verschijnen van Constantinus en Methodius in de burcht zou tot het einde van deze missieactiviteiten hebben geleid.
Aan deze opvatting zitten echter nogal wat haken en ogen. Zo is het de vraag of het verschijnen van een Karolingisch klooster in Zalavár rechtstreeks aan een eventuele oekase van Karel de Grote gekoppeld kan worden. Dit is alleen al problematisch vanwege de chronologie. In 840 was niet alleen Karel de Grote (742-814) al ruim een kwarteeuw dood, maar het was ook het sterfjaar van keizer Lodewijk en daarmee het moment waarop het Karolingische rijk daadwerkelijk in drieeën scheurde. Met betrekking tot de politieke situatie lijkt het erop dat er met de vernietiging van het Avaarse rijk een machtsvacuüm was ontstaan, dat de Karolingische en later de Oostfrankische vorsten niet vermochten te vullen. Van die situatie maakten de Moraviërs die overigens per traditie goede banden met Byzantium hadden, handig gebruik. Het is kenmerkend voor de toenmalige verhoudingen, dat Rostislav zonder enige tegenstand te ondervinden Pribina kon laten ombrengen en de bakens in Zalavár kon verzetten. Niet pas sinds het verschijnen van Constantinus en Methodius, maar al vanaf de dood van Pribina in 860 was Zalavár een trouwe bondgenoot van de Moraviërs en dus voor de aartsbisschop van Salzburg als springplank naar Pannonia onbruikbaar.
Erg belangrijk is tenslotte, dat Constantinus en Methodius met hun onderhandelingen in Rome een resultaat bereikten, dat een flinke streep was door de rekening van de aartsbisschop van Salzburg. Zij kwamen namelijk met de paus overeen, dat er een nieuwe kerkprovincie zou komen. De provincie zou Pannonia en Moravië omvatten. Methodius zou er de eerste aartsbisschop van worden en hij zou zijn zetel krijgen in de oude Romeinse stad Syrmium (Mitrovica). Geruggesteund door de heilige vader en in rang gelijk aan zijn tegenstander, de aartsbisschop van Salzburg, bestierde Methodius de nieuwe provincie tot zijn dood in 885.
Al met al lijkt het erop dat Zalavár pas onder koning Stefanus een belangrijk kerkelijk centrum werd. De eerste koning van Hongarije herontdekte de oude heilige plaats. Hij wist zijn Beierse familie ertoe te brengen de burcht aan hem af te staan en hij wekte Zalavár met belangrijke stichtingen tot nieuw leven.

De plek waar bij keizerlijk besluit Savaria verrees, lag niet alleen aan de grote noord-zuid route, maar ook nogeens aan een tweetal waterrijke beken die elkaar in de huidige stad tot op een paar honderd meter naderen en dan weer elk hun eigen weg zoeken. Tegenwoordig zijn ze ter hoogte van Szombathely tussen flinke dijken gevangen, maar toentertijd bevloeiden ze een uitgestrekt territoir. Deze combinatie leidde er, voorzover we weten, minstens tweemaal eerder toe dat reizigers hier bleven hangen. De eerste keer gebeurde dat voorzover we weten in het 5de en het 4de millennium v.Chr. In die tijd ontstonden aan de beken in de omgeving kleine nederzettingen. Eén ervan, die ter hoogte van het huidige dorpje Sé, een paar kilometer ten oosten van Szombathely, is systematisch opgegraven. De kolonisten in kwestie waren dragers van de neolitische beschaving, die langs de Perint omstandigheden vonden die geschikt waren om hun manier van leven te praktizeren. De kolonisten van Sé behoorden zelfs tot de eerste neolitische golf, tot de mensen dus, die hier de neolitische revolutie kwamen voltrekken en een wereld schiepen waarvan de beoefening van landbouw en veeteelt de hoeksteen was en waarin sedentair leven gewoon werd.
De nederzetting van Sé, die is opgegraven en op een tentoonstelling in het Savaria Múzeum schitterend in beeld wordt gebracht, was van dat nieuwe leven zelfs een uitgesproken voorbeeld. Het was een dorp, omgeven door een palissaden-wal en een gracht, bestaande uit 25 tot 30 huizen en dus bewoond door misschien 200 mensen. In een omgeving waar het jagen en verzamelen nog de praktijk van alledag was, toonden de nieuwkomers van Sé welke kant het op zou gaan en dat de voortploegende boer de toekomst had.
Het neolitische Sé was, zo stelden de opgravers vast, geen in zichzelf gekeerde gemeenschap. Het dorp onderhield contact met nederzettingen in de buurt, waarvan er intussen verschillende zijn teruggevonden (Kisunyom, Dozmat, Körmend), maar ook met de verder zuidelijk langs de barnsteenroute ontstane dorpen en wist zo de hand te leggen op belangrijke grondstoffen. De aardewerk-fragmenten die in Sé tevoorschijn kwamen, behoren tot de Lengyel-cultuur (4800-4000 v.Chr.). Opvallend was dat het dorp ook religieus deel uitmaakte van een groter verband. Zo zijn in Sé heel wat gestileerde vrouwefiguurtjes gevonden, beeldjes die bij een vruchtbaarheidsritueel hoorden en die sterk lijken op vrouwebeeldjes die werden aangetroffen op andere plekken waar de neolitische beschaving wortel schoot.
Hoewel in dorpen als Sé ook mensen geleefd zullen hebben, die zich op ambachtelijke activiteiten toelegden, het vervaardigen van gereedschap, van schalen en keukengerei, of op het bouwen van huizen, stond de beoefening van de landbouw toch op de eerste plaats. Dat zou pas veranderen toen de vervaardiging van metalen voorwerpen een vlucht begon te nemen. We zijn dan in de bronstijd. Ook voor deze revolutie was de streek rond Szombathely een geschikte lokatie omdat in de bergen in de omgeving nu eenmaal allerlei metalen te vinden zijn. En zo ontwikkelde zich in deze periode, ook aan het water, tussen Sé en Szombathely in, in de omgeving van Olad rond het jaar 1000 voor Christus een nederzetting, waarvan de bewerking van metalen het gezicht bepaalde.
De omstandigheden in Sé waren zo gunstig, dat latere kolonisten de plek opnieuw ontdekten. Zo kwamen er sporen van bewoning uit de vroege bronstijd en uit de vroege ijzertijd tevoorschijn. In de Romeinse tijd trokken veteranen erheen om te gaan boeren. Zij bouwden er een villa.