Kees Bakker, De Barnsteenroute (2005). Bron: www.keesbakker.com

Route 1. Van Wenen naar Aquileia

Van Wenen naar Eisenstadt

Door Kees Bakker

Voor de beschrijving van de barnsteenroute heb ik Wenen als uitgangspunt gekozen. Wenen is de stad die in de eerste eeuwen van de jaartelling op de grens lag van het Romeinse Rijk en de wereld van de barbaren en op de plek waar de barnsteenroute de Donau overstak. Wenen ligt bovendien in het gebied, het tegenwoordige Burgenland en het westen van Hongarije, dat in de bronstijd in het verkeer langs de barnsteenroute een buitengewoon belangrijke rol speelde.
Vanuit Wenen beschrijf ik eerst de route tot aan Aquileia, de havenstad aan de Adriatische Zee in de tijd van het Romeinse Rijk. Daarna komt de route aan de orde die vanuit dit gebied door MoraviŽ en Polen naar de oostkant van de Oostzee liep. Tenslotte beschrijf ik de route over Praag en langs de Elbe naar Jutland.

Wenen

Uit ItaliŽ afkomstige reizigers die in het Burgenland waren aangekomen en op de Donau aankoersten, hadden de keus uit heel wat oversteekplaatsen. De meest westelijke mogelijkheid was Linz, in de Romeinse tijd de legerplaats Lentzia. De volgende was Wenen, een nederzetting die in de oude ijzertijd door Kelten was gesticht en die in de eerste jaren na Christus door de Romeinen onder de naam Vindobona als legerplaats in gebruik was genomen. Net als Linz was Wenen een grenspost van het Romeinse Rijk en verder een halte aan de belangrijke handelsweg die langs de Donau liep en die Beieren en het Karpatenbekken en meer in het algemeen West- en Midden-Europa met elkaar verbond, niet alleen in de Romeinse tijd, maar ook in de eeuwen erna en in de vele, vele eeuwen ervoor.

In de Romeinse tijd ontwikkelde Wenen zich tot een grote stad: aan het begin van de 3de eeuw had het maar liefst 20 000 inwoners. Van die stad is weinig of niets over, maar archeologen hebben wel vastgesteld waar ze gelegen moet hebben. Vindobona lag niet rond de Stephansdom, het hart van de middeleeuwse stad, maar nog wat dichter bij de rivier. Wie even voorbij de domkerk de Ertlgasse neemt, loopt praktisch over het tracee van de muur en komt zo bij de Sint-Petruskerk. Het gebouw staat tegen de achtermuur van de Romeinse stad, op de plek van een kazerne uit de Romeinse tijd die later het eerste christelijke heiligdom van Wenen werd.
Reizende handelaars konden in dit oer-Wenen terecht voor een bed en een ontbijt, ook nog lang na het vertrek van de Romeinen. Want precies deze hoek van de Romeinse stad bleef nadien bewoond. Eťn van de bewijzen daarvoor is juist de Sint-Pieterskerk, of eigenlijk het feit dat Petrus de beschermheilige van de kerk is. Dit betekent namelijk dat het heiligdom niet pas door Karel de Grote kan zijn gesticht. De kerken die op het machtswoord van deze keizer ontstonden, werden namelijk steevast aan Sint Maarten gewijd. De kerk kan al helemaal niet dateren uit de tijd dat de bisschop van Passau zijn diocees naar deze contreien uitbreidde. De beschermheilige van dat bisdom was namelijk Stefanus, de om het geloof gestenigde diaken uit het bijbelboek Handelingen. De bisschop was destijds, we zijn dan halverwege de 12de eeuw, gedwongen om naast de ook in die tijd nog almaar bestaande Sint Pieter een gloednieuwe Sint Steven te bouwen.
De Sint-Petruskerk stond trouwens in 1701 nog altijd op het Romeinse straatpeil, een metertje of twee lager dan nu. In dat jaar werd het middeleeuwse gebouw afgebroken en begon de barokke Sint Pieter te verrijzen.

De Duitse Orde

Aan zijn positie als hoofdstad van de Donaumonarchie dankt Wenen een indrukwekkend Naturhistorisches Museum met daarin een enorme verzameling prehistorische vondsten. Met name de bronstijd is in de collectie goed vertegenwoordigd. Veel van die voorwerpen zijn aangetroffen langs de barnsteenroute waarvan het grootste deel binnen de grenzen van de Dubbelmonarchie lag. In het museum zijn ook wat voorwerpen te zien, die afkomstig zijn uit Hallstatt. Omdat in deze plaats, waar in die tijd een grote zoutmijn lag, veel voorwerpen zijn gevonden, die karakteristiek zijn voor de vroege ijzertijd, is het plaatsje ook de naamgever geworden voor de cultuur uit die periode. Jammer genoeg is het belangrijke vondstenmateriaal uit Hallstatt verspreid geraakt. Meer voorwerpen uit Hallstatt zijn te zien in het NiederŲsterreichische Staatsmuseum van Linz en in Hallstatt zelf.
In de eeuwen voor het begin van de jaartelling speelde Wenen zelf in het noord-zuidverkeer geen al te grote rol, evenmin als later, in de Romeinse tijd.
De stad verdient in dit verband vooral vermelding, omdat bedevaartgangers en kruisvaarders in de middeleeuwen de westelijke barnsteenroute als het ware herontdekten. Zij volgden de Elbe stroomopwaarts en reden dan langs de Moldau, die hen tot bij de Donau bracht. Heel wat van die boetelingen en strijders hielden ook voor of zelfs binnen de poorten van Wenen halt, misschien niet altijd tot genoegen van de stadsbewoners die deze strijders voor een heilige zaak moeilijk logies konden weigeren.
Dat Wenen op den duur een vaste halte voor de kruisvaarders werd en zelfs een soort verbindingsschakel tussen Europa en het Midden Oosten, legde de stad toch geen windeieren. Het hangt ook met de kruistochten samen, dat Wenen in de 12de en de 13de eeuw na Keulen de tweede stad van Duitsland werd.
Onder die rustende kruisvaarders zullen ook ridders geweest zijn van de Duitse Orde die op het eind van de 12de eeuw ontstond en die erin slaagde in Palestina een hospitaal en een hoofdkwartier te vestigen.
Tegenslagen in het Midden Oosten brachten de Duitse Orde er net als de andere ridderorden toe om ook elders naar taken -en inkomsten- om te zien. Zo was de Orde betrokken bij de verovering van Griekenland door de kruisvaarders in 1204 en bij de vorming van het vorstendom RomaniŽ daar. In 1211 verschenen Duitse ridders ook in Hongarije. De Hongaarse koning AndrŠs II (1205-1235) bood hun een stuk van Zevenburgen aan. In ruil daarvoor namen de ridders de verdediging op zich van de Transsylvaanse grens tegen kolonisten die van de Zuidrussische steppe afkomstig waren en die zich in het Karpatenbekken wilden vestigen.
Het nieuws dat in het wilde oosten van het Hongaarse koninkrijk een enorm leeg gebied eigendom van de Duitse Orde was geworden, bracht vanuit Duitsland een stroom gelukzoekers op gang. Samen met de kruisvaarders slaagden deze kolonisten er boven verwachting in om migranten uit het oosten buiten het land te houden. De Hongaarse adel die met de koning in een bittere machtsstrijd gewikkeld was, ergerde zich echter aan de bijzondere positie die de Duitse Orde had gekregen. Was AndrŠs niet ook al met een Duitse prinses getrouwd? Had hij niet al de meeste winstgevende baantjes aan buitenlanders weggegeven?
Bijzonder in zijn wiek geschoten was de bisschop van Zevenburgen en een besluit van de paus om het land van de Orde los te maken uit de Zevenburgense diocees had de goedheiligman alleen nog maar bozer gemaakt. AndrŠs was uiteindelijk zo goed niet of hij moest de kruisvaarders in 1225 zijn koninkrijk weer uitjagen.
Gelukkig lagen voor de Duitse kruisvaarders nieuwe avonturen in het verschiet. In 1226 kreeg de Orde een verzoek om hulp van hertog Konrad van MasoviŽ. In datzelfde jaar nog werd de orde door koning Frederik II van Pruisen officiŽel erkend en kreeg de hoogste chef van de Duitse Orde de rechten en privileges van een Duits vorst. Uit Hongarije weggekeken trokken de ridders langs de barnsteenroute naar het noorden, naar het huidige Polen om zich daar opnieuw met de heidenen te meten. In 1231 arriveerden de eerste ridders er. Prins Konrad bood ze een paar dorpen langs de Weichsel aan in de buurt van het huidige Torun. In de jaren daarop namen de ex-kruisvaarders het langs de Oostzee gelegen Pommeren en Oost-Pruisen voor hun orde in bezit. Nog voor de eeuw om was, was het gebied rond de eindstations van de oostelijke barnsteenroute, Gdansk (Danzig) en Kaliningrad (KŲnigsberg), stevig in handen van de Duitse ridders en in 1309 werd ook de hoofdzetel van de orde officiŽel van VenetiŽ aan de ene kant van de barnsteenroute overgebracht naar de Oostzeekust, naar het door de ridders gestichte Marienburg. Maar tegen die tijd hadden de kruisridders van VenetiŽ al de spil gemaakt in de barnsteen-handel op het Midden-Oosten.
Precies 500 jaar later, in 1809, waren de ridders opeens weer terug in Wenen. Door Napoleon uit Duitsland verdreven richtten ze in Wenen inderhaast een nieuw hoofdkwartier in, waarheen ze ook wat kostbaarheden in veiligheid brachten. Het hoofdkwartier is er nog steeds, in een prachtige hof aan de Singerstrasse, vlakbij de St. Stephansdom. Enkele van die kostbaarheden zijn er nog altijd te zien: een tot vaas omgetoverd struisvogelei, dat in de 17de eeuw werd gelegd, in goud gevatte kokosnoten die in de 16de eeuw uit een boom vielen en -maar die zijn echt mooi- vier zwierige evangelistenbeelden van Giovanni Giuliani uit 1721.

Carnuntum

Een kilometer of 40 -een dagmars in die tijd- ten oosten van Wenen, in een glooiend landschap waar ooit het water van de Donau heuvels slechtte en putten en geulen uitgroef, lag, ter plekke van de dorpen Petronell en Bad Deutsch-Altenburg de volgende grenspost van het Romeinse Rijk: Carnuntum.
Bij de vestiging van militaire posten meden de Romeinen de strategische en moeilijk toegankelijke hoogten die bij de Kelten zo populair waren geweest en kozen ze meestal voor een lokatie in een vlak terrein. Het nadeel was misschien dat zulke kampen moeilijker te verdedigen waren, maar daar stond tegenover dat Romeinse legereenheden veel sneller de plekken konden bereiken waar hun aanwezigheid gewenst was. In vlak terrein was het bovendien veel gemakkelijker het legerkamp een overzichtelijke plattegrond te geven. Aan dat laatste hechtten de Romeinen veel belang. Toch kwamen de Romeinse kampementen als het even kon niet al te ver van bestaande Keltische oppida te liggen. Historici veronderstellen dat dit ook met Carnuntum het geval is geweest. Carnuntum zou, zo menen zij, de verlatijnsing zijn van de naam van een Keltische stad, die ergens in de omgeving lag. Sommigen denken wat dat betreft aan het grote oppidum bij Bratislawa (Castra Regina), dat nu bekend staat onder de naam Devin. Maar ook de Braunsberg bij Hainburg is een goede kandidaat.
Zoals zoveel steden in het westen van het Romeinse Rijk raakte Carnuntum in de 4de eeuw op zijn retour. Maar de stad kon de ineenstorting van het Romeinse Rijk uiteindelijk toch overleven, omdat een Byzantijnse handelskolonie een stukje ervan in leven hield. Pas in de middeleeuwen verviel het tot een puinhoop. Rijk en arm sleepte er eeuw-in-eeuw-uit zijn bouwstenen vandaan en maakte het zo tot de onvolledige en in de war gegooide puzzle die nu door archeologen weer voetje voor voetje op orde wordt gebracht.
Maar hoe tragisch het lot van dit oord ook was, in zijn tijd was het absoluut ťťn van de rijkste en belangrijkste steden van het Imperium. Sinds het jaar 15, toen keizer Tiberius er zijn gevreesde 15de legioen ‘Apollinaris’ heenstuurde en Romeinse soldaten voor het eerst oog in oog kwamen te staan met de Marcomannen, een Germaans volk dat op de noordelijke oever van de Donau was neergestreken, was het een belangrijke legerplaats, als zodanig van veel meer gewicht bijvoorbeeld dan Wenen.
In de eerste twee eeuwen na Christus speelden Romeinse keizers herhaaldelijk met het idee om het gebied ten noorden van de Donau en ten oosten van de Rijn aan zich te onderwerpen en er een provincie Germania van te maken. De kwestie werd voor het eerst actueel, toen bleel dat Germaanse volken, waaronder de Marcomannen, niet bereid waren de Keltische oppida in Bohemen en MoraviŽ met rust te laten. Met het verdwijnen van deze steden verloren de Romeinen zakenpartners die per traditie het handelsverkeer langs het noordelijk del van de barnsteenroute regelden. In de militaire operaties die de Romeinen met betrekking tot de Germanen in gedachten hadden, kreeg Carnuntum een belangrijke rol toebedeeld.
In het begin van de 2de eeuw werd het verder de hoofdstad van de provincie Pannonia Superior, de zetel van de gouverneur van die provincie, en dus een bestuurscentrum. Bovendien werd het ook al rond het begin van de 2de eeuw hťt scharnier in de noord-zuidhandel. Als handelscentrum kreeg het ook een flinke burgerbevolking.
Het belang van de stad blijkt ook wel uit het feit dat de in Carnuntum zetelende commandant van Pannonia Superior, Septimius Severus, in 192 keizer werd. In 308, toen Diocletianus gedwongen werd zich als keizer terug te trekken, was Carnuntum het toneel van een keizerlijke conferentie die het voortbestaan van het Rijk moest veiligstellen.
De stad bestond niet uit ťťn, maar uit een reeks ommuurde nederzettingen, ťťn voor het legioen, twee voor de hulptroepen van ruiters en ťťn voor de civiele stad. Daarbuiten bevonden zich dan nogeens het forum en een heilige berg met daarop behalve de heiligdommen ook een theater. Buiten de stadsmuren lagen verder maar liefst twee amfitheaters en nog heel wat huizen en werkplaatsen van mensen die binnen de muren niet waren toegelaten. En dan was er nog de pontonbrug over de Donau, waarvan het bruggehoofd ook versterkt was, en een haven voor oorlogsschepen. In totaal besloeg de stad een terrein van zo’n tien vierkante kilometer en woonden er 50.000 mensen.
Aan het begin van het dorp Petronell kwamen resten van de civiele stad tevoorschijn: fundamenten van huizen en resten van de met enorme stenen geplaveide en van een riool voorziene straten uit de 3de eeuw. In het plaveisel zijn de uitgesleten sporen van de antieke karrewielen nog te zien. Achter de ruÔne van het slot Petronell liggen de resten van de termen, het badhuis van de stad. Archeologen stelden vast dat de eerste huizen van lemen stenen opgetrokken waren. De ongetwijfeld toen ook al dure natuursteen kwam pas in de 3de eeuw als bouwmateriaal in de mode.
Hoewel in Carnuntum ook ambachtslieden gevestigd waren, was het vooral een handelsstad. Handelaren uit het zuiden boden er keramiek en glazen voorwerpen en verder gouden, zilveren en bronzen sieraden aan, die uit het Middellandse Zeegebied afkomstig waren en handelaren uit het noorden voerden graan, huiden, slachtvee en ook slaven aan. Ook in de handel in barnsteen was de stad een belangrijk knooppunt. In Carnuntum werden niet alleen siervoorwerpen van barnsteen gevonden, maar er kwam ook ruwe barnsteen aan het licht. Dat laatste wijst erop dat Carnuntum in de barnsteenhandel een tijdlang een stapelplaats was.

Hoe belangrijk Carnuntum als handelsstad ook was, toch was het in ieder geval in de 2de eeuw nog een belangrijk militair bolwerk. In de tweede helft van de 2de eeuw werd het gebied langs de Donau geteisterd door een langdurige oorlog. Onverstaanbare krijgers schudden de bevolking uit. Graanvoorraden verwisselden van eigenaar, akkertjes werden verwoest en honger en pest waarden door het land. Tienduizenden inwoners van Pannonia en de buurprovincie Noricum gingen als slaaf een onzekere toekomst tegemoet.
Volkeren die aan gene zijde van de Donau en de Rijn leefden, hadden zich met elkaar verstaan en deden in die jaren een gecoŲrdineerde poging om de Romeinen uit Midden-Europa te verdrijven. Langs de Donau waren het de opnieuw de Marcomannen, maar nu ook de Quaden, ook een Germaans volk, en verder de van de Zuidrussische steppe afkomstige Sarmaten, die te vuur en te zwaard het water overstaken. Het bloedvergieten was al jaren aan de gang, toen zij er in 167 zelfs in slaagden aan deze kant van de Donau vaste grond onder de voeten te krijgen. Rovend en plunderend trokken ze Pannonia in. Ook de steden langs de barnsteenroute, Scarbantia (Sopron) en Savaria (Szombathely), moesten het ontgelden. De heerweg volgend drongen ze zelfs tot in Noord-ItaliŽ door. In het begin van de jaren ’70 verplaatste het strijdterrein zich weer naar het gebied benoorden de Donau, waar Romeinse soldaten nu op hun beurt dorpen en steden van de ‘barbaren’ onder handen namen, onder het toeziend oog van keizer Marcus Aurelius (161-180) trouwens. In 171 kwam de keizer-filosoof naar Carnuntum om er persoonlijk de leiding van de strijd op zich te nemen. In 177 was de keizer er weer, dit keer met concrete plannen voor een nieuwe provincie. Door zijn dood in 180 -hij werd het slachtoffer van een epidemie die ook zijn troepen decimeerde- raakte de zaak in het slop, maar toch bleven er nog geruime tijd langs de Morava Romeinse posten operationeel. En misschien was het de wijze Marcus Aurelius zelf wel die de Quaden nog toestemming had gegeven om kolonisten de Donau over te sturen om het door de oorlog ontvolkte land weer tot leven te brengen.

Hoewel Carnuntum intussen door opgravers flink is omgekeerd en er behalve een tempelberg ook een Diana-heiligdom en een heel stel Mithras-beeldjes tevoorschijn kwam, ontbreken tot dusver aanwijzingen dat er in de 4de eeuw ook een christelijk heiligdom was. In steden in de onmiddellijke omgeving, Wenen en DevŪn, maar ook bij de villa van Parndorf die hieronder aan de orde komt, zijn zulke kerken wel aangetoond. Dit betekent dat van de traditionele positie van Carnuntum in de slotfase van het Romeinse Rijk niet veel meer over was.
In de middeleeuwen ontstond er in de enorme dode stad toch weer nieuw leven. Op de fundamenten van een gebouw uit de Romeinse tijd verrees een burchtkasteel, dat tot in de 17de eeuw bleef bestaan. In die tijd kwam het bij de aristocratie in de mode om in het gebied ten oosten van Wenen een zomerpaleis te bouwen en ging ook de burcht van Petronell voor de vlakte om plaats te maken voor Schloss Petronell, een modieuze Italiaanse creatie die er nog altijd staat.

Parndorf

U kunt de route vervolgen over Rohrau naar Bruck an der Leitha. Vanuit Bruck rijdt u richting Parndorf. Als u direct na de snelweg links een weggetje neemt het land in, komt u bij de ruÔne van een reusachtig Romeinse landhuis.
Villa’s van dit type waren grote landbouwbedrijven die zich bezighielden met de teelt van granen, groenten en fruit, met de wijnbouw, de teelt van vlas voor textiel en met de veeteelt. De belangrijkste afnemer was het leger. De villa werd gebouwd in een gebied dat door de BoÔers werd bevolkt. Deze Keltische inwoners lieten heel wat grafstenen na. Verschillende ervan zijn te zien in het museum van Eisenstadt. Kenmerkend voor die stenen is dat er een echtpaar op wordt afgebeeld, waarvan de vrouw een grote mutsachtige hoofdtooi draagt.
Van het geweldige complex met maar liefst 34 vertrekken melden historische bronnen niets. We weten alleen -en ook dat nog niet helemaal zeker- dat keizer Valentinianus er in 375 verbleef. De hooggeplaatste Romein was naar de noordoostelijke grens van het Rijk gekomen om er persoonlijk leiding te geven aan een wraakexpeditie tegen de Quaden. Sinds de dagen van Marcus Aurelius die nog wat Quaden had toegestaan zich bezuiden de Donau te vestigen, in de omgeving van Hegyeshalom en in de buurt van Sopron, leefde dit Germaanse volk in het huidige MoraviŽ en Slowakije, in tevreden afhankelijkheid van het Rijk naar de Romeinen dachten, totdat ze plotseling toch weer de limes, de rijksgrens, waren overgestoken en de barnsteenroute volgend stomverbaasde landlieden met veel geweld naar de andere wereld hadden geholpen.
Valentinianus, die overigens van origine een PannoniŽr was -hij was in 321 in Cibalae (bij Vukovar in KroatiŽ) geboren-, logeerde in het landhuis omdat Carnuntum niet meer voldoende niveau had om een keizer te ontvangen. In de enorme grensvesting was het, zo meldt een tijdgenoot, een bende. De stad was ‘verlaten, verwoest en smerig’. Aquincum kon de keizer volgens deze bron evenmin passend onder dak helpen. In Sirmium (Sremska Mitrovica in JoegoslaviŽ) was het stadspaleis half afgebrand. In Savaria (Szombathely) was het keizerlijk paleis nog wel intakt, maar daar was de noordelijke poort ingestort. In deze slotfase van Romeins Pannonia huisde een civiele bevolking zo goed en zo kwaad als het ging in de ooit voor de legioenen gebouwde vestingen.
Vooral na de nederlaag van Valentinianus’opvolger Valens bij Adrianopel in 378 werd de onneembare limes van weleer een soort klapdeur en liepen allerlei grotere en kleinere bendes Germanen onvervaard in en uit. Het centrale bestuur stortte ineen en belangrijke gezagsdragers namen de barnsteenroute naar het zuiden. Geldeconomie en internationale handel maakten plaats voor lokale zelfvoorziening. ‘Barbaren’vestigden zich in de verlaten versterkingen.
De situatie aan de Donau -een stad op zijn retour en op een steenworp afstand een bloeiend en luxueus landelijk gebeuren- was kenmerkend voor het Westen van het Romeinse Rijk van die tijd: met de steden ging het overal slecht.
Met de fraaie mozaÔeken (nu te zien in het Landesmuseum van Eisenstadt) en de ruime ontvangsthal roept de villa het beeld op van een poging het per traditie bij de stad behorende luxe leven ten plattelande voort te zetten.
Opvallend is trouwens dat de villa maar liefst drie ruimtes had die van een absis waren voorzien. Ze werden naar alle waarschijnlijkheid gebruikt voor officiŽle ontvangsten, waarbij de gastheer in de absis troonde. De receptiezalen geven de villa het karakter van een paleis, van de zetel van een hoge vertegenwoordiger van het Romeinse gezag. Van de absiszalen was er geen, die een kerkfunctie had. Het complex had wel een kerk: een vrijstaand gebouw in de onmiddellijke omgeving van het paleis. Overigens vonden archeologen in de omgeving van de villa ook sporen van een heiligdom voor de Nutrices. De verering van de goddelijke voedsters was een onderdeel van de Mithras-cultus. In de Mithras-heiligdommen waren alleen mannen welkom. De vrouwen hadden een afzonderlijke plek, waar ze deze godinnen vereerden.
Tot het complex behoorden nog heel wat bijgebouwen: werkplaatsen, opslagruimtes en misschien ook soldatenverblijven. Rond het bedrijf, dat twaalf hektares groot was, stond namelijk een met torens versterkte verdedigingsmuur.
De wraakoefening die Valentinianus in deze villa in elkaar stak, kreeg uiteindelijk niet veel om het lijf. De keizer liet bij Aquincum een schipbrug slaan, stak over en verwoestte een paar dorpen. Bij de daarop volgende onderhandelingen in Brigetio (KomŠrom) wond hij zich zo op, dat hij voor het oog van de Quaden-delegatie dood bleef.

Vanuit Parndorf volgden reizigers het steile dal van de Hanif naar Jois, nu de route die de trein volgt. De route voerde hier door het gebied van de BoÔers, een Keltisch volk dat in de eeuwen voor het begin van de jaartelling in het Burgenland een dynamische samenleving had geschapen gebaseerd op de winning van ijzer, de vervaardiging van wapens en gereedschap en de export van ruwijzer langs de barnsteenroute. In de omgeving van Jois werden fraaie voorbeelden gevonden van zulk gerei: een zestal ijzeren punten voor werpsperen uit de 6de of de 5de eeuw voor Christus.
De BoÔers, of een deel van dit volk, was ook zelf langs de barnsteenroute naar ItaliŽ gereisd en had daar een tijd in Bologna en omgeving stand gehouden, maar was uiteindelijk toch weer verdreven. In de Romeinse tijd leefden ze voor een deel binnen de grenzen van het rijk, op de Parndorfer vlakte, maar ongetwijfeld ook verspreid door het Burgenland, elders in de provincie Noricum waar ze zich nog altijd met de winning en bewerking van ijzer bezighielden, en voor een deel buiten de rijksgrenzen in het huidige Bohemen.

Vanuit Jois zagen reizigers zich rechts in een vrijwel rechte lijn het Leitha gebergte uitstrekken, een bergketen die de strook land langs de kust van de Neusiedler See afschermde voor de veel voorkomende noordwesten wind. De route liep verder langs de oeroude en flink versterkte nederzettingen daar: Winden, Breitenbrunn, Purbach, Donnerskirchen en SchŁtzen am Gebirge.
In Jois en Purbach liggen de kerken nog altijd op strategische hoogten. Voor reizigers waren ze al van verre zichtbaar. Zoals uit de vele deftige huizen langs de hoofdstraat in Breitenbrunn blijkt, waren deze dorpen behoorlijk rijk. Ze hadden hun rijkdom ongetwijfeld te danken aan de wijngaarden die hier nog altijd het beeld bepalen.
Blijkens vondsten uit de neolitische tijd bestond Donnerskirchen zevenduizend jaar geleden al. Onder de voorwerpen die hier opdoken, is een houten sikkel met in de snijzijde gemonteerde steentjes. Ook in de Romeinse tijd was Donnerskirchen een belangrijk dorp zoals blijkt uit de 4de eeuwse kerk die er is gevonden. De marmeren altaartafel uit die kerk bevindt zich, net als de sikkel, in het Landesmuseum van Eisenstadt. In de middeleeuwen werd Donnerskirchen een versterkt kerkdorp.
Van SchŁtzen am Gebirge liep de route verder over St. Margarethen en Sopronkőhida naar Sopron. Het is nu niet mogelijk om die route te volgen omdat er geen officiŽle grensovergang is. Wandelaars en fietsers kunnen wel de grensovergang bij MŲrbisch am See nemen.

Eisenstadt

Archeologen gaan ervan uit dat in Eisenstadt en omgeving in de vroege ijzertijd verschillende versterkte nederzettingen lagen, waarvan ťťn in Eisenstadt zelf (locatie Burgstall). Zij bewaakten de plek waar barnsteenreizigers de smalle route tussen de Neusiedler See en de bergen verlieten en de Poort van Sopron opzochten.
In de Romeinse tijd viel de volgende stad op de route, Sopron, bij als pleisterplaats en als markt meer in de smaak dan Eisenstadt. Toch waren er ook reizigers die liever via dit stadje naar het noorden trokken. Als ze in de 4de eeuw op pad waren, konden ze aankloppen bij de Romeinse villa die op de plek van de huidige kazerne lag.
In de middeleeuwen was er ook een Eisenstadt, al was het toen een onbetekenend dorp. De middeleeuwse naam ‘Wenig Mertesdorff’of ‘Zabamortun’, waarvan de betekenis nog altijd een raadsel is, bleef in de Hongaarse naam van de stad, Kismarton, bewaard.
Het eerste schriftelijke bewijs van het bestaan van het oord is een oorkonde uit 1264, die melding maakt van een aan Sintermaarten gewijde kapel. De mededeling is interessant omdat hij de beschermheilige was van het Frankische Rijk. In deze streken werd hij het boegbeeld van de karolingische renaissance.
Dat de man die zijn mantel met een bedelaar deelde, halverwege de 13de eeuw op de kerkberg van dit dorpje vereerd werd, betekent dat het behoorde tot het gebied waar, een kwart millennium eerder, in de tijd van keizer Karel, het christendom bekend was geraakt.
De kerstening van dit gebied behoorde tot het takenpakket van de aartsbisschop van Salzburg, de geestelijk leider van de Frankische provincie Beieren.
In 791 zette Karel met een grootscheepse veldtocht de uitbreiding van zijn rijk langs de oude Romeinse limes en daarmee de onderwerping van de Avaren op de agenda. De Avaren vormden een verzamelling volken en stammen die van de steppe ten noorden van de Zwarte Zee naar het westen waren getrokken en zich in 567 in het Karpatenbekken gevestigd hadden.
Het door de Avaren gedomineerde gebied omvatte in het westen ook het tegenwoordige Burgenland en Nederoostenrijk tot aan de Enns. De Avaren beheersten dus de toegangen tot het Karpatenbekken en het stuk van de barnsteenroute tussen de Donau en de Drava. Het centrum van het Avaarse gebied kan bij Győr gelegen hebben. Opgravers vonden daar veel Avaarse graven. Maar ook in Zillingtal bij Eisenstadt kwam een Avaarse nederzetting aan het licht.
Precies in dit strategisch zo belangrijke gebied kwam Karel de Grote hun kracht op de proef stellen. Frankische legers uit Beieren en ItaliŽ ontmoetten elkaar langs de grens tussen Beieren en het rijk van de Avaren om van het welvarende land langs de barnsteenroute een slagveld te maken. De Avaren hielden zich echter schuil en zonder enige tegenstand te ondervinden marcheerden Karels soldaten door tot de Raba. Daar dwongen een ziekte onder de paarden en het late seizoen de Franken tot de terugtocht. Plunderend en verwoestend trokken de legers langs de Neusiedler See op huis aan.
Vijf jaar later was het wel raak. Karels zoon Pepijn verwoestte de ‘Hring’, het geheimzinnige en nog altijd niet teruggevonden machtscentrum van de Avaren. Het rijk viel uiteen in elkaar bestrijdende regionale heren. Er begon een tiental jaren van geweld en verwoesting.
In 805 was het pleit beslecht en kregen de resten van het Avaarse volk het bevel om zich op het met het bloed van hun volksgenoten doordrenkte en totaal ontvolkte en tegronde gerichte land te vestigen: de strook tussen Bratislava en Szombathely. Daar konden ze weinig anders dan zich schikken in een leven als slaven of horige boeren van de Frankische monniken die er het ene klooster na het andere uit de grond stampten.
Mede dankzij de actieve steun van de Beierse machthebbers en de aartsbisschop van Salzburg schoot het karolingische christendom hier wel wortel zoals wel blijkt uit het feit dat tot op de dag van vandaag in een groot aantal plaatsen een beeltenis te vinden is van de Frankische rijksheilige, Sint Martinus van Tours.

Maar terug naar Eisenstadt, dat, hoe oud het ook was, in de middeleeuwen het karakter van een dorp behield. In een document uit 1371 heette het een ‘villa seu oppidum’, een versterkt dorp dus. Die omschrijving hield verband met de muur die het plaatsje dat jaar kreeg. Twee jaar later, in 1373, was het wel een stad en in 1388 kreeg het ook het marktrecht.
Echt interessant werd het oord misschien pas toen de EsterhŠzy’s er pal naast kwamen wonen. Ze werden burchtheren, maar hadden over de stad, sinds 1648 een vrije koninklijke stad, althans officiŽel niets te zeggen. De EsterhŠzy’s bouwden het burchtkasteel om tot ťťn van de grootste paleizen van Europa, maar wat nog belangrijker was, zij stichtten op het eind van de 17de eeuw een joodse wijk die pal naast het paleis kwam te liggen. De barnsteenroute was toen zijn rol als handelsweg al hoog en breed kwijt. In die tijd was niet meer de noord-zuid handel, maar de oost-west handel dominant: de levering van landbouwprodukten uit Hongarije naar Oostenrijk. Met de handel in wijn was Eisenstadt daarin ook van de partij.