Kees Bakker, De barnsteenroute (2005). Bron: www.keesbakker.com

De route door de eeuwen heen

Door Kees Bakker

Van de oudste tijden af aan gebruikten mensen aanspoelende stukjes barnsteen als materiaal voor de vervaardiging van sieraden en rituele voorwerpen. Zo kwam op Jutland een steentje tevoorschijn met een geboord gaatje, dat als amulet gedragen moet zijn. Het wordt gedateerd in de slotfase van het paleoliticum, tussen 15.000 en 10.000 v.Chr. Even oud is misschien het steentje dat in de buurt van Hamburg bij de opgraving van een zomerkamp van rendierjagers voor de dag kwam. In het steentje zijn dierfiguren gekrast.
Uit het mesoliticum (8.000-3.500 v. Chr.) dateren vondsten van barnstenen dierenfiguurtjes in Denemarken.
Uit de neolitische tijd (in het noorden van Europa van 3.500 tot 2.000 v. Chr.) zijn er betrekkelijk veel vondsten. In de sedentaire cultuur die zich in die tijd aan de Oostzeekust ontwikkelde, werd barnsteen een populaire grondstof voor sieraden. Uit deze periode dateert ondermeer een enorme vondst van bewerkte stukjes barnsteen in de buurt van Gdansk.
Maar hoewel er in MoraviŽ, in Nederoostenrijk, maar ook in de PyrenŽen en in Frankrijk wel stukjes barnsteen zijn aangetroffen in een paleolitische en in het oosten van Engeland, in Frankrijk, in Hongarije en in Rusland in een neolitische setting, bleef barnsteen in de eeuwen en millennia voor het jaar 2000 v.Chr. als grondstof voor sieraden toch vooral van lokale betekenis. Pas vanaf dat jaar vond barnsteen elders in Europa erkenning als een waardevolle grondstof en begonnen stukken onbewerkt barnsteen maar ook eindprodukten zich over grotere afstanden te verplaatsen.

Neolitische periode

Archeologen hebben kunnen vaststellen dat er verwantschap was tussen de mesolitische wereld op het karstplateau boven TriŽst en de mesolitische gemeenschappen die in de buurt van Ljubljana leefden. Dit betekent dat er voor het begin van de neolitische periode al verkeer was over de passen die Noord-ItaliŽ en het Karpatenbekken met elkaar verbonden. Het kan haast niet anders of zulke contacten waren er ook in de neolitische tijd. Toch heeft het zuidelijke deel van de barnsteenroute in de verbreiding van impulsen uit het gebied van de Middellandse Zee en het Midden Oosten in dit tijdvak geen rol van betekenis gespeeld.
In de verbreiding van de neolitische beschaving in Midden- en Noord-Europa speelde het noordelijk deel van de latere barnsteenroute wel een enorme rol. Sterker nog, er is veel voor te zeggen dat grote delen van deze route in die periode tot ontwikkeling zijn gebracht. De noordelijke barnsteenroutes droegen er met name belangrijk toe bij, dat de cultuur van de lineaire bandkeramiek zich tot voorbij de Moravische en de Boheemse Poort kon verbreiden en zo een grote Europese cultuur kon worden. De lineaire bandkeramiek (5500-5000 v.Chr.) is de eerste neolitische cultuur die voldoende dynamiek had om zich over grote delen van Centraal- en West-Europa te verbreiden. Oudere neolitische nesten waren Starčevo, een plaats aan de Donau in het uiterste zuiden van het Karpatenbekken (ServiŽ), en de Banaat, het gebied van de KŲrŲs, de Cris en de Tisza in het zuidoosten van de Grote Laagvlakte (RoemeniŽ).
Hoewel er geen hard archeologisch bewijs voor is, gaan deskundigen ervan uit, dat het neolitische wereldje in de Banaat onder invloed van Starčevo tot ontwikkeling is gekomen en dat de cultuur uit het gebied van de KŲrŲs en de Cris op haar beurt van invloed is geweest op het ontstaan van de cultuur van de lineaire bandkeramiek aan de bovenloop van de Tisza. Hoe de vonk van de lineaire bandkeramiek uit het noordoosten van Hongarije is overgesprongen naar het westen, weet niemand, maar archeologen zijn het er tegenwoordig wel over eens dat West-Hongarije de eigenlijke bakermat van de lineaire bandkeramiek werd. Vanuit dit gebied begon deze cultuur zich snel te verbreiden. Dat de neolitische way of life het Karpatenbekken via de Balkan bereikte en het eerst langs de Tisza tot bloei kwam, is een extra aanwijzing dat het zuidelijke deel van de barnsteenroute in deze periode, het 6de millennium v.Chr., als doorgeefluik van invloeden uit het Nabije Oosten nog geen rol speelde.
De cultuur van de lineaire bandkeramiek was opgebouwd uit elementen die samen een totaal nieuwe manier van leven mogelijk maakten en die overal waar deze cultuur zich manifesteerde, herkenbaar zijn. Hoekstenen waren de landbouw op basis van uit het oosten van het Middellandse-Zeegebied afkomstige granen en andere zaden en de veeteelt op basis van uit hetzelfde gebied afkomstige gedomesticeerde diersoorten (runderen,varkens, schapen en geiten). De vertegenwoordigers van deze cultuur bakten potten die ze onveranderlijk met dezelfde abstracte motieven versierden. De huizen die ze bouwden variŽerden in lengte van 10 tot 30 meter, waren zes tot zeven meter breed en hadden, waar ze ook verrezen, stevast een constructie met vijf rijen staanders. De vertegenwoordigers van de lineaire bandkeramiek beschikten over nieuwe technieken voor het maken van stenen gebruiksvoorwerpen en voor de bewerking van hout en ze hadden nieuwe ideeŽn voor het maken van houten constructies.
De lineaire-bandkeramische nederzettingen leefden van het voedsel dat ze zelf produceerden. Jachtbuit of in het wild verzamelde vruchten speelden in het voedselpakket nog slechts een zeer ondergeschikte rol. Bij de vervaardiging van kleding namen geweven stoffen de plaats van huiden in. Kenmerkend voor de cultuur van de lineaire bandkeramiek zijn tenslotte vrouwebeeldjes. Deze beeldjes die een rituele functie moeten hebben gehad, zijn overal gevonden waar de cultuur van de lineaire bandkeramiek zich wist te vestigen.
De vertegenwoordigers van deze cultuur vestigden hun nederzettingen uitsluitend op lŲss-plateaus in de buurt van rivieren. De lineaire bandkeramiek verbreidde zich langs de noordelijke barnsteenroutes: langs de Weichsel en de Oder tot diep in Polen en langs de Elbe tot aan Magdeburg.
Er zijn tal van aanwijzingen dat de vertegenwoordigers van deze cultuur graag contact onderhielden met mesolitische gemeenschappen in de nabije of verdere omgeving. Het lijkt erop, dat vooral het fraai gepolijste stenen gereedschap een geliefd ruilmiddel was. Zulk gereedschap is in elk geval in Noord-Europa tot ver buiten de lŲss-gebieden gevonden. Zelfs in mesolitische Ertebølle-nederzettingen in Denemarken kwamen hamerbijlen uit de sfeer van de lineaire bandkeramiek tevoorschijn. Ze waren voorzien waren van een licht konisch gat voor de steel: een innovatie van de lineaire bandkeramiek. Het verkeer met mesolitische gemeenschappen gaf de vertegenwoordigers van de cultuur van de lineaire bandkeramiek de mogelijkheid de beschikking te krijgen over waardevolle grondstoffen als oker, een verfstof die bij grafrituelen werd gebruikt, vuursteen, of barnsteen. Van zendingsijver was echter geen sprake: er zijn geen voorbeelden bekend van mesolitische gemeenschappen die technieken of gewoonten van hun lineaire-bandkeramische partners overnamen.
De cultuur van de lineaire bandkeramiek werd mogelijk door het overnemen van gewoonten, technieken en zelfs zaaigoed en gedomesticeerde diersoorten uit het oostelijk deel van het Middellandse Zeegebied. Op de vraag hoe deze zaken het westelijk deel van het Karpatenbekken hebben bereikt, kunnen deskundigen echter geen antwoord geven. Het aardewerk en de versiering ervan, waaraan deze cultuur haar naam te danken heeft, verschaft ons al evenmin sleutels tot de inspiratiebronnen ervan. Hoewel ook de kunst van het bakken van een pot uiteindelijk uit het Midden Oosten afkomstig is, moet dit type keramiek in het Karpatenbekken ontstaan zijn.
Even snel en geheimzinnig als de lineaire bandkeramiek opkwam en zich verbreidde, verdween deze cultuur zes- of zevenhonderd jaar later weer. Opvolgers waren er wel, de cultuur van de Stichbandkeramik, de Lengyel-cultuur (beide van 4800 tot 4000 v.Chr.), maar de verschillen waren zo groot, dat er van echte continuÔteit geen sprake was.
De Lengyel-cultuur was een echte Centraaleuropese cultuur. Ze miste de dynamiek van de cultuur van de lineaire bandkeramiek, maar verbreidde zich toch over een vrij groot gebied (West-Hongarije, Slowakije, TsjechiŽ, Zuid- en Centraal-Polen, Beieren, delen van Oostenrijk). Kenmerkend voor de Lengyel-cultuur zijn omwallingen van opgeworpen aarde, of ook wel van palissaden. Ze bakenden een terrein af, waar mogelijk bijeenkomsten werden gehouden.
Over de herkomst van de cultuur van de Stichbandkeramik weten we niets. Ze was er opeens, in het noorden, op de Noordeuropese laagvlakte vooral. Vandaar probeerde ze zich langs de barnsteenroutes een weg te banen naar Midden-Europa. Het best lukte dat nog langs de Elbe-route. Langs het Duitse deel van de Elbe liet ze veel sporen na, maar ze wist ook wel in Bohemen door te dringen.
Hoewel de decoratie van het aardewerk in de cultuur van de Stichbandkeramik wel verwantschap vertoont met de manier van decoreren in de lineaire bandkeramiek, waren de verschillen tussen de twee culturen groot. Zo werden de doden in de lineaire bandkeramiek, voorzover ze een laatste rustplaats kregen, begraven, vaak in z.g. steenkistgraven. De vertegenwoordigers van de Stichbandkeramik cremeerden hun doden.
Veel later, vanaf 3500 v.Chr., verbreidde de Baden-cultuur zich binnen het Karpatenbekken. In de Baden-cultuur lag een sterk accent op de veeteelt, vooral op het houden van rundvee. Terzelfdertijd werden de Noordeuropese laagvlakte en Zuid-ScandinaviŽ het terrein waar zich de trechterbeker-cultuur ontwikkelde. Dit is ook de periode waarin langs de Atlantische route de bouw van megalitische graven, hunebedden, in gebruik kwam. De nieuwe begrafenisgewoonte die zijn wortels had in het westelijk deel van het Middellandse Zeegebied, verbreidde zich in Zuid-ScandinaviŽ en over de Noordeuropese laagvlakte en volgde ook de Elbe nog een eindje stroomopwaarts. De hunebedden waren veel meer dan graven. De bevolking kwam er regelmatig bijeen om de dode, of misschien de doden in het algemeen, eer te bewijzen. Dit blijkt uit het feit dat mensen aardewerk en andere voorwerpen als gaven voor de doden bij de monumenten achterlieten.
De cultuur van de hunebedden werd het kanaal waarlangs zich vanuit Zuid-Spanje de klokbeker-cultuur kon verbreiden. De vaak schitterend versierde bekers werden een populair cadeautje en droegen zo op hun manier bij aan het verstevigen van de betrekkingen tussen de elite, ook langs de barnsteenroute. Klokbekers zijn niet alleen in MoraviŽ teruggevonden, maar drongen vanuit het noorden tot in ItaliŽ door. Dit betekende echter niet dat het noorden en de vallei van de Elbe in de tijd van de klokbekers ťťn cultuurgebied werden. De vallei van de Elbe, Bohemen en MoraviŽ hadden hun eigen laat-neolitische culturen. Eťn ervan was de cultuur van de kogelamforen (vanaf 3000 v.Chr.). Deze cultuur had haar verspreidingsgebied langs de Elbe, maar vond ook de andere routes naar het noorden, die langs de Oder en de Weichsel.
Van nog weer wat later datum (vanaf 2800 v.Chr.) is de touwbeker-cultuur (Schnurkeramik, Corded Ware), die haar verspreidingsgebied had op de Noordeuropese laagvlakte en langs de grote rivieren in Rusland. De touwbeker-cultuur, waarin stenen strijdbijlen een grote rol speelden en die danook vaak gezien wordt als oorlogszuchtig, wist wel door te dringen in het gebied van de Elbe en de Saale en in Bohemen en MoraviŽ. In het Karpatenbekken wist de cultuur van de touwbekers niet te wortelen.

Barnsteen in Mycene

In de vroege en de midden-bronstijd (2000-1300 v.Chr.) gingen de routes tussen Noord-ItaliŽ en het Karpatenbekken een rol spelen in het internationale verkeer en werd de barnsteenroute een doorgaande verbindingsweg. Vroeger gingen archeologen er wel van uit, dat kooplui de route bereisden en min of meer voor eigen rekening en risico met allerlei goederen in de weer waren. Tegenwoordig is de heersende opvatting eerder, dat goederen zich langs de route verplaatsten via contacten die lokale en regionale heersers met elkaar onderhielden en die samen uitgebreide netwerken vormden en dat dus het ontstaan van nieuwe maatschappelijke verhoudingen en de opkomst van een rijke en machtige elite aan het eind van de neolitische periode van beslissende invloed is geweest op het opengaan van de barnsteenroute.
De hoeveelheid goederen die binnen deze netwerken onderweg was, kon indrukwekkend zijn. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de omvangrijke depots van ÷senringe en andere halffabrikaten die langs de route gevonden zijn. De nieuwe machthebbers hadden een onverzadigbare behoefte aan voorwerpen, en natuurlijk aan de met die voorwerpen verbonden ideeŽn, die konden bijdragen aan de legitimatie van hun geprivilegiŽerde positie en zij waren bereid daar flink voor te betalen, met grondstoffen en halffabrikaten en misschien ook nog met andere goederen die voor archeologen tot dusver onzichtbaar zijn gebleven. Deze heersers slaagden er ook in om barnsteen, waarvoor tot dan toe alleen in de regio’s rond de vindplaatsen enige belangstelling was geweest, tot een internationaal goed te maken, het een status te geven vergelijkbaar met die van de edele metalen en het ingang te doen vinden als een eersteklas grondstof voor de vervaardiging van sieraden. Die bijzondere positie had barnsteen in de midden-bronstijd (1700-1300 v.Chr.) al volop. Barnstenen sieraden, kralen meestal, kwamen niet alleen uit de Centraaleuropese tumulus-graven uit die periode tevoorschijn, maar Heinrich Schliemann vond ze ook, bij honderden nog wel, in graven in Mycene. Opgravers vonden in Mycene ook een dodenmasker van barnsteen. Het was een typisch Myceense gewoonte om voorname doden zo’n masker mee te geven in hun graf. Het barnstenen masker moet dus wel door een vakman in Mycene uit een stuk ruwe barnsteen zijn gesneden. Dit betekent dat in Mycene ambachtslieden werkzaam waren, die ervaring hadden met het snijden van voorwerpen uit barnsteen. In de Myceense periode (1700-1300 v.Chr.) raakte barnsteen zelfs op Kreta verzeild.
Zo slaagden de heersers uit de vroege en de midden-bronstijd er dus in het isolement te doorbreken en een infrastructuur te scheppen, waarlangs technische nieuwigheden, maar ook nieuwe sociale of religieuze inzichten zich snel konden verbreiden. De barnsteenroute die Noord- en Centraal-Europa met elkaar verbond en deze contreien bovendien open legde voor impulsen uit de mediterrane wereld, speelde daarbij een sleutelrol. Het enorme succes van de barnsteenroute ging duidelijk ten koste van de Atlantische route. In de tijd van de hunebedden nog het communicatiekanaal tussen noord en zuid bij uitstek, zakte die nu naar de achterhoede af. Stagnatie en zelfs isolement gingen het beeld langs deze route kleuren.
De vroege bronstijd in Noord- en Midden-Europa (2000-1700 v.Chr.) was ongeveer gelijktijdig aan de bloeiperiode van de MinoÔsche cultuur op Kreta. Maar wie op zoek gaat in de nalatenschap van deze beschaving, vindt weinig of niets wat wijst op contact tussen Kreta en de Centraal- en Noordeuropese centra. Hoewel Kreta de zuidelijke afsluiting vormt van de Griekse archipel en dus geografisch gesproken tot het midden van het Middellandse Zeegebied behoort, oriŽnteerde het zich economisch en cultureel vrijwel volledig op het oosten. De Kretenzers onderhielden intensieve betrekkingen met Egypte, maar schepen uit Kreta legden ook aan op de kusten van Palestina en SyriŽ om met kooplui uit de daar gelegen snoeirijke steden tot zaken te komen en ze manifesteerden zich ook in de havens van AnatoliŽ, waar de Hettieten een monumentale beschaving hadden opgebouwd. Griekenland kwam voor de Kretenzers uit de MinoÔsche periode duidelijk op de tweede plaats, al onderhielden ze wel betrekkingen met plekken in dit gebied als de Cycladische eilanden die het tot welvaart en culturele bloei hadden gebracht, en het westen van het Middellandse-Zeegebied was en bleef voor hen al helemaal een gesloten boek. Het is danook tot op de dag van vandaag een raadsel, hoe de technische kennis nodig voor het vervaardigen en bewerken van brons uit het Nabije Oosten naar Centraal- en Noord-Europa kon overwaaien. En zo wint de stelling aan waarschijnlijkheid, dat er helemaal geen sprake was van overwaaien, maar van het opnieuw uitvinden van het wiel. Dat gebeurde, moest, aldus deze stelling, gebeuren, omdat de nieuwe maatschappelijke verhoudingen in Europa erom vroegen.
In de periode waarin de Myceense steden de leidende rol van Kreta overnamen (1700-1250) en die samenvalt met de midden-bronstijd in Centraal- en Noord-Europa, veranderde het beeld niet wezenlijk. Ook deze steden oriŽnteerden zich op het bloeiende Nabije Oosten en hadden weinig of geen belangstelling voor het westen van het Middellandse Zeegebied en voor het noorden. Toch liegen de kralen van Heinrich Schliemann niet. Het kan dan wel zijn dat de Myceners het nut van het noorden niet inzagen, de elite in Europa was wat Mycene betreft precies van de omgekeerde opinie en deed zijn best zoveel mogelijk glimpen van die wereld op te vangen. En zo kon het gebeuren dat er in het noorden versterkte nederzettingen werden gebouwd en grafmonumenten werden opgericht, die althans de bedoeling hadden Myceense voorbeelden na te volgen, dit alles mogelijk zonder dat de Myceners zelf er enig idee van hadden.

Geweldige muren en migratiestromen

De geweldige muren waarmee de Myceense steden zich omringden, laten zien dat er in de 13de eeuw v.Chr. in het oostelijk deel van het Middellandse Zeegebied in toenemende mate sprake was van onveiligheid. Hoe onneembaar ze de tijdgenoot misschien ook leken, achteraf gezien voorspellen de indrukwekkende versterkingen alleen maar de onvermijdelijke val van die steden en de naderende ondergang van de Myceense beschaving, die zich uiteindelijk rond 1250 v.Chr. inderdaad voordeed.
Hoewel er nog altijd geen sluitende diagnose op tafel ligt, lijkt het wel duidelijk dat juist het enorme succes van die steden ťťn van de belangrijkste oorzaken van hun val is geweest. Zichzelf steeds meer verrijkend bouwden ze een periferie op, waarmee het verschil in levenspeil almaar toenam en die ook een steeds groter gebied ging omvatten. Uiteindelijk begonnen mensen en volken uit het oosten, van de Zuidrussische steppe, en uit het noorden, uit Centraal-Europa, op een idee gebracht door de verhalen over de sprookjesachtige rijkdom van Griekenland, de reis naar het zuiden te ondernemen. Zo maakten ze, onbedoeld soms, een eind aan wat ook de voorwaarde voor hun eigen perifere bestaan was geweest.
Ter ondersteuning van de stelling dat migratiestromen van de Russische steppe een rol hebben gespeeld bij de val van de Myceense steden, is er weinig archeologisch materiaal. Anders ligt dat, als het gaat om het verschijnen van migranten uit het noorden. Uit de vondst van Centraaleuropese wapentypes en sierspelden blijkt dat mensen uit het noorden op behoorlijke schaal op de Balkan, in ItaliŽ en in Griekenland aanwezig waren. De voorboden ervan kunnen groepen strijders zijn geweest, die als huursoldaten in het gebied aan de slag probeerden te komen.
De val van de Myceense steden luidde een lange periode (1200-800 v.Chr.) in, waarin migratiebewegingen en oorlogen in een groot deel van Europa het beeld bepaalden. In Centraal-Europa manifesteerde zich de urnenveldencultuur en in Griekenland, op de Balkan en in ItaliŽ streken nieuwe volken neer. Het contact tussen het Middellandse Zeegebied en Centraal- en Noord-Europa viel weg: het Middellandse Zeegebied had in deze eeuwen weinig te bieden, wat in het noorden als navolgenswaard zou kunnen worden opgevat. Europa raakte op zichzelf aangewezen.

Late bronstijd, vroege ijzertijd

Met het verschijnen van de Griekse stadstaten in de 9de eeuw v.Chr. kwam er een einde aan deze onzekere tijd. Kenmerkend voor de ingrijpende veranderingen die intussen hun beslag hadden gekregen, was dat de Griekse steden zich niet alleen meer op het oosten, maar ook op het westen van het Middellandse Zeegebied oriŽnteerden. De Grieken bouwden indrukwekkende dochtersteden, bijvoorbeeld in ItaliŽ, aan de monding van de RhŰne en op verschillende plaatsen aan de Spaanse kust.
In de 8ste eeuw v.Chr. kwam het Griekse netwerk in de Middellandse Zee tot enorme bloei. De explosieve stijging van de handel, die zich in deze eeuw voordeed, werd in de hand gewerkt door de verbreiding van innovaties die samenhingen met het ter beschikking komen van een nieuw metaal: ijzer. Maar ongelofelijk belangrijk was ook, dat de Grieken de wijnbouw en de teelt van olijven in hun netwerk verbreidden. Wijn en olie waren al in de MinoÔsche cultuur erkend als internationale handelswaar, maar pas de Griekse stadstaten zouden de produktie van deze waren in de periferie van hun handelssysteem toestaan en zelfs actief in de hand werken. Deze streken kregen daarmee de beschikking over waren, waarmee zij aan het internationale handelsverkeer konden gaan deelnemen. Wijn en olie zouden op den duur ook in de handel op het noorden opduiken.
Via de kolonies in ItaliŽ had het Griekse Wirtschaftswunder ook grote invloed op de Etruskische nederzettingen die zich rond 1000 v.Chr. in Midden-ItaliŽ hadden gevormd. In het Etruskische gebied deed zich een spectaculaire bevolkingsgroei voor. Uit de periode voor het jaar 1000 v.Chr. zijn in dit gebied 28 nederzettingen bekend. In de periode van 1000 tot 700 v.Chr. zijn dat er 79 en in de eeuwen tussen 700 en 500 v.Chr. 314. Nederzettingen die na 900 v.Chr. ontstonden, zijn vergeleken met oudere nederzettingen in het gebied groot en ze vertonen vaak een urbaan karakter. De Etruskische cultuur vergriekste van lieverlee volledig.
Rond 500 v.Chr. was er tussen de Griekse en de Etruskische steden een soort arbeidsverdeling ontstaan. De Grieken beheersten de handel ter zee en de Etrusken de handel op het noorden, langs de barnsteenroute, waar een enorme belangstelling was voor de bloeiende Griekse wereld.

Handelspartners van de Etrusken waren grote, versterkte centra langs de barnsteenroute. Zij leverden ijzeren halffabrikaten, zout dat voor de levensmiddelenvoorziening van stadsbevolkingen van enorme betekenis was, barnsteen en misschien ook levensmiddelen, geweven stoffen, huiden, vee, slaven, huursoldaten en vrouwen. In de vroege ijzertijd ging ook de handel in paarden een grote rol spelen. VenetiŽ was een belangrijk handelsknooppunt op dat gebied. Via VenetiŽ vonden deze edele dieren die mogelijk van de Russische steppe afkomstig waren, hun weg naar het noorden.
Kenmerkend voor de dynamiek van de handel langs de barnsteenroute in deze periode is de enorme groei van de produktie van de zoutmijnen bij Halle en Hallstatt. Ook de handel in ruwe barnsteen nam enorm in omvang toe. Het materiaal werd op grote schaal verhandeld naar ItaliŽ. Daar werd het verwerkt tot of ingepast in sieraden die vervolgens voor een deel ook weer in het noorden werden afgezet. Noorditaliaanse barnstenen sieraden uit de vroege ijzertijd zijn zelfs in Denemarken gevonden. Griekse en Etruskische kooplieden speelden in de organisatie van deze handel een grote rol. De tijd dat barnsteen hoofdzakelijk in het kader van diplomatieke betrekkingen tussen regionale heersers langs de barnsteenroute afdaalde, was definitief voorbij.
In het noorden kwam in deze tijd naast Jutland ook het kustgebied van de Pommerse laagvlakte, met als belangrijkste centrum de baai van Gdansk, als vindplaats van barnsteen tot ontwikkeling. De contacten tussen Noord-ItaliŽ en de Pommerse laagvlakte waren intensief ťn direct, zoals blijkt uit de vele Italiaanse voorwerpen die in het gebied gevonden zijn: fibulae, schelpen uit de Middellandse Zee en Etruskische asurnen in de vorm van een huisje of een hoofd. Archeologen gaan er niet alleen vanuit, dat lokale en regionale heersers in de vroege ijzertijd hun greep op de handel verloren, maar dat ook het in de bronstijd zo prominente West-Hongarije, met het belangrijke ertsgebied ten noordwesten van Szombathely, zijn positie van producent van siervoorwerpen en van intermediair in de noord-zuidhandel aan het noorden van ItaliŽ moest afstaan. In de midden- en de late bronstijd waren er bijzonder hechte relaties geweest tussen de Noordse wereld en het Karpatenbekken. Aan het eind van de late bronstijd verloor dit bondgenootschap aan betekenis. Aan de andere kant van de route werd de Pommerse laagvlakte als schakel in het verkeer op Zuid-ScandinaviŽ steeds belangrijker.
Terwijl grondstoffen en halffabrikaten in zuidelijke richting onderweg waren, reisden luxevoorwerpen en de daarbij behorende modes naar het noorden. Het is mogelijk ook aan het drukke noord-zuidverkeer in deze tijd te danken dat een uit de Villanovacultuur afkomstig type helm zo wijd verbreid raakte. De Villanovacultuur is een Italiaanse cultuur uit de late bronstijd die onmiddellijk aan de Etruskische cultuur voorafging. Helmen van dit type waren voorzien van een mesachtige punt en maakten van de drager een soort levende lans. De helm kreeg geen plek in de Etruskische wapenrusting, maar varianten ervan werden in EtruriŽ gebruikt als deksel voor asurnen (zie de Etruskische collectie van het Nationaal Museum in Kopenhagen). De helm werd een echt massaprodukt, verspreidde zich langs de barnsteenroute in noordelijke richting en raakte zelfs thuis langs de kust van de Noordzee. Een helm van dit type, daterend uit de late bronstijd, kwam bijvoorbeeld tevoorschijn in de Lesum, een zijrivier van de Weser bij Bremen.
In de vroege ijzertijd werd de etappe van de barnsteenroute door de Julische Alpen en zo verder naar Ljubljana zozeer overspoeld door Etruskische invloeden, dat je het gebied als een Etruskische kolonie zou kunnen omschrijven. Uit EtruriŽ was onder meer de kunst afkomstig om urnen van koperslagerswerk te vervaardigen en om die met ingewikkelde taferelen uit het leven van vorsten te versieren. De urnen zijn langs de gehele barnsteenroute teruggevonden. Ze werden gebruikt bij de ter aarde bestelling van de as van voorname overledenen.

Al vanaf de vroege bronstijd konden religieuze opvattingen en de daarbij behorende rituelen vanuit het zuiden langs de barnsteenroute naar het noorden doordringen. In de late bronstijd en de vroege ijzertijd bereikte de religieuze invloed van het Middellandse Zeegebied en in het bijzonder van de Griekse cultuur er een voorlopig hoogtepunt. De heersers langs de route legden niet alleen een pijnlijke nauwkeurigheid aan de dag bij het kopiŽren van begrafenisrituelen uit het zuiden, maar ook op ander gebied namen ze graag rituelen over, die hun leven een extra deftig, zuidelijk tintje zouden geven.
Een prachtig voorbeeld daarvan leveren de z.g. tweelingkannen. Het gaat om vaatjes die door de pottenbakker zorgvuldig aan elkaar werden gekit en die het samen met ťťn oor moesten stellen. Vaatjes van dit type doken in Europa voor het eerst op rond het jaar 2000 v.Chr. om al snel weer te verdwijnen. In de late bronstijd en de vroege ijzertijd waren ze opeens weer terug. Ze zijn langs de hele barnsteenroute aangetroffen, in Noord-ItaliŽ, in MoraviŽ en Bohemen, aan de monding van de Weichsel en op Jutland. Tweelingkannen en soms ook drielingkannen waren in het Nabije Oosten al duizenden jaren eerder in gebruik. Ze hoorden bij de cultus van Adonis en Astarte. Wat er precies met de kannen gebeurde, weten we niet, maar het is heel goed mogelijk dat ze bijvoorbeeld een rol speelden in een soort huwelijksvoltrekking ten overstaan van deze goden. Rond 1000 v.Chr. waaide de cultus van Astarte en Adonis over naar het midden van het Middellandse Zeegebied. In Griekenland werden de nieuwe goden bijzonder populair en het duurde niet lang of deze cultus kwam naar ItaliŽ om vandaar aan zijn zegetocht langs de barnsteenroute te beginnen.

Tegen het einde van de vroege ijzertijd deed zich opnieuw het verschijnsel voor, dat volken uit de periferie, aangelokt door de sprookjesachtige rijkdom in het zuiden, in beweging kwamen om daar hun deel van op te vragen. Zo werd de barnsteenroute voor het eerst ook een kanaal waarlangs mensen op zoek gingen naar een nieuw vaderland en een beter leven. De Keltische volken, die op het eind van de 5de en in het begin van de 4de eeuw v.Chr. het gebied benoorden de Alpen verlieten, raakten gebruikmakend van de barnsteenroute op de Balkan, in Griekenland, maar vooral ook in ItaliŽ verzeild (waar ze in 387 v.Chr. Rome plunderden). Van de Romeinse historicus Pompeius Trogus (geciteerd door Kristiansen, a.w., 328) weten we, dat er vanuit Noord-ItaliŽ ook Keltische migratie was in omgekeerde richting, naar het Karpatenbekken namelijk. Die migratie verliep, zoals hij schrijft, via de kop van de Adriatische Zee, via de barnsteenroute dus.
Hoewel de Keltische volksverhuizers een hoop schrik veroorzaakten en de strijders zonder scrupules met andermans goed aan de haal gingen, droegen de migratiebewegingen uit deze periode er ook toe bij dat belangrijke nieuwigheden verbreid raakten: de pottenbakkers introduceerden in de nieuwe woongebieden de draaischijf en de metaalbewerkers de lange, Keltische zwaarden en een hoogontwikkelde smeedkunst. De Kelten die in 387 v.Chr. Rome plunderden, vestigden zich in de Povlakte. Ze voedden en laafden zich er aan de Etruskische cultuur, tot ze, in 191 v.Chr. door de Romeinen verdreven, langs de barnsteenroute de reis naar het noorden weer moesten aanvaarden en in het noordwesten van Hongarije en in Bohemen terechtkwamen.
Maar ook de Scythen maakten in deze tijd gebruik van delen van de barnsteenroute. De Scythen verbleven aan de noordkust van de Zwarte Zee. In intensief contact met de Grieken hadden zij een schitterende late brons- en vroege ijzertijdcultuur tot stand gebracht. De Scythische wereld kende schatrijke vorsten die in grote versterkte steden woonden en die zich in enorme heuvelgraven lieten bijzetten. In de 6de eeuw verschenen ze in Midden-Europa, aan de bovenloop van de Tisza en aan de Donau. Vandaar vonden ze de route langs de Morava naar het noorden. In het noorden manifesteerden de Scythen zich vooral langs de Oder en op de Pommerse laagvlakte.

De tijd van de oppida

De eeuwen die de vroege ijzertijd afsluiten, vormen een hectische en crisisachtige tijd. In indrukwekkende versterkte nederzettingen aan de barnsteenroute kon het leven van het ene moment op het andere ophouden, ook al betekende dat allerminst dat de handel langs de route stil kwam te liggen. De maatschappelijke structuur uit de late bronstijd met aan de top een netwerk van heersers dat de handel en de consumptie van brons monopoliseerde, raakte op de helling. Voor de vroege ijzertijd, de periode van 750 tot 450 v.Chr., was koninklijke heerschappij nog kenmerkend geweest, in Midden-Europa, in het Middellandse Zeegebied en in het Nabije Oosten. In Griekenland was dit de tijd van de ‘tyrannie’. Na 500 v.Chr. ontstond er een wereld die veel minder centraal georganiseerd was en minder hiŽrarchie kende. Het meest uitgesproken voorbeeld was Athene wel, dat een democratische stadstaat werd.
De nieuwe verhoudingen kristalliseerden zich uit in de late ijzertijd. Kenmerkend voor die periode is een nieuw type stad. De steden uit deze periode waren het domein van vaklui die de meest uiteenlopende ambachten uitoefenden en van kooplui. Paleizen kenden deze steden niet. De nieuwe steden waren voor een deel gericht op de regio waarin ze actief waren, maar voor een ander deel ook op de internationale handel. Dat laatste werd belangrijker, naarmate de positie van de Romeinse Republiek in ItaliŽ sterker werd en de invloed van Rome op de handel langs de barnsteenroute groeide.
Barnsteen werd in de late ijzertijd opnieuw een belangrijke handelswaar. De in Bohemen gevestigde Kelten ontwikkelden een nieuwe route waardoor goederen uit het noorden sneller aan de Donau waren en die er tegelijk voor zorgde dat zij de volledige controle over de barnsteenhandel kregen. De route verliet de Elbe bij Praag, volgde de Moldau stroomopwaarts en kwam bij Lorch (Lauriacum) of bij Linz (Lentzia) aan de Donau uit. De Moldau-route was al in de vroege ijzertijd bekend, maar kwam vooral in de tijd van de oppida tot grote bloei. Langs de Moldau zijn verschillende Keltische oppida gevonden (Holubov, Stradonice, Zbraslav). Deze oppida hadden ook ateliers voor de bewerking van barnsteen. Voor de handel in barnsteen bleef de Moldau een belangrijke route, totdat de Keltische oppida in de 1ste eeuw na Chr. door de Germanen vernietigd werden.
Toch zagen de Kelten ook het belang van de oostelijke barnsteenroutes in. Dat blijkt wel uit het feit dat ze midden in de Moravische Poort hun oppidum Starť Hradisko (vondsten in de musea van Boskovice en Prostejov) bouwden. In dit oppidum waren ook ateliers voor de bewerking van barnsteen. Starť Hradisko ging halverwege de 1ste eeuw v. Chr. ten onder.
Met de prominente rol die de Noordse wereld nog in de late bronstijd speelde, lijkt het definitief gedaan te zijn. Zo is het opvallend dat het Burgenland, dat in deze periode opnieuw tot grote bloei kwam, zich in zijn internationale contacten niet meer richtte op Denemarken of Zuid-ScandinaviŽ, maar eerder op de Oostzeekust. Een aanwijzing daarvoor vormen de sierspelden die in de buurt van Sopron en in Neder-Oostenrijk werden gevonden en die sprekend lijken op spelden die de Poolse bodem vrijgaf.
Hoewel vormen en ideeŽn uit ItaliŽ en uit de Skythische wereld grote invloed hadden, slaagden Keltische ambachtslieden er toch in om hun produkt een eigen signatuur te geven, sterker nog, hun vormentaal gaf uitdrukking aan een nieuwe, ‘Keltische’, identiteit, die mensen overal in Europa maar al te graag tot de hunne maakten.
Een fraai voorbeeld van een aan een andere cultuur ontleend idee dat in de Keltische cultuur een eigen rol gaat spelen, vormen de bronzen ringen die op enkele plekken langs de route gevonden zijn. Het gaat om een ringetje van ruim drie centimeter diameter met in het midden een menselijke figuur die de handen ten hemel heft. Twee van die ringetjes kwamen in 1868 bij toeval tevoorschijn tijdens werkzaamheden in een bos in de buurt van Starť Hradisko. Net zo’n ring werd aan het begin van de 20ste eeuw gevonden in Smarjeta in SloveniŽ en tegen het eind van de jaren 70 van die eeuw kwamen in het Burgenland nogeens twee van zulke ringen tevoorschijn. Archeologen veronderstellen dat het om amuletten gaat. De ringen worden in de late ijzertijd gedateerd. Het beeld van de man met de opgeheven handen is van Etruskische oorsprong. In de Etruskische beeldtaal was deze figuur een drakendoder of dierenbedwinger. Het symbool werd in de late ijzertijd door de Kelten overgenomen. Zij brachten het vooral aan op gespen van riemen.

Rome intensiveerde de handel

Het ontstaan van het nieuwe machtscentrum Rome leidde tot een sterke intensivering van de handel langs de barnsteenroute. De handel was en bleef in handen van de Keltische oppida, die in de jaren rond het begin van de jaartelling een periode van enorme bloei beleefden, maar het kon wel gebeuren dat Romeinse zakenlui er zich kwamen vestigen.
Bij opgravingen komen in deze oppida danook veel Romeinse voorwerpen aan het licht, vooral amforen voor wijn. Nieuw was dat muntgeld een rol ging spelen in de organisatie van de regionale handel.
Nog belangrijker werd de handel langs deze route, toen het Romeinse Rijk zich naar Midden-Europa uitbreidde en het westelijke deel van het Karpatenbekken (Pannonia) en Neder-Oostenrijk (Noricum) er provincies van werden. De Romeinen plaveiden het binnen de grenzen van hun Rijk vallende deel van de route ook, al weken ze op verschillende plekken af van het bestaande tracee. De Romeinse variant van de barnsteenroute beantwoordt namelijk onmiskenbaar aan het principe dat de Romeinen bij de aanleg van heerwegen hanteerden en dat er op neerkwam, dat zo’n weg zo recht en zo kort mogelijk moest zijn. Wie over deze heerweg naar het noorden trok, had maar 474 kilometer nodig om van Aquileia in Carnuntum te komen. Vindobona (Wenen) kwam op 504 kilometer van Aquileia te liggen en de afstand van Aquileia tot Brigetio (KomŠrom) werd door de nieuwe weg tot 519 kilometer bekort.

In de Romeinse tijd verplaatste de handel zich geleidelijk verder naar de oostkant van de Oostzeekust. Daarmee verschoof ook de route in oostelijke richting en werd de Morava en de oversteekplaats bij Bratislava weer belangrijker. Bratislava zou voor de Romeinen tot in de 4de eeuw een belangrijk bruggehoofd blijven.
Volgens de Romeinse geschiedschrijver Plinius was de verschuiving naar het oosten te danken aan een koopman uit Rome, die tijdens het keizerschap van Nero (37-68, keizer van 54-68) persoonlijk over Carnuntum naar het noorden was getrokken op zoek naar nieuwe inkoopmogelijkheden. Dit is ook de tijd waarin het aan de Adriatische zee gelegen Aquileia het centrum van de barnsteenindustrie werd. Koopliedenfamilies uit Rome zorgden ervoor, dat ze in de bruisende havenstad vertegenwoordigd waren. De meeste barnsteenvondsten in Aquileia dateren uit de decennia rond het eind van de 1ste en het begin van de 2de eeuw na Chr. Sieraden van barnsteen waren in deze tijd ook een populair cadeautje voor de doden. In de Romeinse tijd bereikte de handel in barnsteen zijn hoogtepunt in de periode van 70 tot 166.
Hoewel de Elbe-route voor de Romeinen alleen al om strategische redenen van enorm belang bleef, is het duidelijk dat de Poolse handelswegen bij de aanvoer van barnsteen niet voor de Elbe onderdeden. Langs de oostelijke route, in het huidige Polen, kwamen ook barnstenen voorwerpen tevoorschijn, die uit Romeinse ateliers afkomstig waren. Archeologen vonden onder meer spinrokkens van barnsteen. Zo’n spinrokken kwam bijvoorbeeld aan het daglicht in Kowanůwko (Woiw. Poznan), een plaatsje aan de Warthe.

Onder Slavische regie

De neergang het van Romeinse Rijk werd langs de barnsteenroute al in de tweede helft van de 3de eeuw volop voelbaar. Trotse steden van weleer als Savaria (Szombathely) en Carnuntum raakten in het slop. De welvarende koopmansstad Scarbantia (Sopron) was al in 304 in een vesting veranderd. Het volume van de handel langs de route viel enorm terug. Toch ging het licht niet helemaal uit. In de eeuwen van de volksverhuizingen werd de route meer dan eens door migranten gebruikt. Zo galoppeerden de Hunnen van Attila erlangs naar ItaliŽ, waar ze in 452 Aquileia verwoestten en plunderden. De meest spectaculaire verhuizing was wel die van de Longobarden een eeuw later. Dit Germaanse volk reisde van de noordelijkste punt van de route, het gebied in de omgeving van LŁneburg, naar het zuiden. In 557 bereikte het Noord-ItaliŽ.
Maar speciaal langs het westelijke deel van de barnsteenroute was er ook in de 5de en de 6de eeuw nog altijd sprake van internationale handel. De organisatoren daarvan waren Byzantijnse kooplui die op verschillende plekken langs de route handelskolonies stichtten. Zo’n kolonie hadden deze kooplui zo goed en zo kwaad als dat ging ook in het vervallen Carnuntum ingericht. Als Byzantijnse kolonie was Carnuntum in deze tijd een belangrijke markt voor barnsteen.
Het Byzantijnse handelsnetwerk bestond nog altijd, toen in de tweede helft van de 6de eeuw Slavische kolonisten op grote schaal naar Centraal-Europa kwamen. Zij vestigden zich vrijwel langs het gehele tracee van de barnsteenroute, van SloveniŽ in het zuiden tot de Elbemond in het noorden. De nieuwaangekomenen bleken er niet op uit te zijn de autochtone bewoners het leven zuur te maken, maar ze vestigden zich op plekken waar nog geen nederzettingen waren. Terwijl de autochtone bevolking een voorkeur had voor nederzettingen op strategische hoogten, vestigden de Slaven zich het liefst in rivier- en beekdalen. In het kader van de al snel op gang komende communicatie verbreidde Slavische know-how op landbouwgebied zich buiten de Slavische gemeenschap, terwijl de Slaven geÔnteresseerd bleken in siervormen die bij de nog altijd op de Romeinse erfenis terende oorspronkelijke bevolking in gebruik waren. Ook met de Byzantijnse kooplui ontwikkelden de Slavische kolonisten goede betrekkingen.
Met de komst van de Slaven raakte de periode van de volksverhuizingen afgesloten en begonnen in Centraal-Europa de middeleeuwen. Onder Slavische regie ontstond een nieuw type samenleving met rijke, versterkte steden waar de ambachten tot ontwikkeling kwamen en van waaruit vorsten over de omgeving heersten. Vooral in het noorden, langs de Morava en de Elbe en in mindere mate ook langs de Oder, kwamen de Slavische steden tot grote bloei. Ze kenden een druk zakelijk verkeer met de Byzantijnse wereld en ze speelden ook in de internationale diplomatie een rol van betekenis.
Ten tijde van de Slavische kolonisatie en bij de daarop volgende veranderingen in Centraal-Europa was de barnsteenroute voor het laatst een belangrijke verbindingsweg geweest. In de eeuwen die zouden volgen, bleef er op onderdelen van die route nog wel druk verkeer, maar als doorgaande noord-zuidverbinding had de oude verkeersweg geen betekenis meer.